Khoury, Claudel, Herbert, Zsolt, Rozier, Solstad, Lévi-Strauss, Carrère

Vertaalde literatuur

Elias Khoury

Jalo

Uit het Libanees (2002) vertaald door Richard van Leeuwen, Ambo, 333 blz., € 24,95

Martelen brengt nooit de waarheid te voorschijn, het is bedoeld om iemand klein te krijgen, te vernederen en te breken. Jalo, verkleinvorm van Daniël, is een stadswilde, opgegroeid tijdens de Libanese burgeroorlog. Hij was bendelid en overviel paartjes in bosjes en auto’s. Op een zo’n vrouw, wier minnaar vlucht, wordt hij verliefd, er lijkt zelfs iets van een relatie te ontstaan, maar zij geeft hem aan bij de politie wegens verkrachting. Het boek bestaat voor het grootste deel uit ondervragingen en halve, hele of verdraaide herinneringen. Merkwaardig is dat de jongen martelen een gewone zaak vindt, hoe smerig ook de middelen. Hij splitst zich af in een adelaar die van bovenaf naar zichzelf kijkt. Meer moeite heeft hij met daden die hij moet bekennen, die iets met politiek te maken hebben waarvan hij niets begrijpt. Bovendien zit hij verstrikt in taalproblemen. Hij stamt uit een (As)Syrische familie maar spreekt die taal nauwelijks, hij kan Arabisch lezen (historische roman), maar spreekt een onverstaanbaar dialect. Als speciale foltering dwingt de politie hem in één maand vijftig pagina’s te schrijven om alles te vertellen over zijn leven en zijn misdaden. Zijn papieren leven wordt vertrapt. In 1994 veroordeeld tot vele jaren dwangarbeid begint hij weer te schrijven, in heel kleine lettertjes, alleen voor zichzelf. Een bijzonder boek, maar zelden bleef een denkwereld mij zo vreemd. Elias Khoury (1948) moet al veel geschreven hebben; vijf romans werden in het Frans vertaald. Hij doceert Arabisch in New York en redigeert het cultureel supplement van een Libanese krant.

Philippe Claudel

Grijze zielen

Uit het Frans (2003) vertaald door Manik Sarkar, De Bezige Bij, 237 blz., € 17,90

«Ons stadje kon de oorlog horen, maar deed er niet echt aan mee. Zonder iemand te beledigen kun je zelfs zeggen dat we ervan leefden: de mannen hielden de fabriek draaiende.» Het is de Wereld oorlog, die toen, 1917, nog niet de Eerste heette. Plaats van handeling het provincieplaatsje V., mis schien Verdun. Een meisje van tien wordt dood in het water gevonden, maar wat is een civiele moord tegen zo’n miljoenvoudige achtergrond? Dat is de verteller zich ook bewust, een voormalige politieman die decennia later zijn herinneringen tot een sluitend verhaal probeert te maken, een «gesprek met een paar doden». Het is het verhaal over een provincieplaats waar op gehoorafstand van de grote Kanonnen iedereen blijft doen wat hij altijd gedaan heeft, alles en iedereen in dienst van de Fabriek. Een mooie verzameling portretten, deze grijze zielen; en wat een broeinesten er in de provincie te vinden zijn, vooral in Frankrijk zou je haast denken. Overigens heeft de verteller zelf ook wat op te biechten, want iedereen heeft wat op z’n kerfstok. Dat zo’n goed boek in het Nederlands te lezen is, danken we vermoedelijk aan de Prix Renaudot.

Zbigniew Herbert

De koning van de mieren

Uit het Pools (2004) vertaald door Gerard Rasch, De Bezige Bij, 158 blz., € 18,50

Van Zbigniew Herbert (1924-1998) werden onlangs de verzamelde gedichten uitgege ven, tevens de laatste prestatie van vertaler Gerard Rasch. Hij vertaalde ook nog Herberts privé-mythologie, een verzameling merendeels korte teksten die in de jaren tachtig en negentig in kranten en tijdschrif ten zijn gepubliceerd, de kortere een soort prozagedichten, de langere lijken meer fabels en sprookjes. Het hervertellen van mythen is een oude sport. Die werkt zolang lezers het oorspron kelijk nog kennen, alleen dan hebben varia ties, verbasteringen en verbeteringen zin. Herbert heeft bovendien een voorkeur voor de bovennatuurlijke bijfiguren. Zo krijgen Atlas, Pegasos en Prometheus een verras send eerherstel. Ares heeft als voornaamste verdienste dat zijn naam van een adjectief is afgeleid. De Romeinen verzinnen een nieuwe godin, Securitas. Selene wordt verliefd op de jager Endymion vanwege diens zweetgeur. Mooi is het titelverhaal waar Ajakos, zoon van Zeus, van zijn vader om zijn eenzaamheid te bestrijden een volk krijgt van in mensen veranderde mieren. Tot zijn leedwezen geven de eilandbewoners van geen enkele ambitie blijk, ze zijn alleen goed in zelf organiseren, verder is het een zootje; en de vorst heeft het zo goed met hen voor, hij kent hun bestwil ook zo goed. In de langere verhalen kan Herbert kennelijk het meeste kwijt. Aan de oubolligheid, dit subgenre eigen, ontkomt ook hij niet altijd; en sommige verhalen maken een onaffe indruk. Geen Calasso of Pavese, toch is Herberts luim serieus genoeg.

Béla Zsolt

Negen koffers

Uit het Hongaars (1980) vertaald door Robert Kellermann, Meulenhoff, 352 blz., € 29,95

«In werkelijkheid was de veewagen het deze generatie op het lijf geschreven vervoer middel», merkt de schrijver op en dat is ook op dat tijdstip en die plaats geen malse constatering. De plaats is het getto van Nagyvárad, toen Hongaars, tegen woordig Roemeens. Het ene transport na het andere vertrok, en de schrijver was een van de weinigen die al sinds 1942 wisten dat de reis naar de gaskamer ging. Meewarig zag hij het optimisme van de anderen aan, temeer daar hij de bekrompen chassidische gelovigen toch al minachtte. En al even spottend zag hij de dames, bankiers en intellectuelen weigeren de groepsreis met dit volkje in een veewagen te maken. De beginepisode in de synagoge is een groteske scène, zoals de schrijver daar tussen lijken, zelfmoordenaars en vechtende lotgenoten zit. Voor Zsolt zou het in zijn leven de derde reis in de beestenwagen zijn, eerst als jonge soldaat, in 1942 als dwangarbeider aan het Russische front in de Oekraïne — en nu ontsnapt hij omdat hij zo gelukkig is voor duizend dollar te worden vrijgekocht. Zijn trein zal — via het kamp Bergen-Belsen — naar Zwitserland gaan. Of Zsolt (1895-1949) een nog te ontdekken groot Hongaars schrijver is geweest, weet ik niet; zo hebben ze Sandor Márai ook geafficheerd. Maar dit is een opmerkelijk boek, al was het maar om de dwarse toon en kijk toentertijd. Hij publiceerde kort na ’45 fragmenten in een tijdschrift; van een boekpublicatie kwam het pas in 1980.

Gilles Rozier

Een liefde zonder verzet

Uit het Frans (2003) vertaald door Théo Buckinx, Ambo/Manteau, 158 blz., € 16,95

Over een zus die overdag het huis laat dave ren wanneer ze met een SS’er ligt te rampetampen zegt de hoofdpersoon dat ze even gemakkelijk te krijgen is als haar vaderland. De andere zus terroriseerde de wijk met haar collabo rerende man tot die door het verzet werd geliqui deerd. De hoofdpersoon die Duitse les geeft en door de bezetter als tolk wordt gerekruteerd pleegt verzet door in de wijnkelder van het ouderlijk huis een bibliotheekje van verboden Duitse boeken te cultiveren; meer moed is vereist voor het meer dan twee jaar laten onderduiken van een joodse Pool, die ook nog de minnaar van de verteller wordt. Ik heb zojuist ook gepro beerd om net als de schrijver niet te zeggen of het om een man of vrouw gaat. Alsof Rozier heeft willen aangeven dat het in zijn boek om belangrijkere zaken gaat. Dat is nog maar de vraag. Op 8 februari 1944 pleegt «de persoon die voor mij bestemd was», Claude, zelfmoord. In de roman van Rozier (1963, directeur van een instituut voor Jiddische cultuur in Parijs) vertelt de hoofdpersoon alles in de ik-vorm en Claude had ook een vrouwennaam kunnen zijn. De oorlogs omstandigheden dragen er niet toe bij van de liefdesgeschiedenis meer dan een smartlap te maken. Dat het om de Bezetting gaat maakt bepaalde details misschien pikanter, maar om nou te zeggen dat Rozier in het land dat massaal Verzet pleegde de grijze zone aan het licht heeft gebracht, nou nee. De Pool Herman, die de geliefde verteller ook nog wat Jiddisch leert, wordt enkele dagen voor de bevrijding door het verzet voor een SS’er aangezien en doodgeschoten. Het kan verkeren.

Dag Solstad

Gêne en waardigheid

Uit het Noors (1994) vertaald door Janke Klok en Jytte Kronig, Wilde Aardbeien, 148 blz., € 19,90

Als een man in 1994 25 jaar leraar is, ook nog eens literatuurles geeft en dan opeens amok maakt, is hij een jaren-zestigtype. Zo is het: Elias Rukla geeft voor het zoveelste jaar een les De wilde eend van Ibsen, hij heeft zelfs iets nieuws ontdekt, is enthousiast en ziet hoe zijn zinnen langs de onverschillige puber koppen afglijden. Op het schoolplein slaat hij zijn paraplu aan flarden terwijl de hele school zijn «val» aanziet. De kleine veertig pagina’s over die Ibsen-les zou mooi mate riaal zijn voor een discussie over de onzinnigheid om jongeren met literatuur op te zadelen. In de roman gaat het verder om de voorgeschiedenis van de leraar, hoe hij als student in de ban raakte van een meerbelo vende filosofie student, diens schaduw werd en toen het voorbeeld opeens droste zijn mooie vrouw en dochter mocht overnemen. Het verhaal van dat schaduwleven is origi neler dan het thema van de verdwijnende intellectueel. Ook Solstad is een groot Noors schrijver, in dit geval wordt deze bewering in het nawoord gestaafd.

Claude Lévi-Strauss

Het trieste der tropen

Uit het Frans (1955) vertaald door Marianne Kaas, Atlas, € 22,50

Voor de Kaingang, een Braziliaanse indianenstam, was de koro een lekkernij. Maar zodra er een blanke in de buurt was verborgen ze de in rotte bomen huizende bleke larven, om niet te worden uitgelachen. Lévi-Strauss kreeg ze pas te zien toen hij zei dat hij ze graag eens wilde proeven. In Het trieste der tropen vertelt hij over zijn reizen door Brazilië (en door de Antillen en India) en over zijn gedaante verandering van filosoof in etnoloog. In dat vak bracht hij een omwenteling teweeg, en doordat de etnologie naast de taalkunde de basis werd van het structuralisme werd dat een wetenschappe lijke revolutie. Werden tot dan vreemde culturen gemeten naar de wes terse, Lévi-Strauss bestudeerde de sociale structuren op zichzelf; de verschillen zocht hij allereerst in zo’n cultuur zelf. Dat vereist een zeker cultureel relativisme, waarvan sommigen thans graag de kop gesneld zien. De filosoof te velde sloot aan bij een traditie van literair-filosofische reizen in de zeventiende en achttiende eeuw. Het trieste der tropen is ook nog eens een lust om te lezen. Inmiddels is dit de derde uitgave van het boek in het Nederlands: in 1962 verscheen er een Aulapocket; Sun herdrukte die in 1985; en nu is er een nieuwe vertaling. Een mooie uitgave, alleen al om de foto’s, maar waarom kan zo’n jubileumuitgave niet voorzien worden van een goed nawoord, omdat geen enkele nieuwe lezer zonder nadere informatie aan het boek zelf het historische belang kan aflezen. Bovendien is van Lévi-Strauss behalve zijn eersteling maar één boek vertaald, Het wilde denken in 1968. Waarom zijn Nederlandse uitgevers zo bang voor nawoorden en voetnoten? Omdat boeken dan moeilijk lijken? Nee, iedereen die het alfabet beheerst moet alles kunnen lezen.

Emmanuel Carrère

Op drift

Uit het Frans (1986) vertaald door Floor Bosboom, De Arbeiderspers, 158 blz., € 16,95

Van Carrère (1958) worden op de flap twee andere titels in het Nederlands genoemd, De sneeuwklas en De tegenstander. Ik ken van beide boeken alleen de verfilming en wist ook niet dat ze vertaald waren, áls ze al vertaald zijn. De hoofdpersoon, een Parijse architect, vraagt zijn vrouw, met wie hij vijf jaar is getrouwd: «Wat zou je ervan zeggen als ik mijn snor afschoor?» — «Goed idee.» Als hij het doet, ziet ze het niet. Hij denkt dat ze doet alsof en dat ze de vrienden bij wie ze die avond gaan eten heeft ingelicht. Grapje. Maar ook collega’s op het werk zien niets. Als hij zijn vrouw voorstelt de foto’s van Java erbij te halen, krijgt hij te horen dat ze nooit op Java zijn geweest. En als hij zijn vader wil bellen maakt ze hem erop attent dat de man al een jaar geleden is overleden. Het lijkt een verhaal van Pirandello: wist je dat je neus scheef staat? Het knappe is dat Carrère het verhaal, dat de uitwerking van één ideetje lijkt, volhoudt.