keuze uit de vertaalde literatuur

Vertaalde Literatuur

Iedere maand maakt Jacq Vogelaar een keuze uit de vertaalde literatuur die op de Nederlandse markt verschijnt. Het gaat meestal om boeken die recent zijn uitgekomen. Zijn keuze wil niet per se zeggen dat het de betere of beste boeken zijn. Soms gaat het om titels die meer beloven dan ze bij nader inzien blijken waar te maken.

Net echt
Indra Sinha
De mensen van Beest
uit het Engels (Animal’s People, 2007) vertaald door Lidwien Biekmann, Querido, 422 blz., € 22,95
‘Ik ben ooit een mens geweest. Is mij verteld. Zelf herinner ik het me niet, maar iedereen die mij kende toen ik klein was zegt dat ik toen op twee benen liep, net als een mens.’ Zo’n beginalinea maakt nieuwsgierig. Beest spreekt zijn verhaal in op bandjes: ‘De wereld van de mens is bedoeld om op ooghoogte te worden waargenomen. Jouw ooghoogte. Als ik opkijk, zie ik iemands kruis. Totaal andere wereld is dat, onder het middel. En geloof me, ik weet wie z’n ballen niet heeft gewassen, ik kan piskruisen en strontbillen ruiken…’ Als baby van enkele dagen werd hij gevonden in de nacht dat het gif uit een Amerikaanse fabriek in Khaufpur – denk aan Bhopal in 1984 – duizenden mensen doodde. Hij kwam in een weeshuis terecht waar op zijn zesde zijn rug begon krom te trekken en zijn botten als een haarspeld verwrongen raakten. Voortaan is zijn kont het hoogste punt van de jongen die op handen en voeten rondloopt, door andere weeskinderen Beest gedoopt. Een Australische journalist wil dat hij hem alles vertelt, maar de bandrecorder zet Beest pas na twee jaar aan. Als hij één ding haat is het medelijden, en de journalist krijgt te horen dat hij ‘van ons in Khaufpur verhalenvertellers heeft gemaakt, maar altijd van hetzelfde verhaal’. Een kritische opmerking voor een roman over een waargebeurde ramp.

Indra Sinha (1950), van wie eerder de roman De dood van mister Love vertaald werd, houdt de fictie van de viervoeter die band na band inspreekt en overal zijn woeste commentaar op geeft goed vol. Maar het is zo’n boek dat je evengoed halverwege weg kunt leggen, dan is het mooi geweest; ik bedoel dat positief. Alle personages zijn bekend: een door iedereen geliefde activist die zijn studie voor deze roeping opgeeft en bij een hongerstaking sterft, de charmante studente op wie het Beest verliefd raakt maar die de vriendin is van de actievoerder, en anderen onder wie een jonge Amerikaanse arts die een gratis kliniek opent maar geboycot wordt omdat men denkt dat ze voor de Amerikanen werkt. De afloop laat zich denken, maar Sinha kiest voor oplossingen die al te wonderbaarlijk zijn in vergelijking met het wonder van het zo goed van de tongriem gesneden Beest, dat 21 banden volpraat. Over het fictieve Khaufpur bestaat er zelfs een website.

Lang wit wicht
Albert Sánchez Piñol
In het hart van het oerwoud
uit het Spaans (Pandora al Congo, 2005) vertaald door Adri Boon, Cossee, 415 blz., € 24,90
Negentien jaar was Tommy Thomson in 1914 toen hij als ghostwriter van ‘doctor’ Flag, die wekelijks drie romannetjes van tachtig pagina’s publiceerde, In het hart van het oerwoud schreef. Zestig jaar later is het ambitieuze jongmens voor hem een vreemde geworden. Bij de dood van Tommy’s directe opdrachtgever bleek dat er tussen de beroemde schrijver en de inktkoelie nog minstens drie tussenpersonen zaten die de opdracht doorgaven. Dan vraagt een jonge advocaat hem het leven op te tekenen van ene Marcus Garvey zoals hij dat zelf vertelt in de gevangenis waar hij op de doodstraf wacht voor de moord in Congo op twee zoons van een hertog.
Marcus gaat mee als hun knecht op hun expeditie hartje Congo in. Als ze daar goud vinden, delven ze een mijn, waarvoor ze als geboren kolonialisten inheemsen maltraiteren. Uit de mijn duiken vreemde witte wezens op, zogeheten tektons. Een van hen, een lang wit meisje met grote ogen, gloeiende huid en twaalf vingers wordt de bijzit van een van de broers, maar Garvey wordt haar geliefde. Hele oorlogen woeden er tussen blanken plus zwarten tegen de witte onderaardsen, die alleen zichzelf als wapen hebben, maar bloeddorstig zijn als de hel. En heeft Garvey nou de twee elkaar in wreedheid overtroevende broers vermoord?
De roman die Thomson uit de gesprekken met hem brouwt en die eerst onder de naam van Norton, de advocaat, wordt uitgegeven, leidt wel tot vrijspraak van Garvey. De ghostwriter is al schrijvend ook zelf verliefd geraakt op het lange witte wicht uit Garvey’s verhitte verhalen. Even lijkt hij een echte schrijver te worden. Maar… eenmaal invuller altijd letterknecht; hoe literairder, hoe groter bedrog. Garvey is een doorgefourneerde moordenaar, hij heeft alleen het verhaal zó sappig gebracht dat de ghostwriter het geloofde. In zijn geestdrift had de overschrijver niet eens in de gaten dat Norton het door hemzelf geschreven romannetje In het hart van het oerwoud had gebruikt als synopsis voor het larmoyante verhaal dat hij de moordenaar souffleerde.
Daarmee verklap ik de frappe, maar in dit geval is het alleen maar handig te weten dat het een draak van een verhaal is en dat het zo bedoeld is. Daardoor kan de lezer andere kanten eraan waarderen dan de civilisatiekritiek die nogal wat lezers in een eerdere vertaling van Piñol (1965) zozeer waardeerden, het wereldwijd geprezen Nachtlicht. In elk geval is de nieuwe roman qua opbouw erg geestig.

De mooie verpleegster
Barbara Büchner
De pestdagen: Historische roman
uit het Duits (Der Pestartzt) vertaald door Liesbeth Goedbloed, De Banier, 301 blz., € 19,50
De feiten. Pas in 1894 zag een Franse tropenarts de ziektekiem door een microscoop, nadat tot ver in die eeuw de kennis over de pest bepaald was door de oude ziekteleer van een ongunstige menging van lichaamssappen. In 1894 brak in India de pest uit, waarvoor in 1897 een Weense expeditie naar Bombay ging. Een jonge internist, Hermann Müller, bracht voor verder onderzoek een kweek van pestbacillen mee, toen al bron van paniek. Hij verwachtte veel van zijn methode van gedetailleerde ziektegeschiedenissen. Door een ongelukje werd een aantal mensen besmet, onder wie de pestarts zelf. Na zijn dood werd de eigenhandig door hem genoteerde ziektegeschiedenis in 1898 gepubliceerd.

Wat heeft de Weense schrijver en journalist Barbarba Büchner (1950) ertoe gebracht deze feiten alsnog in een verhaal te verpakken? Anders gezegd: wat voegt het verhaal eraan toe? Dat Müller in Bombay een voorbeeldig arts voor de arme patiënten was, past net als zijn gedrag als vlijtig onderzoeker, die als een halfdronken medewerker een besmette rat laat ontsnappen met de slachtoffers in quarantaine gaat, in een heiligenleven. De geruchtenmachine, op gang gebracht door een ambitieuze en rancuneuze journalist, produceert uiteraard alleen maar leugens.

De rol van een mooie, ten dode opgeschreven verpleegster is net zo’n invuloefening als het hele boek. Even is er een aanzet tot een breder commentaar, wanneer de verwikkelingen rond het pestonderzoek deel uitmaken van de aloude Oostenrijkse strijd tussen behoudzucht en vernieuwing, ook in de wetenschap. De boodschap kan toch niet zijn dat ook de wetenschap niet bestand is tegen ongelukjes en menselijk falen? Het is niet onwaarschijnlijk dat de eigen ziektegeschiedenis van de pestarts en een nuchter relaas van de feiten een interessanter boek hadden opgeleverd dan deze inleving die zeventien dagen besmetting in oktober 1898 bestrijkt.

Kibbelende vriendinnen
Juan Benet
In de schemer
uit het Spaans (En la Penumbra, 1989) vertaald door M. Vanderzee, IJzer, 215 blz., € 19,50
Het gesprek tussen een oudere dame en haar nicht vindt inderdaad in de schemer plaats: op een oktoberavond in een groot landhuis, de tante in afwachting van een man van veertig die, zoals door de jaren heen al vaker is gebeurd, namens een andere man een boodschap komt brengen. Het is een huwelijksaanzoek dat de dame eerder niet in ontvangst wenste te nemen, maar vanavond voor het eerst wel. Dat past in haar levenslange strategie van weigering en stilzwijgen. De schemer slaat ook op het verleden, toen zij op de avond voor het huwelijk volgens een oud barbaars gebruik door de vader van de bruidegom, het hoofd van de Atam-clan, werd ingewijd. Ze is vooral weggelopen om de zoon die dat toeliet, de man die telkens het huwelijksaanzoek blijft doen.

In een monoloog, slechts onderbroken door opmerkingen van de nicht die haar hoofd totaal ergens anders heeft (‘De lust is een kwelling voor me’), neemt de tante haar leven door. In andere hoofdstukken wordt de schemering soms zeer duister doordat de lezer alleen maar kan gissen in welke verhouding de personen met elkaar staan. Is de man waarover twee vriendinnen kibbelen dezelfde als de vreemdeling Ramón die opeens bij de mijnbewaker Adonis Abdón opduikt om terug te nemen wat van hem is? En is de pleegdochter van Abdón de dochter van haar grootvader die de oude vertelster inwijdde? Niemand weet misschien wat en hoe het gebeurd is, aldus Abdón.

Het is ook tegen de geest van de roman om alle draden uit elkaar te halen: het gaat juist om de kluwen. Wat dat betreft – en meer – is het prozawerk van Benet te vergelijken met dat van Faulkner, Claude Simon of Pinget. Zo wordt er nauwelijks meer geschreven: voor lezers die vinden dat lezen pas bij de tweede keer lezen begint. Van Benet (1927-1993) werd eerder alleen een bundel fabels vertaald: Dertien en een halve fabel en fabel veertien. Daar valt nog wat in te halen.

In een hotelbed
Laurent Graff
Gelukkige dagen
uit het Frans (Les jours heureux, 2001) vertaald door Han Meyer, Nijgh & Van Ditmar, 127 blz.,
€ 16,50
Net als De man die op reis ging, over een man die een koffer kocht en van vertrekken zijn levenswerk maakte, is dit eerdere boek van de Franse schrijver Graff (1968) gebaseerd op een idee dat zo scheef op de werkelijkheid staat dat het hele bouwsel ernaar gaat staan. Op zijn achttiende besteedt Antoine het vrijkomende geld van zijn spaarbankboekje aan een graf en een steen. Wanneer hij 35 is krijgt hij een erfenis en dat geld besteedt hij, na gezin en baan eraan te hebben gegeven, aan een plaats in het Huis, Gelukkige Dagen geheten, een Particulier Bejaardentehuis. Iedereen verklaart hem voor gek, maar alles went, ook een jonge vent tussen ouden van dagen. Kan hij, spijbelend van het leven en toegevend aan zijn ‘eeuwige neiging om vooruit te lopen op wat toch wel komt’, zijn medebewoners ten minste de soap waaraan ze verslaafd zijn uitleggen. Hij kan vooral toegeven aan zijn natuurlijke neiging om op gepaste afstand naar anderen te kijken. Die afstand wordt kleiner in het geval van de tachtigjarige Mireille, een nieuwe bewoonster, in wier persoon hij ‘besluit de dood te vergezellen in zijn langzame opmars, tot zijn zegepraal’. Ook dat neemt hij letterlijk: tot Mireille op een uitstapje met hem in een hotelbed de geest geeft.

Graff houdt het groteske verhaal mooi binnen realistische perken. Jammer dat hij af en toe toch tekst en uitleg geeft van het gedrag en de bedoelingen van de jonge bejaarde. Op het laatst is hij de enige grijsaard in Gelukkige Dagen, dat nu ‘Recreatiecentrum’ heet, een vrijetijds- en vakantiecentrum voor de jeugd.

Jolig schmieren
Peter Carey
Diefstal
uit het Engels (Theft: A Love Story, 2006) vertaald door Inge Kok, Atlas, 320 blz., € 24,90
‘Hoe weet je hoeveel je moet betalen als je niet weet wat het waard is?’ De slotzin is een vraag van de schilder Butcher – de Australische slagerszoon Michael Boone – en slaat op Marlene, de even ongrijpbare als verleidelijke kunstintrigante. Eerder wordt de zin gebruikt voor de kunsthandel, waar ‘de grootste dieven ter wereld’ het voor het zeggen hebben. Butcher weet waarover hij het heeft. In 1980 kwam hij uit de gevangenis wegens diefstal van eigen werk nadat de scheiding hem geplukhaard had. Nu past de voormalige beroemdheid op het buitenhuis van zijn grootste verzamelaar. Iedereen probeerde hem te moderniseren, om hem ‘niet alleen te bevrijden van de ouderwetse penseelvoering maar van elke verwijzing naar de wereld zelf’.

Met Hugh, zijn broer van tweehonderd pond, een idiot savant en af en toe een gewone gewelddadige idioot, is hij ver van de wereld weer aan het schilderen als daar Marlene opduikt, op het oog een chique New Yorkse, in werkelijkheid een Australisch niksje dat zich in de kunstwereld omhooggewerkt heeft. Laat er vlakbij nu net een schilderij van de beroemde kubist Jacques Leibovitz gestolen worden, waarvoor Butcher de kunstpolitie op zijn dak krijgt, en Marlene toevallig de schoondochter van de grote Leibovitz zijn. Zij gebruikt haar verslaafde man Olivier om telkens opduikend werk van de tijdgenoot van Picasso op echtheid te verifiëren.

Dat zijn de ingrediënten voor een satire van van-dik-hout-zaagt-men-hilarische-clichés. Verrassender dan dit voorspelbare verhaal over kunstbedrog is de gezichtshoek van Hugh: zo nu en dan krijgt hij een hoofdstuk om al raaskallend zijn kijk op de dingen te ventileren. Het verhaal, dat de slagerszoon met zijn sluwe kunsthandelaarster onder meer naar Japan brengt, een land waar de hoge dunk voor hoge kunst groot geld oplevert, hangt van bedrog aan elkaar. De Australische Carey (1943) brengt het met veel zwier. Dat het af en toe gewoon jolig schmieren wordt, mag in een liefdesverhaal.

Zie ook vertaalde literatuur in de maand april