Jacq Vogelaar. Vertaalde literatuur

Vertaalde literatuur

Irène Némirovsky

Storm in juni

Uit het Frans (Suite française, 2004) vertaald door Manik Sarkar

De Geus, 511 blz., e 24,90

Haar eersteling en wat volgde moet in de jaren dertig van de vorige eeuw alom geprezen zijn, en dat voor een uit het niets komende, in het Frans schrijvende jonge Russin (in 1903 in Kiev geboren). Haar boeken spelen in de joods-Russische wereld, niet zonder een flinke scheut antisemitisme (zelfhaat heet dat dan). Ik geef het maar door, want het werk kende ik niet en er is ook nooit iets vertaald. Storm in juni is de titel van een aantal portretten van Parijzenaars die in juni 1940 voor de Duitsers vluchtten. Vooral de happy few, die in de verwarring op eigen gemak bedacht blijkt, gedraagt zich nogal idioot; allemaal erg, maar komisch. Een tweede, korter deel, Dolce, is een onvoltooide roman over 1941: hoe in een dorp bij Vichy onder en met de Duitse bezetter werd geleefd. In haar plan beoogde de schrijfster personen uit het eerste deel met die van de bezettingsroman te vermengen en daaraan een deel over de gevangenschap vast te knopen, bij elkaar minstens duizend pagina’s. Van dat plan zijn aantekeningen bewaard, kleine scenario’s en commentaar: «Het belangrijkste en interessantste hier: de feiten ten aanzien van geschiedenis, revolutie enz. slechts aanstippen, maar het dagelijks leven, het gevoelsleven en vooral het spel waar dat toe leidt uitvoerig behandelen.» Klinkt goed, maar de uitvoering is even wazig als het slot van het citaat. De bezettingsroman laat iets van de collaboratie zien, overduidelijk, in de stijl van een kasteel- annex verpleegster roman. Een ongelukkig ge trouwde jonge vrouw krijgt een knappe Duitse officier ingekwartierd: «Wanneer hij Duits sprak, vooral op zo’n gebiedende toon, had zijn stem een trillende me taal achtige klank die in Luciles oor hetzelfde genot veroorzaakte als een hardhandige kus die uitmondt in een beet.» De uitgave van het boek was in handen van de twee dochters van Némirovsky, wier leven in Auschwitz is geëindigd.

Dai Sijie

Het complex van Di

Uit het Frans (Le complexe de Di, 2003) vertaald door Edu Borger

De Arbeiders pers, 267 blz., e 18,95

Als twintigjarige letterenstudent is Muo de Culturele Revolutie van zijn naamgenoot Mao – «kettertje verschik» – ontvlucht en raakt in Frankrijk aan Freud, Lacan en de hele bliksemse boel verslingerd. In 1980 keert hij als eerste Chinese psychoanalyticus terug, maar hoe. Om zijn (platonisch) aanbeden medestudente van vroeger – «mijn Vulkaan van de Oude Maan» – uit de gevangenis te bevrijden moet hij rechter Di zien om te kopen. Geld heeft de corrupte man genoeg, veel liever heeft Di (denk aan rechter Ti van Van Gullik) een wasechte maagd. En die gaat Muo zoeken, op de fiets, met op een vaandel reclame voor zijn vaardigheden als droomuitlegger. Zijn kennis van Freud, aangelengd met Jung en nog wat Frans spul, stelt weinig voor, maar toepassing ervan brengt het nodige teweeg. Wanneer het ongerijmde toch rijmend gemaakt wordt, ietwat geforceerd, ontstaat er slapstick; en als de roman soms hilarische effecten sorteert, dan door de botsing van tweedehandse Europese kennis, idiote reminiscenties aan de Culturele Revolutie – iedereen is bang én corrupt – en waarschijnlijk nooit uitstervende Chinese tradities. Uiteraard zal ook de zelf nog maagdelijke ouwelijke Muo besmet worden door het complex van Di: het geloof dat een maagd hem nieuwe levenssappen biedt. Dai Sijie, die een eerder boek van zichzelf verfilmde, Balzac en het Chinese naaistertje (2000), schreef de roman in het Frans – in China is zijn Frans goed voor veel lol, en daar moet het boek het van hebben.

László Darvasi

De hondenjagers van Luoyang

Verhalen uit het Hongaars (2002) vertaald door Frans van Nes

Wereldbibliotheek, 191 blz., e 14,90

Op een winderige lentedag draagt de Chinese keizer Shang de schilder Liu op een schilderij te maken dat de hele wereld afbeeldt met alles erop en eraan. Op een zonnige dag keert de schilder terug met een schilderijtje van een boek: lees het maar, heer! Wie de keizer ook ontbiedt om hem te vertellen wat erin staat, ieder leest er iets heel anders in, zelfs een analfabete landloper. Dus moet de schilder hangen… De keizers vieren niet alleen ongelimiteerd hun almacht bot, ook hun wensen zijn mateloos. De Eerste Keizer wil een elixer voor een eeuwig leven. Zijn aap Peng, zoniet de baas dan toch de grootste treiterkop van het land, krijgt de drank als eerste door de geleerde Lu toegediend – hij wordt er niet echt gelukkig door. Darvasi schreef een serie fantastische verhalen, waarin ook af en toe de honden van Luoyang verschijnen, en hun schimmige jagers; voornamelijk een running gag te midden van de vele gewelddadigheden. Elk (kort tot ultrakort) verhaal opent weidse vergezichten: hele romans. In de verte doet Darvasi’s benadering aan Borges en meer nog aan Calvino’s Onzichtbare steden denken, schatplichtig is hij aan niemand. Vreemd is dat het tweede deel met kortere, meer fabelachtige vertelsels rond de Qin-academie na de keizerverhalen, waar de oplossing van raadsels voornamelijk nieuwe oplevert, wat mager aandoet, een beetje leerzame fabels à la Brecht. Negen jaar geleden heeft Van Gennep het al eens geprobeerd met een verhalenbundel van Darvasi met de schitterende titel Het treurigste orkest van de wereld. Lof voor de nieuwe pogingen.

Bashô

De smalle weg naar het verre noorden

Gekozen, vertaald en ingeleid door Jos Vos

De Arbeiderspers (privé-do mein), 186 blz., e 21,75

Het geldt voor praktisch elke oudere tekst: wat is er voor nodig om hem te lezen? In dit geval gaat het om een reisverhaal uit 1689, van een befaamde Japanse schrijver die op zoek is naar legendarische plaatsen van klassieke Japanse auteurs. De titel geeft bovendien aan dat het ook nog eens een spirituele reis was – een gedroomde reis zelfs. Van de veertig pagina’s tekst over de voettocht van een half jaar begrijpt een lezer van nu hoegenaamd niets. Dat is het minste wat het bijna dubbel zo lange commentaar duidelijk maakt. De kwaliteit daarvan is niet dat het een volstrekt vreemde wereld ontsluit en een hedendaagse lezer met oude denk- en uitingsvormen vertrouwd maakt, maar juist laat zien hoe anders en misschien wel hoe onbegrijpelijk het ogenschijnlijk eenvoudige van dit beknopte denken bij nadere beschouwing is. Voorbeeldig, ik bedoel de combinatie vertaling en commentaar, net als de toelichtingen bij poëtisch proza en haiku’s van dezelfde Bashô uit de laatste jaren van zijn leven. De reisaantekeningen lijken, net als de reis, bedoeld uit te monden in een paar dichtregels. De haiku (hokku) is het openingsgedicht van een (komisch) kettinggedicht (haikai no renga), vaak het werk van verscheidene dichters. Veel commentaar, toch blijft de tekst intact en centraal: een schitterende leesles. Het is dus vooral ook een boek van de commentator, dan mag op z’n minst vermeld worden wie deze Jos Vos is.

Miriam Rasch

Memento: Nagelaten vertalingen van Gerard Rasch

Pegasus, 287 blz., e 24,50

Dat dichters hun poëzievertalingen bundelen als aanvulling op eigen werk gebeurt hier te lande al langer, bijvoorbeeld door Bernlef en Ten Berge. Toevallig verschijnen op dit moment postume bundels van twee vertalers, Tineke van Dijk en Gerard Rasch. Nadat hij hoorde dat zijn ziekte ongeneeslijk was, vatte Gerard Rasch het plan op om voor hem belangrijke Poolse gedichten die hij nog niet vertaald had – ook een opvatting van nagelaten werk – op de valreep te vertalen en te bundelen; aan zijn dochter de taak om na zijn dood, vorig jaar maart, dit monument ter me morie uit te geven. Een alleszins geladen bundel dus, die per se geen spiegel van de Poolse poëzie wilde zijn, wat alleen al niet kon doordat alles wat in boekvorm gepubliceerd was afviel. Elf dichters bleven over, gedichten die Rasch na aan het hart lagen. De lezer kan daarop alleen zeggen in welke gevallen hij zich in diens voorkeuren kan vinden: behalve bekende grote dichters als Zbigniew Hert, Aleksander Wat en Czeslaw Milosz – van wie dus niet alles in boekvorm voorhanden was – verrasten mij de verhalende gedichten van Julia Hartwig en Adriana Szymanska. Ik wil hier niet direct mee zeggen dat Rasch als vertaler beter tot zijn recht kwam in proza – van Bruno Schulz en Ryszard Kapuscinski bijvoorbeeld – dan in lyrische poëzie. Er valt het een en ander te ontdekken in dit boek. Intrigerend is de niet verder toegelichte Epiloog met gedichten van Milosz, Wat en Szymanska – is dat weer een bloemlezing in de bloemlezing?

Jean-Pierre Luminet

De bibliotheek van Alexandrië

Uit het Frans (Le bâton d’Euclide, 2002) vertaald door Ineke Mertens

Gianotten, 288 blz., e 25,-

Hoe duizend jaar antieke geschiedenis in een roman te krijgen? In 331 voor Chr. sticht Alexander de Grote in Egypte een naar hem genoemde stad, in 642 na Chr. wordt dat Alexandrië veroverd door de koopman-generaal Amr ibn al-As, die van Kalief Omar, eens een tegenstander van Mohammed, daarna een fervent aanhanger, de bibliotheek moet verbranden. De generaal leent een willig oor aan een drietal dat voor behoud pleit: de laatste bibliothecaris, een christelijke (Griekse) filosoof, een jonge joodse arts en een schone wiskundige en musicienne. Om en om vertellen zij de geschiedenis van de bibliotheek, van sommige boeken en manuscripten, van de beroemde geleerden die er hebben gewerkt, van de godsdienstige stromingen. Minstens zo interessant is het syllogisme dat aan de boekverbranding ten grondslag lag – en dat ook Cervantes geobsedeerd heeft: als de boeken in overeenstemming zijn met het Boek zijn ze overbodig, als ze ervan afwijken nog meer, ergo… De generaal die (vooral voor de mooie mathematica) door de knieën gaat, hangt vervolgens als een zwaard een dilemma boven het hoofd: bij weigering zal hij door de kalief als verrader worden afgemaakt en als hij de bibliotheek in de fik steekt roept hij eeuwige schande over zich af. Luminet (1951, astrofysicus en dichter) weet die duizend jaar aardig op een rijtje te krijgen: mooie verhalen en levenslopen, en al die namen worden achterin uitgelegd. Een beetje veel na al dat goede is de epiloog met Copernicus en Faust. De lezer weet dan allang dat het om een eindeloos verhaal gaat.

Giorgio Todde

Gebalsemd lichaam

Uit het Italiaans (Paura e carne, 2002) vertaald door Mieke Geuzebroek en Pietha de Voogd

De Bezige Bij, 206 blz., e 17,90

De Nederlandse titel suggereert, versterkt door de afbeelding van een ingetogen, welgedane jongedame, een beeld dat ongeveer het tegendeel is van wat de belangrijkste vrouwen in deze roman doen: zich verschansen in een uitgeloogd lichaam. De oudste, 93 jaar – zoals later blijkt: de auctor intellectualis van ettelijke moorden – heeft zichzelf gemummificeerd: haar door zwangerschap en geboorte geschonden lichaam bewaart zij, vegeterend op het water uit haar put. Het vlees van de oorspronkelijke titel, Angst en vlees, heeft inderdaad alles met angst te maken. Een advocaat wordt gewurgd en van een arm ontdaan in het water aangetroffen. De jonge arts Efisio Marini, die de man moet balsemen, ontdekt dat hij eerder van angst gestorven is – de angst die het dorpje (op Sardinië?) anno 1861 op velerlei wijze in de greep heeft. Het prozagedicht op de eerste pagina’s van de roman gaat daarover. De handel in opium met Noord-Afrika lijkt een tijdlang het hoofdmotief, een maffia is er nog niet. Maar het gaat toch vooral om levende lijken en ten dode opgeschreven levenden. Een straatjongen noemt de man die de lichamen die hij onder het mes heeft op sporen leest «de dokter die de doden beter maakt». Een van de vier romans rond de arts Efisio Marini is al eerder uitgegeven, De som der zielen. In dit geval ligt in de aanduiding «literaire thriller» het accent op het adjectief, terecht.

Marta Morazzoni

Het huis

Uit het Italiaans (La casa, 2005) vertaald door Aafke van der Made

Serena Libri, 192 blz., e 17,95

Inderdaad is het huis hoofdpersoon, zoals de titel al aangeeft. In 1954 besluit een man een groot huis te laten bouwen, koste wat het kost – dus ook het geld en het leven van andere gezins leden. Hij wil er zo snel mogelijk intrekken, overhaast zelfs wanneer hij zijn einde voelt naderen: het wordt zijn sterfhuis. Dat is het eerste deel, een verhaal dat zelf meer steigers dan bouwwerk is. In het tweede deel wil, vijftig jaar later, de kleindochter Gemma het vermaarde huis, inmiddels vergane glorie, huls van haar demente moeder, verkopen. Een makelaar die er de koop van zijn leven in ziet hangt de charmeur uit, een beetje, genoeg om vrouwlief op stang te jagen. Speelt Gemma een spel? En welk dan wel? Zij weet wat ze wil, maar zij is ook de enige: de lezer moet het doen met aan onbekende of voor haarzelf geschreven halfgare berichten. Als de koop niet dreigt door te gaan, omdat de moeder handelsonbekwaam is, is er maar één oplossing. Is het een thriller? Nee. Is het een roman? Ja, althans het schema ervoor. Twee keer heeft de schrijver het over «ons», over haar en mij: «Dat is het voor nu. We kunnen hem daar achterlaten…», en: «De echtgenote van de tussenhandelaar – laten we haar Anna noemen…» Dit is nu eens een boek waar de lezer echt alles zelf moet doen; ik weet niet of dat voor de roman pleit.