ugresic, borowski, kertész, földényi, sebald, vila-matas, nothomb en sciascia

Vertaald

Dubravka Ugresic

Ministerie van pijn

Uit het Kroatisch (Ministartvo boli, 2004) vertaald door Roel Schuyt

De Geus, 297 blz., € 19,90

De in Amsterdam wonende Ugresic (1949) schreef een oorlogsroman die zich alleen maar in Amsterdam kon afspelen. De vertelster geeft twee se mesters gastcollege in een vak dat niet meer bestaat, namelijk Jugoslavistika: Joegoslavische taal- en letterkunde. Zij vat het op als een spel, want haar studenten komen ook niet omdat ze geloven dat Sloveens, Kroatisch, Bosnisch, Servisch, enzovoort inmiddels allemaal verschillende talen geworden zijn. Het college wordt een ruilbeurs voor herinneringen. Elk van de aanwezigen heeft zijn eigen verhaal van vóór en na de oorlog, dus in Amsterdam gaat de oorlog verder. Daar schrijven ze over, en Ugresic geeft een hele reeks van die teksten, ongeacht of ze door haarzelf geschreven zijn of misschien wel echt.

Uit de laconieke houding waarmee zij door het leven gaat, blijkt ook dat de ik-figuur stevig door de mangel is ge gaan. Het verhaal is overtuigend voor zover het zich in Am sterdam en op het Slavisch instituut afspeelt, terwijl een bezoek aan Za greb het kranten niveau niet te boven gaat. Over gebroken levens gaat het, en over een versplinterde taal. Als verhaal is het nogal onevenwichtig: het desolate van de universitair docente die in een souterrain op de Wallen woont, is verrassend; het bonte gezelschap quasi- studenten is treffend geportretteerd; het bestuurlijke gesjoemel is zelf al satire; het einde wordt steeds meer hallucinatie, en de geschiedenis met een ge schifte student wordt ongewild kolderiek. Waar is de baldadige Ugresic van weleer gebleven? Ook door de oorlog uitgeschakeld?

Tadeusz Borowski

Stenen wereld

Uit het Pools (Wybor opowiadan,1948) vertaald door Lisetta Stembor

Contact, 189 blz., € 19,90

De jonge Poolse dichter Tadeusz Borowski zat twee jaar in Auschwitz-Birkenau en schreef zijn verhalen meteen daarna, toen hij nog in een Amerikaans overgangskamp zat. Van af het begin riepen ze door hun hardheid controverses op. Vanaf de jaren zeventig zijn ze daarom zelfs als verhalen van een halve collaborateur gelezen. Dat is in de hand gewerkt door het nawoord van een Poolse theaterwetenschapper dat sinds 1975 de Amerikaanse uitgaven en in 1980 ook de Nederlandse herdruk begeleidde. De nieuwe uitgave is een herdruk van de vertaling uit 1964 en daarmee is ook de provocerend bedoelde titel van toen opgedoekt: Hierheen naar de gaskamer, dames en heren. Nieuwe le zers kunnen de verhalen – in feite een selectie uit twee bundels – dus weer op eigen merites beoordelen. Hard zijn ze, maar minder meedogenloos dan vaak is verondersteld. Borowski is niet cynisch; hij stelt nog wel vragen. Maar hij verbergt niet dat de strijd om te overleven vaak dreigde ten koste van anderen te gaan. De enige smet op deze uitgave is het citaat uit het genoemde nawoord, zij het zonder aanhalingstekens: Het verschil tussen beul en slachtoffer is een kom soep, een extra deken, en schoenen met zolen. Dat is de even gemakkelijke als omineuze gemeenplaats van het haartje verschil, en de «beul» (alleen het woord al) die ieder van ons in zich heeft.

Imre Kertész

De verbannen taal (essays)

Uit het Hongaars (Szamüzött Nyelv, 2004) vertaald door Mari Alföldy László

De Bezige Bij, 235 blz., € 24,90

Soms, veel te zelden, wordt een re censent op zijn wenken bediend. Ruim een jaar geleden maakte ik kenbaar dat ik het literaire werk van Imre Kertész soms gevaarlijk dicht de holocaust-kitsch vind naderen. Ik had het over zijn laatste roman, Liquidatie. Ik vroeg me af waarom geen van zijn essays vertaald waren. Prompt volgde een mini-uitgave met zes lezingen en opstellen. Nu maken die zes deel uit van een bundel met een groot deel van zijn be schouwend werk: gelegenheidsstukken, des te beter, dat maakt ook juist de charme ervan uit. Kertész wordt soms (als laatste kampbewoner) rondgeleid als in de jaren vijftig de neger aan de hand van een missionaris. Aan dat circus doet hij mee, nu weer met vele interviews bij gelegenheid van de verfilming Fateless. Diverse van zijn lezingen en redevoeringen, zeker als ze over Europa of de hele vorige eeuw gaan, steekt hij af vanuit een ruimteschip, zwevend, Maar hij heeft ook genoeg dwarsigheid – dat is het voordeel van gelegenheidswerk – om zijn kont tegen de organiserende instantie te zetten en precies het tegendeel te zeggen van wat men verwacht. In Jeruzalem is hij bijvoorbeeld gaan vertellen dat hij niets weet van joodse identiteit en zich ook niet verplicht voelt Israël bij voorbaat te steunen. Kertész is niet op zijn best als hij geacht wordt hardop te denken; hij denkt beter wanneer hij mompelend naar zijn schoenen kijkt en zegt wat hij voelt op een bepaald moment op een bepaalde plek naar aanleiding van iets concreets.

László Földényi

Muzen en titanen

Uit het Hongaars vertaald door Margreeth Schopenhauer, Mari Alföldy, Frans van Nes, Lenke Havas-Balasz en Jos Verstegen

Atlas, 237 blz., € 24,90

László Földényi (1952) heeft in middels boeken over Kleist en Goya op zijn naam en deze essaybundel lijkt een synopsis van zijn werk: opstellen over literatuur, toneel, beeldende kunst, film, filosofie – en over politiek, van het soort beschouwingen dat van het woord Europa een lopend buffet maakt, met een onverzadigbaar «wij»: «We zijn in een toestand terechtgekomen waarin de geschiedenis ons te veel is geworden, maar waarin ook wij te zwaar zijn gebleken voor de geschiedenis.» Földényi, dat bleek al uit zijn originele boek over Kleist, is goed zolang hij zich bij de tekst of een beeld houdt. Over een schilderij van Goya weet hij van alles te vertellen, maar over Beuys en Viola vertelt hij van alles dat kant noch wal raakt. Dan filo sofeert hij, met een film of boek als trampoline. Pijnlijke onzin verkoopt hij naar aanleiding van Leni Riefenstahl, wier film «de enige creatie is die een licht werpt op het linkse idealisme in de diepte van de beweging». Het is dat de uitgever zegt dat voor Földényi «de crisis van de Europese cultuur centraal staat» – voor wie niet? – maar daarmee is niet gezegd dat de opstellen over verliefdheid, mys tiek en het verband tussen de Titanic en Tsjernobyl minder hoog grijpen. In Oost-Europa hadden ze altijd al een eigen opvatting over de zware lichtheid van de nietzscheaanse retoriek.

W.G. Sebald

De emigrés

Uit het Duits (Die Ausgewanderten: Vier lange Erzählungen) vertaald door Ria van Hengel

De Bezige Bij, 254 blz.,€ 24,90

Het heeft alle schijn dat de van herkomst Zwitserse en sinds 1970 als docent in Engeland levende schrijver W.G. Sebald na zijn dood in 2001 een geliefd Schwerpunkt voor de germanistiek is geworden. W.G. is voor vrienden Max, want omdat hij Winfried Georg nazi-namen vond, koos hij voor de derde: Maximilian. Dit boek uit 1992 is waarschijnlijk een basisboek: de vier biografieën van mannen van wie de levens door het nazidom in Duitsland een kink in de kabel kregen. Het model ervan keert terug in een recenter boek als Austerlitz. Sebald doet graag alsof zijn verhalen echt zijn, vooral door foto’s: dan zie je dat het handschrift van het reisdagboek van een oudoom het zijne is, en de foto van een oud familielid in de sneeuw toont Robert Walser. Het is verleidelijk in de vier uit Duitsland uitgewekenen een spiegelbeeld van de emigrant Sebald zelf te zien. Het gaat hem om sporen, of liever het wonder dat er ooit nog iets van iemand teruggevonden wordt, zoals de berggids in het eerste verhaal die in 1986 in Zwitserland opduikt nadat hij daar 72 jaar geleden was ingesneeuwd. Het nadeel van het spiegeleffect is dat de vier mannen, of ze nu eind negentiende eeuw uit Litouwen of Duitsland verkasten of pas een generatie later, varianten op één levensloop te zien geven. Dat komt door de eenvormige aanpak, methode en stijl. Een romanschrijver was Sebald niet, meer een verzamelaar.

Enrique Vila-Matas

De waan van Montano

Uit het Spaans (El mal de Montana, 2002) vertaald door Adri Boon

De Bezige Bij, 318 blz., € 24,90

De Spaanse schrijver Vila-Matas (1948) heeft veel geschreven; toch is dit pas de eerste Nederlandse vertaling, net op tijd nu hij internationaal een populaire schrijver aan het worden is. De waan van Montano is een vervolg op de (niet vertaalde) roman Bartleby & Co., waarin een schrijver in zijn dagboek allerlei be staande en verzonnen auteurs laat op treden die er op een gegeven mo ment het zwijgen toe hebben gedaan. Die schrijfblokkade had trouwens weinig met Bartleby te maken: deze hoofdpersoon uit de gelijknamige novelle van Herman Melville was een klerk (scriver) die niet meer wenste te kopiëren. In de nieuwe roman blijkt het boek Bartleby & Co. geschreven door Montano, die nu zelf aan literaire sprakeloosheid lijdt, zoon van de schrijver van dit boek. Deze wordt door de ziekte, die hij naar zijn zoon vernoemt, besmet en kan nog alleen maar denken in boekentaal. Be zeten door literatuur wordt hij soms Robert Walser of Franz Kafka, en ziet overal boeken en personages werkelijkheid worden. En daarover schrijft hij ook zelf weer een dagboek, waarin hij onder meer nadenkt over het dagboekschrijven. Na Borges, die uiteraard vaak ter sprake komt, is het spel be kend. En misschien is dat de charme van het boek: voor wie wel eens een boek of wat gelezen heeft zijn alle verwijzingen, zelfs naar niet-bestaande auteurs en boeken, gesneden koek. Dus vliegt er inmiddels de ene titel na de andere uit de keuken van de literaire pizzabakker.

Amélie Nothomb

De hongerheldin

Uit het Frans (Biographie de la faim, 2004) vertaald door Marijke Emeis

De Bezige Bij, 206 blz., € 16,95

De in Japan geboren, Belgische Amélie Not homb, schrijvend in het Frans, is se rieuzer dan ze doet voorkomen in haar romans, waarin vaak een idee-fixe een nachtmerrie van jewelste wordt. Het idee-fixe is dit keer de honger van een meisje dat een biografie doorloopt die op die van de schrijfster lijkt: als dochter van een diplomaat woont ze in Japan, China, New York en Bangladesh; maar dat zijn coulissen voor wat in het Frans haar «biografie van de honger» heet: zo klein als ze is, zo groot is haar Überhunger. «Een hongerlijder is ie mand die zoekt.» Als ze vijftien is, ze woont dan in Laos, weegt het wanstaltige wezen van een meter zeventig dat ze nog is slechts 32 kilo, en dan komt haar lichaam in opstand, uiteindelijk toch sterker dan haar geest. Ze is ei gen aardig, maf, maar intelligent, ze weet zelfs dat ze een gezonde ziekte heeft, want maladie is afgeleid van «mal à dire»: een zieke was dus iemand die moeite had om iets te zeggen. Zij wordt beter. Het lijkt wel een echte autobiografie. Tegen haar zeventiende komt ze in Brussel terecht en begint te schrijven, even razend als haar honger was. Laconiek is haar stijl, zo zijn ook de zinnetjes waarin de gruwelijkste dingen worden gezegd. Vaak is het heel geestig, af en toe wordt het jofel, jolig en melig; dat is het risico van het groteske genre.

Leonardo Sciascia

Todo modo

Uit het Italiaans (Todo modo, 1974) vertaald door Jenny Tuin, gereviseerd en van een nawoord voorzien door Linda Pennings

Serena Libri, 156 blz., € 16,75

Er zijn veel misdaadromans, waaronder intelligente, de intelligentie prikkelende (wat niet hetzelfde hoeft te zijn), en er zijn politieke. Die laatste zijn bijna altijd eendimensionaal, juist als ze intelligent bedoeld zijn. Totaal iets anders is het werk van de Italiaan Leonardo Sciascia (1921-1989), van wie uitgeverij Serena postuum de ideale uitgever aan het worden is. Sciascia heeft een eigen genre gecreëerd, met behulp van de maffia. Die heeft hem ook het type politieman bezorgd dat weet dat er geen beginnen aan is. In Todo modo is de maffiose toplaag voor geestelijke oefeningen bijeengekomen in de kluizenaarswoning van Don Gaetano: top politici, prelaten, managers; een mooi groepsportret, met af en toe wat dames. Verteller is een toevallig aanwezige schilder. Zijn gesprekken met Don Gaetano, de duivelse priester, zijn geestig en spiritueel. De priester wordt een van de twee slachtoffers en wie de dader is weet in en buiten de roman geen mens, niet de schrijver en zelfs niet zijn redacteur Italo Calvino. Vermoord of een natuurlijke dood gestorven? «Alsof de dood, en Don Gaetano had hun dat moeten leren, niet altijd en in alle gevallen natuurlijk is.» Een eerdere vertaling van 1986 is nu gereviseerd. Mooi, het boek is er in ieder geval weer.