Marcelo Birmajer, Edgardo Cozarinsky, Dezsö Kosztolányi, Martin Walser, Juan Marsé, Henri Michaux

Vertaald Literatuur als parodie

Roberto Calasso oppert naar aanleiding van Léautreamont de moge lijk heid dat veel, zoniet alles in de literatuur parodie is, vooral als lezers denken met hoogst serieuze on der werpen van doen te hebben. Die gedachte kan als je haar letter lijk neemt besmettelijk werken; de lezer heeft dan soms plezier voor twee

Marcelo Birmajer

Drie Argentijnse musketiers

Uit het Spaans (2001) vertaald door Adri Boon

De Geus, 190 blz., € 17,90

Dit is «een spannend boek over de er fenis van de militaire dictatuur in Argen tinië en over de joodse cultuur in Buenos Aires»: iets van de drie be we ringen moet toch waar zijn. De eerste twee pagina’s zijn veelbelovend: een jonge journalist loopt er al een jaar de kantjes af door bij elke opdracht te zeggen: «Ik ben er voor de dagelijkse nieuws berichten». Dit keer kan hij niet weigeren: omdat hij joods van afkomst is mag hij de uit Israël terugkerende Elías Traüm op het vliegveld afhalen voor een interview. Twee vroege vrienden van de man hadden zich vroeger bij de links-radicale Montoneros aangesloten; bovendien gingen ze wat onorthodox met het joodse ge dachtegoed om. Maar ze waren voornamelijk op het liefdespad, en nu is er een vrouw in de regering die vroeger door alle drie gepakt is, of zij door haar, tegelijk, en dat moet in het vergeetboek. Traüm wordt al bij aankomst gekidnapt en beroofd. Bij nadere kennismaking blijkt hij een oudere uitgave van de jonge held die last heeft van kleffe puberdromen. Satirisch bedoeld? Dat zal wel, maar waarom is het boek zo’n rommeltje? «Een mix van liefde, seks, vriendschap, jodendom, politiek en intrige. Decor is het Argentinië van nu en dat van de jaren zeventig tijdens het Videla-regime.» Hoe heet wishful thinking van uitgevers in goed Nederlands?

Edgardo Cozarinsky

Emigrantenhotel

Uit het Spaans (2002) vertaald door Adri Boon

Arbeiderspers, 141 blz., € 15, 95

Het titelverhaal begint met het vertrek op 3 oktober 1940 van het stoomschip Nea Hellas naar New York, met aan boord Alfred Döblin, Heinrich Mann, Alma Mahler, et cetera. Maar het verhaal richt zich op andere passagiers: de grootouders van de verteller, die in het Lissabon van 2000 naspeuringen doet. Zijn grootmoeder was naar Spanje op avontuur gegaan in de Burgeroorlog en trouwde voor de terugreis een Duitse student kunstgeschiedenis om die mee te nemen naar Amerika. Maar wie nam zij mee? Zij woonde immers met twee Duitse vrienden in het emigrantenhotel. Vermoedelijk heeft de een toentertijd de naam van zijn joodse vriend aangenomen. In het eerste verhaal van de bundel vertrekt in 1890 een joodse jongen uit Odessa naar New York, niet met zijn zojuist ge trouwde vrouw, die wilde opeens niet mee, maar met een modinette die hij op de valreep ontmoet en wel voor echtgenote wil spelen. Leuk voor de kleinkinderen. In de negen verhalen, die zich op verschillende plaatsen en tijden afspelen, is niemand wie hij lijkt. In het Europa van voor 1945 zijn ook vele levens stevig opgeschud. De biografische feiten van de schrijver zijn in stijl: 1939 in Buenos Aires geboren, nazaat uit een Russische emigrantenfamilie, en sinds dertig jaar in Parijs als filmer woonachtig. Dit boek is ongeveer zijn eerste literaire werk. Elk verhaal de stof voor een hele roman, of een uittreksel van de bekende verhalen van ontwortelde, uitgelopen, verkreukelde emigranten levens.

Dezsö Kosztolányi

Anna

Uit het Hongaars (1926) vertaald door Henry Kammer

Van Gennep, 287 blz., € 17,90

In korte tijd is dit al zeker de vijfde oudere Hongaarse schrijver die vertaald wordt, gepresenteerd als voorloper, geestverwant, familie of tegenstander van Sándor Márai. En net als in De deur van Magda Szabo is in Anna van Dezsö Kosztolányi (1885-1936) een dienstbode hoofdpersoon die de rollen in huis omkeert. Het is geen keuken meidenroman, maar politieke literatuur: op de eerste bladzijde, 1 augustus 1919, vliegt de grote man van de Radenrepubliek, Béla Kun, het land uit, waarna on middellijk weer de oude orde in werking treedt. De burgerdames zien me teen kans hun oude gespreks onderwerp op te pakken: het dienst bodenprobleem. Mevrouw Vizy, wier man snel hogerop wil, vindt via de conciërge, ten tijde van de Radenrepubliek een van «de eerste marxisten» maar op slag een kruiperig onderdaan van het nieuwe Roemeense bewind, haar droommeisje: Anna. De ijverige schim wordt in huis onmisbaar en in Boedapest groeit ze uit tot een legende. Een politieke roman? Het achterpand ervan. Satire? Als het serieus bedoeld is, dan is het parodie, is het satire, dan met een serieuze strekking. Anna maakt een einde aan de anders eindeloze roman door haar werkgevers na een feestje dood te steken. Niet omdat ze door een cynische neef misbruikt wordt – want ze wilde maar al te graag. Waarom dan wel, dat weet ze zelf ook niet. Zo geliefd als ze was, zo goed weet nu iedereen dat ze nooit gedeugd heeft. Alleen de dokter weet het – hij is ook de enige die «lid is van de grote menselijke gemeenschap».

Juan Marsé

De betovering van Shanghai

Uit het Spaans (1993) vertaald door Fred de Vries

Ambo, 241 blz., € 19,95

Barcelona kort na de oorlog, een jongen van veertien, vader niet uit de oorlog teruggekomen, hij van school gehaald omdat er geen geld is, bezoekt dagelijks een buurmeisje Susana dat aan tbc lijdt. Hij tekent het languisante meisje met op de achtergrond een kwalmende schoorsteen in opdracht van zijn oude vriend kapitein Blay die de bevolking tegen een grote gasvergiftiging wil waarschuwen. De man, die twee zoons verloren heeft, is wat verward en loopt rond «vermomd als een door de tram aangereden voetganger.» Dat is veel en erg, ook erg realistisch, maar wat Forcat, een man die in huis is ingetrokken aan Susana over háar vermiste vader Kim ver telt is meer, erger en spannender. Kim, zo actief als verzetsman dat hij nooit thuis kan komen, vervult een opdracht die hem per boot naar Shanghai voert waar hij een Chinese moet schaduwen en een Gestapo-kolonel moet executeren die nu Omar Meiningen heet en eigenaar is van de Yellow Sky Club en twee exclusieve bordelen. Aan het eind treft de jongen jaren later de gereconvalesceerde tbc-lijdster achter het loket van een bioscoop. Ongegeneerd heeft Marsé (1933) ondertussen met de hele oorlogs- en naoorlogs heroïek de draak gestoken, en dat is nog leuk ook. Enigszins overbodig is dat de schrijver de al te licht gelovige lezer erop attendeert dat zijn personages allemaal in een schijnwereld zweven – wie beslist daar trouwens over?

Martin Walser

Messmers reizen

Uit het Duits (2003) vertaald door Ria van Hengel

De Geus, 157 blz., € 19,90

«Behalve de auto geen enkele vriend meer. Sinds de hond dood is.» Treurig, maar waarom staat er achter meer en voor sinds een punt? «Ik ben een weggestemde regering die niet opstapt.» «Om te gapen gebruikt de dood mijn mond.» En dat 150 pagina’s lang; zelfs wijsheden verwelken als ze met z’n twintigen in een vaas staan. Martin Walser ging na achttien jaar op herhaling: Messmers Gedanken (1985) heten nu Messmers reizen. Dat Mess mer ook een oude schrijver is die elke week uit tal van uitnodigingen overal ter wereld kan kiezen («Hongkong, Palermo, Athene, Monterey Ca., Parijs, Urach, Bad Mergentheim.» Koket gaat het «Naar Urach dus»), graag in jonge keurtjes kijkt, en zich aan Nietzsche spiegelt is toeval: het zijn de gedachten van Messmer en niet van de oude Bodensee-literator. Reizen? Vijftig blad zijden gastdocentschap in de Verenigde Staten en daar lastiggevallen geworden door vrouwen en poëzie van collega’s. Moest dat nog eens verteld? Ja, want Walser fileert hier vlijmscherp het hele academische volkje. Hij kiest voor de gewone man: «Geen kans om engel te zijn of veldheer. Eten en drinken zoals iedereen. Tv-kijken zoals iedereen. Zoals iedereen sterven. Het allerhoogste wat je kunt bereiken is: zijn zoals iedereen.» Hoe is het mogelijk dat deze inderdaad doorsneeman in Duitsland voor een groot schrijver wordt aangezien?

Norbert Gstrein

Een wrede zomer

Uit het Duits (2003) vertaald door Els Snick

Cossee, 271 blz., € 21,90

Het verschijnsel is niet nieuw: de oorlogsverslaggever als romanheld, maar de laatste jaren wel erg in tel. Een beetje veteraan heeft op z’n minst Afghanistan, Afrika (Rwanda), Bosnië of Kosovo op z’n conduitestaat. De Oostenrijker Gstrein heeft er me teen maar een drietrapsroman van gemaakt. Held A is een Oostenrijkse oorlogscorrespondent die in Kosovo sneuvelt. Vriend B volgt vanuit Hamburg zijn spoor met de bedoeling er mede met behulp van een Kroatisch vriendinnetje een grote roman van te maken; en neemt verteller C, collega van de krant, op sleeptouw. C (ik) neemt als ook B het loodje legt de inboedel over (de Nalatenschap). Een slimme lezer denkt dan dat hij diens roman leest. Dat over de oorlog geen zinnig woord gezegd wordt is één ding, die is ook alleen maar decor; dat er over de verslaggeving te velde kruimig jongensboekenproza gepleegd wordt is een tweede; vervelender is het gezever over de Roman: voor de frontschrijver is de hele literatuur natuurlijk verder Spielerei. Maar wat maakt A tot martelaar? Zelfs in de roman is hij een hufter en opportunist, hij voelde zich alleen beter dan zijn collega’s. Nu hij dood is bestaat hij uit geruchten – én het bandje waarop hij Slavko, de schurk van dienst, interviewt. Grote vraag: is het dodelijk schot dat op het bandje te horen is door de reporter afgevuurd? Held B is een papegaai, en krantenvuller C vertelt alleen maar na. En laat het hele verhaal ook nog echt gebeurd zijn, zegt men.

Sergej Dovlatov

Het kamp: Aantekeningen van een

bewaarder

Uit het Russisch (1995) vertaald door Aai Prins

M. Bondi/Pegasus, 164 blz., € 16, 50

Van Dovlatov (1941-1990) werden eerder De koffer en Compromissen vertaald, dit is zijn eerste boek, dat in het Russisch pas na zijn dood werd uitgegeven. In 1978 emigreerde Dovlatov naar de Verenigde Staten; in het boek speelt een rol dat hij het manuscript maar voor een gedeelte van microfiche af kon halen. Daardoor kan hij zich beperken tot sterke verhalen, de rest kan hij in brieven aan de uitgever kwijt. De Russen houden van toffe oorlogsverhalen; Dovlatov, die zelf als militair in een kamp voor zware criminelen dienst deed als bewaarder, sluit daarbij aan. O nee, hij is geen Solzjenitsyn of Sjalamov, hij was immers bewaker. In de hele roman komt geen politieke dwangarbeider voor, knap is dat. Dovlatov is zeer ingenomen met zijn levenswijsheden, hij herhaalt ze dan ook graag, zoals de vaststelling dat goed en slecht dicht bij elkaar zitten: bijna elke gevangene zou een goede bewaarder zijn. Het zijn omstandig heden, milieu, willekeurige factoren die daarover beslissen. «Aldus zijn er twee uitersten. Ik had kunnen vertellen over de man die zijn oog dichtnaaide. En over de man die een gewonde jonge distelvink in de houtkap grootbracht. Over de verduisteraar Jakovlev, die zijn balzak aan een brits vastspijkerde. En over de zakkenroller Boerkov, die huilde bij de begrafenis van een meikever…» Vertellen kan hij wel. Maar het beste aan deze roman is de vertaling: het is niet voor het eerst dat Aai Prins van het Russisch bargoens kostelijk Nederlands heeft weten te maken.

Henri Michaux

Roerige nacht

Uit het Frans vertaald door Jan Pieter van der Sterre

Sea Urchin Editions, 136 blz., € 11,-

De titel Barbaar in Azië heeft Van Dis nog eens gevarieerd, een enkele keer valt de naam Plume; elke tien of twintig jaar probeert wel weer eens iemand het, maar Michaux komt maar niet aan in de Nederlandse literatuur. Ik weet wel waarom, maar zeg het niet. Misschien was het al in 1924 voor Michaux zelf een reden om België te verlaten en bij de Franse literatuur in te trekken. Vorig jaar gaf een mij verder niet bekende Rotterdamse uitgeverij een bundel met teksten over (experimenten met) geestverruimende midde len uit; een beetje gedateerd. Deze uitgave met een keuze uit twee vroege bundels prozagedichten, Mijn bezittingen (1929) en Roerige nacht (1933), maakt veel goed, te meer omdat de samensteller Van der Sterre in zijn vertaling Michaux enthousiast heeft overgedaan. Wat een strijd daar per bladzijde geleverd wordt, niet in de laatste plaats van de persoon met zichzelf, van gedaante veranderend, van rol wisselend, monsterachtige vormen aannemend. Het zou mij niets verbazen als tussen de bedrijven door allerlei portretten en brave fabeldieren verfrommeld, verscheurd en verfomfaaid werden. Alleen al hoe daar in Mijn koning de baas te kakken wordt gezet: «In de beslotenheid van mijn kamertje laat ik een wind in het gezicht van mijn Koning.» Bij zoveel hardhandigs vraag je je vanzelf af wat voor literaire heiligenbeelden daar van neuzen en tenen ontdaan worden, waarvan met de brokstukken hinkels worden getekend. Voor één bladzijde woordenstrijd van Michaux geef ik de helft van de andere boeken cadeau.