Vogelaars keuze: Vertaalde literatuur

Vertaald. Van kwaad tot erger

Susan Neiman

Het kwaad denken: Een andere geschiedenis van de filosofie

Uit het Amerikaans (2002) vertaald door Wal ter van der Star, Boom, 357 blz., e 29,90

Je moet maar durven: een groot boek over een begrip dat met een hoofdletter geschreven of voorzien van de adjectieven Absoluut of Duivels alle denken te boven gaat, en ook nog eens de geschiedenis der moderne filo sofie herschrijven. Niet echt herschrijven, de Amerikaanse filosofe Neiman, werkzaam in Berlijn, zet andere accenten: ze laat het moderne denken beginnen in 1755, bij de reacties op de aardbeving van Lissabon (vijftienduizend do den), en eindigen bij Auschwitz, dat alle rationele denken met stomheid sloeg. Na Lissabon werd er onderscheid gemaakt tussen het natuurlijke kwaad – op conto van de voorzienigheid – en het morele kwaad, waarvoor mensen verantwoordelijk waren. Haar voorkeur ligt bij degenen die zich voor hun denken beroepen op menselijke ervaring. Het is een verademing hoe vrijmoedig zij met namen als Rousseau, Leibniz, Nietzsche en Freud omspringt. Dat Camus en Hannah Arendt favorieten zijn is minder verbazend dan de lof voor Pierre Bayle. Neiman geeft geen ideeëngeschiedenis, ze (her)groepeert filosofen rond thema’s. Ze onthoudt zich ook van begripsdefinities. Ze weet bovendien dat de onuitroeibare zucht tot zingeving al een kwaad op zich is. Ze vergelijkt de reacties op het kwaad, maar wat het kwaad zelf betreft kant ze zich terecht tegen vergelijken en pleit ze voor onderscheiden. Dat ze ook nog uitgebreid op 9/11 moest ingaan, is niet de sterkste kant van het boek.

Olga Lengyel

Leven met de dood: Een vrouw overleeft Birkenau

Uit het Engels (1947) vertaald door Erika Venis

Verbum, 220 blz., e 22,50

Lengyel schreef haar verslag van acht maanden Auschwitz-Birkenau in het Hongaars, meteen in 1945, het werd snel in het Frans en het Engels vertaald, nu pas in het Nederlands. Olga Lengyel (1909-2001) ging vrijwillig mee toen haar man, chirurg en eigenaar van een ziekenhuis, in mei 1944 op transport werd gezet. In Birkenau zag zij meteen haar twee kinderen en ouders naar de gas kamer verdwijnen. Zij bleef in leven doordat ze in de verpleging kwam. Ze had twee motieven: haar werk in het ondergronds verzet in het kamp en het voornemen alles op te schrijven. Toen zij haar verslag schreef wist zij niet wat anderen zouden schrijven en was zij nog in de eerste plaats erop uit informatie te geven. Lengyel was een van de eerste vrouwen die speciaal over de vrouwenbarakken schreven. Zij be schrijft chronologisch de fasen van haar kamptijd en onderwerpen waarmee zij van nabij te maken kreeg zoals de ziekenzorg in het dodenkamp en de absurde medische experimenten. Zelfs die waren een zootje, zoals bijna alles chaotisch verliep. Hooguit kun je zeggen dat de willekeur, de vernedering, de smerigheid in het leven van de (hoofdzakelijk niet-joodse) kamp popu latie, net als de massamoord, ingecalculeerd waren. Interessant zijn de portretten van het mooie stel dr. Mengele en de levensgevaarlijke SS-vrouw Irma Grese, de 22-jarige boerendochter, steevast voorzien van het epitheton «Engel des Doods» en beeldschoon geheten.

Blaise Cendrars

Moravagine

Uit het Frans (1926) vertaald door Zsuzsó Pennings

Voltaire, 267 blz., e 18,50

Data zijn bij dit boek niet onbelangrijk. De verteller, een in 1900 afgestudeerde zenuwarts gespecialiseerd in de zogenaamde ziekten van de wil, doet in een sanatorium bij Bern onderzoek naar «het chemisme van de pathogenie», maar wil eigenlijk de hele psychiatrie opblazen. De ontmoeting van zijn leven is die met een patiënt die in 1884 wegens een moord op een meisje geïnterneerd is, de zoon van de laatste koning van Hongarije. Misschien dat zijn bizarre jeugd verklaart wat volgt. De verteller ontsnapt met zijn patiënt, die en passant – en dat blijft hij doen, hij heeft er lol in – vrouwen keelt. Hij wil het monster observeren, het is eerder adoreren, zoals dit (meer cynicus dan nihilist) in Rusland een revolutionaire beweging leidt, een span vormend met een joodse masochiste. Arts en monster gaan via de VS naar Zuid-Amerika, waar Moravagine als een god vereerd wordt door de blauwe indianen. Als ze naar Europa terugkeren zijn ze net op tijd voor de Grote Oorlog: toen deed de hele wereld aan Moravagine. De echte begint aan een duizenden pagina’s tellend boek over de planeet Mars. Zo’n boek schreef Cendrars (1887-1961) zelf ook. Dat hij in de oorlog een hand kwijtraakte zal in 1917 niet het motief geweest zijn om aan dit boek te beginnen, een boek waar Céline nog een puntje aan kon zuigen. Wie was er nou gefascineerd door het kwaad: de gefrustreerde mankepoot Moravagine, die moorden lekker vond, of de meeloper en psychiatrische geestverwant, of de schrikaanjager Cendrars die het echte Kwaad nog genialiteit toedichtte?

Nina Loegovskaja

Ik wil leven

Uit het Russisch (2004) vertaald door Anne Pries

Archipel, 400 blz., e 19,95

Een dagboek van 350 pagina’s van een dertienjarig meisje, zelfs een met literaire ambities, zou normaliter onverteerbaar zijn. Dat is dit dagboek ook, maar enkele externe eigenschappen maken het tot een meervoudig document. In de eerste plaats zijn er uit de tijd van de Grote Zuivering weinig geloofwaardige berichten over het dagelijkse leven. In een nawoord worden voorbeelden gegeven hoe schrijvers uit angst zelfs logen in wat ze voor zichzelf schreven. Puber Nina schrijft alles op, niet alleen haar diepste gevoelens maar ook tot in (gevaarlijke) details wat ze gehoord en gezien heeft. Een uniek document is het door de onderstrepingen, omdat de geheime dienst na de arrestatie van haar en haar zussen (zij ging voor tien jaar naar Kolyma; haar vader zat al vanaf 1929 gevangen) met rood alle bezwarende passages aanstreepte: zelden is de stalinistische paranoia zo in flagranti te bezichtigen geweest. Om die passages is het goed dat ook het gewone dagboekgekeutel te lezen is – de vergelijking met Anne Frank mag men vergeten. Ten slotte is het ook nog een document van de penetrante aanwezigheid van een absente vader, van wie aan het eind enkele pedante brieven aan zijn dochters staan afgedrukt, een paar alinea’s aan Nina. Het dagboek is met een voor- en nawoord zelf ook nog eens goed gedocumenteerd – de vondst maakte deel uit van archiefarcheologie van het in 1988 opgerichte Memorial toen het dossier van de vader werd ontdekt.

Czeslaw Milosz

Geboortegrond

Uit het Pools (1958) vertaald door Gerard Rasch

Atlas, 320 blz., e 24,90

Nadat van de vorig jaar overleden Poolse schrijver onlangs een grote verzamelbundel poëzie is uitgegeven, ook vertaald door Gerard Rasch, is er nu eindelijk een herdruk van een van de vertalingen uit de jaren tachtig. Het is zo’n beetje de pendant van Mijn twintigste eeuw, een boek dat Milosz in Californië en Frankrijk maakte uit gesprekken met de dichter Aleksander Wat. Hij was twintig jaar jonger dan Wat, een vergelijking is daarom des te interessanter, bijvoorbeeld van hun worsteling met het marxisme waar alle intellectuelen van die tijd, zeker in Oost-Europa, mee te maken hadden. Wat dat betreft had De geknechte geest uit 1953, vertaald in 1984, eerder voor herdruk in aanmerking moeten komen. Dit boek gaat niet over gevoelens, zegt Milosz, en inderdaad is Geboortegrond ook een geschiedenis van Litouwen, ooit als grootvorstendom een enorm rijk. Over zijn jeugd in Wilno (Vilnius, Wilna) en op het land heeft hij het prachtige Het dal van de Nissa geschreven. Dit is wereldgeschiedenis met hem in het centrum: met telescopische blik situeert hij de toevallig als kind van de revolutie geboren Oost-Europeaan op de diverse punten van de aardbol. Milosz is een boeiende geschiedenisleraar maar het best in zijn portretten, die ook in dit boek niet ontbreken – zoals het laatste hoofdstuk over Tijger, een marxistische hoogleraar die kan bogen op een soepele ruggengraat. Och, laten ze al die boeken maar herdrukken als «Mijn twintigste eeuw» van een groot dichter, prozaschrijver, dichter en portrettist.

Bohumil Hrabal

Harlekijntjes miljoenen

Uit het Tsjechisch (1981) vertaald door Kees Mercks

Prometheus, 223 blz., e 19,90

Misschien kunnen ook de romans van Hrabal (1914-1997) eens samen worden uitgegeven, dan zou duidelijk zijn hoe groots de kleine wereld is waarin de in elkaar schuivende verhalen zich afspelen. Niet voor niets zit in de eerste zin van deze roman de titel van een ander boek opgesloten: «Even buiten het stadje waar mijn tijd is stil blijven staan, staat een kasteel en in dat kasteel is nu een bejaardentehuis.» Sinds een week zit Maryska (de moeder van de schrijver) met haar man, de gewezen bierbrouwer, daar in een kamertje: hij opgaand in de nieuwsberichten en zij nieuwsgierig op onderzoek uit, waarbij ze zich laat gidsen door drie mannen die alles van de stad en de omgeving afweten. Met als permanente achtergrondmuziek «Harlekijntjes miljoenen» uit de draadomroep, muziek van vroeger bij de stomme film, dompelt de vrouw zich onder in het veel te mooie verleden. Zoals ze vroeger apart was door haar schoonheid, is zij nu trots op haar lelijkheid die afsteekt bij de gezapigheid van de halfslapenden om haar heen. En hoe Hrabal dat vertelt: dat hij punten zet is meer voor de show, want barok rijgt de ene zin zich aan de andere en verschijnen er in de wirwar van anekdotes en herinneringen vele oude bekenden uit andere boeken. Dat het communisme het leven van Maryska en haar man Francin gebroken heeft, is in dit boek slechts de knik in een verhaal.

Felicitas Hoppe

Paradijzen, Overzee

Uit het Duits (2003) vertaald door Elly Schippers

Querido, 167 blz., e 18,50

Een ridder te paard en een knecht, waar doet dat aan denken? Maar deze ridder komt nooit uit het harnas – pas in de laatste zin staat wie erin zit – en de knecht is meer een letterknecht: een freelance journalist met een dicteer apparaat om zijn nek. Overzee heet het eerste deel waar zij vlak voor kerst in Calcutta zijn, het derde deel heet Paradijzen, en de komma in de titel is de spatie van het tweede deel, Wilwerwitz, een plaatsje bij Echternach. Misschien gaat de hele wereldreis niet verder dan van Wilwerwitz naar Echternach, sprongsgewijs. In die tussenruimte is er een familie waarvan de Kleine Baedeker, in een harnas gestoken, stomme toeristen door kastelen leidt; hij is waarschijnlijk ook de reisleider in het groot. Misschien, waarschijnlijk: in dit boek kan alles iets anders zijn dan het lijkt. Iedereen is naar iets op zoek – de Ridder naar een ridderroman, de Freelancer naar een geleerde al weet hij niet wie van de twee foto’s het is, de Dr. Stolicczka op zijn beurt naar het vel van een wonderdier – en het is niet uitgesloten dat iedereen iets zoekt wat er al is en het kwijtraakt naarmate het doel dichterbij komt. Hoppe begon met een bundel groteske verhalen: Kappers in het gras. Na een reis om de wereld in Pigafetta, Magellaan achterna, is dit fabelachtige zwaan-kleef-aan-verhaal, dat je ook rustig van achter naar voren kunt lezen, het derde boek in vertaling van deze wonderlijke schrijver.

Henk Hillenaar en Walter Schönau

Tekst en psyche: Psychoanalytische tekstinterpretatie in de praktijk

Boom, 412 blz., e 30,50

Wie bij psychoanalyse & literatuur vreest dat de literaire tekst dient om de schrijver op de divan te leggen – sjieker: het creatieve proces te onderzoeken – of als oefenterrein voor begripsoperaties, wordt door de schrijvers, beiden oud-hoogleraar in Groningen, bij voorbaat gerustgesteld. Zij hoeden zich ervoor zomaar psychoanalytische begrippen op literaire teksten toe te passen, «daarvoor zijn literatuur en psychoanalyse als twee talige avonturen te verwant en te veel met elkaar verweven». Dat klinkt mooi, en het is al heel wat dat het nu eens geen bundel met lezingen en verhandelingen is, maar gecomponeerd is als boek: een vervolgverhaal van op elkaar aansluitende hoofdstukken, waar voor telkens een fragment als opmaat dient, van onder meer Kunert, Vasalis, Annie M.G. Schmidt, Rimbaud, Hemingway, Goethe, Albee, Joyce, Proust, Kafka, Schnitzeler, Reve en Bordewijk. In het eerste deel geven de teksten de toon aan, in het tweede worden teksten onder theoretische noemers gebracht. Of dat allemaal in de praktijk – zie ondertitel – wordt waargemaakt is een tweede: het echte tekstcommentaar komt soms niet verder dan parafrase (in eigen woorden navertellen met ana lytische accenten). Of de stukjes freudiaanse kunst theorie, die tezamen een nuttig curriculum bieden, de teksten werkelijk een nieuwe betekenis dimensie of interpretatieperspectief geven, is maar de vraag. Geen gezeur: in Nederland is er op dit gebied zo weinig dat dit boek er mag wezen. Maar het nawoord waar de familiale triade tot matrix van alle cultuur verschijn selen (van de retorica tot to neel en wetenschap) wordt uitgebreid is bijna satire – van triootje naar H. Drieëenheid.