keuze uit de vertaalde literatuur

Vertaalde literatuur

Iedere maand maakt Jacq Vogelaar een keuze uit de vertaalde literatuur die op de Nederlandse markt verschijnt. Het gaat meestal om boeken die recent zijn uitgekomen. Zijn keuze wil niet per se zeggen dat het de betere of beste boeken zijn. Soms gaat het om titels die meer beloven dan ze bij nader inzien blijken waar te maken. Ook dat kan een reden zijn ze te signaleren, net als titels die verdwenen lijken op het moment dat ze verschijnen.

‘Dat was iemand anders’

Michael Lavigne

Een ander
Uit het Amerikaans (Not Me, 2005) vertaald door Liesbeth Teixeira de Mattos
Meulenhoff, 298 blz., € 19,90

Dat Michael Rosenheim, de verteller, een stand-up comedian is in San Francisco is niet van belang, dus ook niet dat hij van nature somber en neurotisch is; evenmin dat de veertiger gescheiden is en het op afstand met zijn zoontje moet zien te redden. Hij is zelf in de eerste plaats zoon van – zoon van Heshel Rosenheim, een man met een kampverleden die zich omgeven heeft met joodse parafernalia en nu ten prooi is aan Alzheimer. Door onbekenden krijgt de zoon 24 delen dagboek van hem in handen gespeeld, waarvan het eerste deel in 1978 begint: ‘En dus, mijn Michael, mijn eerstgeborene, mijn jonge held met de scherpe tong, is nu het moment gekomen om mijn verhaal te vertellen.’ Onder de streep die dan wordt gezet begint ‘Een verhaal’, in de derde persoon, ‘de eerste alinea’s van wat een roman leek te zijn’, geschreven in het Duits terwijl de vader het Duits gehaat had.

In 1939 werd Heinrich Mueller lid van de SS, als boekhouder was hij in Bergen-Belsen en Majdanek werkzaam, vlak voor de bevrijding door de Britten nam hij een andere identiteit aan onder de naam van een joodse boekhouder en tatoeëerde een nummer in zijn arm. Het dagboek vertelt verder hoe hij in een kibboets in Israël terechtkwam en zich daar een bekwaam organisator betoonde, zich vrijwillig voor het leger meldde en in 1948 aan de oorlog met de Arabieren meedeed. Van een zekere Levin werd, toen deze de ex-SS’er herkende, door de vijand het hoofd af geschoten. In Amerika zette hij daarna zijn leven voort als de meer dan joodse Heshel Rosenheim. ‘Dat was ik niet’, zegt hij op een van zijn heldere momenten: ‘Dat was iemand anders.’

Wat is dit? Het idee dat een debutant bedenkt om schandaal te wekken? Over Martin Amis schreef ik (De Groene Amsterdammer, 30 maart) dat hij met Nachthuis een gewaagd boek over het Goelagkamp heeft geschreven, maar niet heeft gedurfd het verhaal in de ik-vorm op scherp te zetten. Ook Lavigne kruipt in de huid van een ander, nota bene van een man die zijn hele leven voor een ander speelt, en hem lukt het wél, ik kan niet anders zeggen: met behulp van ongetwijfeld geleend materiaal vertelt hij een geloofwaardig verhaal. Vermoedelijk redt hij het doordat de roman al in het boek zelf gelezen wordt, door de zoon, zodat de lezer er een in de tweede graad wordt.

Vloeken in de kerk

Anna Achmatova
De echte twintigste eeuw: Autobiografisch proza
Gekozen en uit het Russisch vertaald door Alissa Leigh en Silvana Wedemann
De Arbeiderspers, Privé-domein, 233 blz., € 24,95

Achmatova (1889-1966) geldt als een van de grootste Russische dichters uit de vorige eeuw. Van die eeuw, zo mag je uit de titel afleiden, zou deze keuze uit dagboeken, memoires en commentaar bij eigen werk het ware gezicht laten zien. Achmatova heeft van haar land toen het nog Sovjet-Unie heette veel te lijden gehad. Tot 1940 mocht ze bijna twintig jaar niet publiceren, en bij leven is er van haar werk in Rusland weinig verschenen. Maar over het lot dat ze met velen deelde gaat deze uitgave niet, afgezien van een raar zinnetje als: ‘Ik zou als martelaarster (sic!) de geschiedenis ingaan.’ De herinneringen, voornamelijk in de jaren vijftig geschreven, betreffen haar vroege jeugd, stukjes eruit. Ze bevatten portretten van Modigliani, Blok, Goemiljov, Mandelsjtam en Pasternak, maar het zijn vooral zelfportretten. Dat geldt in nog sterkere mate voor de keuze uit de dagboeken. Uiteraard zijn die persoonlijk, maar dan wel zo particulier dat je als lezer het nakijken hebt. Een voorbeeld: ‘Meer kan ik niet zeggen. Ik weet zeker dat u elk woord van mij begrijpt.’ Je weet niet eens wie wordt aangesproken; misschien iemand uit het rijtje namen dat ze de volgende pagina opsomt van mensen die gebeld hebben.

Het zal wel vloeken in de kerk zijn, maar alleen voor degenen die haar werk en leven al goed kennen, biedt de bundel aanknopingspunten. Als betrekkelijk argeloze lezer weet ik niet wat ik met al die eigenroem aan moet. Zij leeft van poëzie, maar van de gedichten duiken alleen regels op of de aankondiging van ‘de geboorte van een versregel’.

Dagboek van een

stervende dichter
William Soutar
Dagboek van een stervende
Uit het Engels (Diaries of a Dying Man, 1954) vertaald door Harry Oltheten, Vorroux, 311 blz., € 27,50

Het laatste jaar dat zij dagboek houdt, is Achmatova ernstig ziek, maar daarover vermeldt ze slechts enkele uitwendige feiten. Lees daarnaast het laatste half jaar in het dagboek van de Engelse dichter William Soutar (1898-1943), nadat hij te horen heeft gekregen dat hij ten dode is opgeschreven. Er wordt dan tuberculose bij hem geconstateerd, maar op dat moment is hij al twintig jaar bedlegerig vanwege een wervelontsteking. Op mijn 24ste eindigde mijn leven, schrijft hij. In 1930 liep hij voor het laatst, in 1939 deed hij nog één poging; en verder lag hij als een gevangene in zijn cel met als enig uitzicht het raam op de tuin.

In 1922 debuteerde hij als dichter, vanaf 1917 schreef hij zijn Diaries, waaruit hij voor zijn dood zelf nog een selectie maakte. Het dagboek is dus herschreven; het was ook werk, steeds meer zijn voornaamste schrijfwerk. Hij geeft commentaar op zijn bezoek, dat hem nogal eens teveel is; je kunt zijn opvattingen over poëzie en politiek (van communisme naar pacifisme en nationalisme) volgen. Hoewel hij permanent pijn heeft, dient de poëzie hem tot troost. Al die tijd schrijft hij betrekkelijk weinig over zijn ziekte en is het denken over filosofie en poëzie nogal hooggestemd. Ziekte en poëzie lijken communicerende vaten. Vanaf een bepaald moment biedt de poëzie geen soelaas meer en concentreert hij zich op het ziek-zijn.

Over zijn eigen gedichten is hij behoorlijk relativerend, hoewel (of doordat) hij hoog opgeeft van de sociale taak van de dichter. Later geeft hij alles op, met groot gemak zoals hij zelf opmerkt: het roken, de poëzie, lezen, zelfs seksuele fantasieën – hij denkt nog voornamelijk aan eten en drinken. Heel precies is hij in het effect van de opsluiting, het verengde perspectief, het gevaar van zelfmedelijden (zeker voor een doodzieke dagboekschrijver). Als hij niet meer fluit en zingt is dat niet uit wanhoop, schrijft hij, maar hij heeft geen lucht meer. De Schotse dichter stierf op 15 oktober 1943.

In haar eentje naar Athene

Bettina Henrichs
De schaakspeelster
Uit het Frans (La joueuse d’échecs, 2005) vertaald door Truus Boot, De Geus,158 blz., € 16,90

Bertina Henrichs (1966), van geboorte Duits, schrijft in het Frans, voor film. Het verhaal doet inderdaad, ook door de locatie (een eiland), aan kleine films denken, films over kleine levens. Het is daarbij aan de kijker/lezer om zo’n vertelling in de juiste proporties te trekken; denk maar aan het provinciaaltje Emma Bovary.

Eleni (42) is een dappere vrouw die, als ze weet wat ze wil, niet meer te stuiten is. ’s Ochtends in alle vroegte begint ze in een hotel op Naxos haar werk als kamermeisje en dat zou zo gebleven zijn als ze niet op een dag in kamer 17, waar een vrolijk Frans stel logeert, een schaakspel had omgestoten. De pion die ze opraapt verwart haar en kort erna besluit ze in een opwelling haar echtgenoot Panos een schaakspel cadeau te doen. Dat wordt meteen een schaakcomputer, iets anders kan een vroegere leraar voor haar niet bemachtigen. Haar man lacht haar uit, zodat zij er maar zelf mee gaat experimenteren, aanvankelijk verbaasd over de machtsverhouding tussen de stukken. Als ze op haar eentje niet verder komt, haalt ze de oude leraar over haar een handje te helpen – en daarmee begint haar dubbelleven. Ze wordt handig in het verzinnen van smoezen, en niet minder behendig in het spel. De leraar, zelf een matig schaker, ziet op tijd dat zij zich aan voorbeelden vastklampt en daardoor haar spontaniteit verliest. De grilligheid van de argeloosheid is juist haar kracht. Dat brengt de oude man ertoe om voor haar allerlei trucs te bedenken totdat hij haar, als laatste stimulans, inschrijft voor een toernooi in Athene. Op haar eentje naar de grote stad, dat is al een toer op zich.

Het eindigt een beetje als een sprookje. Natuurlijk wint ze het toernooi niet, maar haar familie is wel trots op haar.

Meneer Hulot

Ann Meskens
Tati
Lemniscaat, 224 blz., € 14,50

Ze heeft allerlei namen gekregen, Plato zelf noemde haar de lachende Thacische, de vrouw die lachte toen ze zag dat de filosoof Thales zo verdiept was in de dingen aan de hemel dat hij in een kuil viel. Voor filosofen een handige anekdote om van andere filosofen te kunnen zeggen dat ze wereldvreemd waren.

Ann Meskens (1965), filosofe en zelfs praktiserend ethica, opent er haar boek over de filmer Jacques Tati mee, dat begint met een pleidooi voor de filosofie. Wat ze vraagt is haar gang te mogen gaan en bijvoorbeeld over films van Tati te schrijven, uit nieuwsgierigheid naar wat daar nu precies gebeurt. Voor wie de films kent met die lange man in te krappe regenjas, slap hoedje en pijp is haar reis langs de belangrijkste films – Jour de fête (1949), Les vacances de M. Hulot (1953), Mon oncle (1958) en Playtime (1967) – een reprise, voor anderen wellicht een surprise, want Meskens kan ook zonder de beelden erbij goed uitleggen wat er zo bijzonder aan is. Een reis is het ook letterlijk: ze bezoekt de plaatsen waar de films zijn opgenomen. De grap is dat binnenopnamen altijd in de studio plaatsvonden en het ogenschijnlijke realisme volledig geënsceneerd was. Interessant is wat Meskens vertelt over Tati’s manier van mensen regisseren. Zelf begon hij als mimespeler die – zoals de schrijfster Colette beschreef – het vermogen had om in zijn act tegelijk mensen, dieren en dingen te zijn, zowel tennisspeler als bal en racket; paard en ruiter inéén. De kern ziet ze in zijn vakmanschap, dat intellectuele ambities en polemisch vermogen dubbel en dwars compenseerde.

Een boek over Tati waarin vaak terloops een hoop wetenswaardigheden ter sprake komen, dat alles zonder al te veel poespas, en toch gaat het mis. Het is gewoon twee keer te lang. Misschien door de losheid van vertellen valt Meskens ten slotte toch in de valkuil die ze bewust vermeed. Ze gaat betogen, uitgerekend over Humor, waarvoor ze nogal overbodig geleerde getuigen aanhaalt. Of over auto’s: ‘het romantisch nationalisme van Hitler, zijn Kever en zijn concentratiekampen’, terwijl er bij Tati juist geen Volkswagen voorkomt. De praatstijl wordt dan gebabbel.

Waarom juist hier een affiche?

David Hamers
Niemandsland
Lemniscaat, 149 blz., € 14,50

Het is niet bedoeld als woordspeling als ik zeg dat uitgerekend een boek over rand- en rafelland het gevaar loopt in niemandsland terecht te komen. Net als het boek van Meskens is Niemandsland van de cultuurwetenschapper en econoom David Hamers (1971) speciaal geschreven voor de serie ‘De passie van…’. Passie is een wat modieus woord, maar het past bij beide boeken.

Hamers promoveerde in 2003 op een studie ‘naar de verbeelding van de buitenwijk van de Amerikaanse middenklasse’ en deed met een groep onderzoek naar de schemerzone tussen stad en land: Tussenland (2004). Het nieuwe boek lijkt in de marge daarvan geschreven. ‘Tussenland laat zich omschrijven als het gebied waar de stad voorbij is, maar het land nog niet is begonnen.’ Rotzooi is niet hetzelfde als wanorde, het is soms een andere orde: ‘Niet het terrein is vaag, maar de gebruikte terminologie’ – iedereen weet dat planologen, sociologen, cultuurtheoretici én beleidsmakers van het gegoochel met termen een ware verdwijningskunst hebben gemaakt. Hamers begint eenvoudig met het verschil tussen veldje en landje om vervolgens met vele voorbeelden in binnen- en buitenland te laten zien hoe je anders kunt kijken om in de wildgroei van het niemandsland iets anders te zien.

Hoe lees je een landschap? Hamers specificeert die vraag: hoe lees je een landschap als de officiële of de oudere verhalen erover gaten vertonen en er woorden ontbreken? Wat te zeggen van de handeltjes op velden, in de berm, over het hek, achter de schuur? Een mooi hoofdstuk over de sporen die treinen achterlaten, ‘ijzertijd’, vertelt hoe je spoor leest. In een bespreking van Amerikaanse landschapsfotografie en de monumentale foto’s van industriële architectuur maakt Hamers duidelijk dat zijn interesse meer naar het kleinere werk uitgaat: waarom heeft iemand ervoor gekozen juist hier een affiche te plakken? Wat is de logica van de lus en de onderkant van snelwegklaverbladen? Vroeger heette zo’n werkwijze fenomenologie. Het zijn lees- en kijklessen, vul voor lessen oefeningen in.