VERTAALDE LITERATUUR

Vooraf
Bij de vorige Boek van de Maand heb ik al gezegd dat het hier niet om een keuze van het beste boek gaat, maar om een boek dat in mijn ogen de moeite waard is. De roman De laatste vlucht van de flamingo van Mia Couto heeft iets opmerkelijks gemeen met enkele andere recent verschenen boeken: een zekere meertaligheid. Couto schrijft van huis uit in het Portugees, zijn ouders komen uit Portugal maar hij is zelf in Mozambique geboren en in feite tweetalig getogen. In elke taal spreken een andere geschiedenis en andere werkelijkheidsbeleving mee. Deze roman is een kruispunt waar verschillende werelden op elkaar stuiten. Dan is het boeiend te zien hoe de schrijver dat taalkundig oplost, vooral als dat zo ingenieus gebeurt als in dit boek.
Dat er nogal wat schrijvers zijn die in een ander land wonen dan waar ze geboren zijn, is niet nieuw; ingewikkelder wordt het wanneer ze proberen te schrijven in een andere dan hun moedertaal. Dat is weer iets anders dan een Couto die in zijn eigen taal schrijft; meertalig is zijn roman door de botsing van manieren van denken, en dat bewust door de schrijver overdreven. Hoe verschillend de effecten kunnen zijn, laten de verschillende hier genoemde boeken zien. Voor de Sloveense Brina Svit wordt het een onderwerp wanneer zij voor het eerst een roman in het Frans wil schrijven; zij noemt ook illustere voorgangers. De vorige keer signaleerde ik hier de roman van een eveneens in Parijs wonende Albanese kunstenares, Ornela Vorpsi, die in het Italiaans is gaan schrijven. En niet zo lang geleden vertelde Agoto Kristof in De analfabete over haar overgang van Hongaars naar Frans. De Zweed Khemiri heeft met Couto de vrijheid gemeen om van de taalbotsing een sarcastische demonstratie te geven. De boekhandelaar in De laatste zomer van de rede van de in het Frans schrijvende Algerijn Tahar Djaout is daarentegen nog helemaal bevangen door de heilige taal die hem gevormd heeft. De vertellers is een kritiekloze lofzang op de orale vertelkunst. Couto is die nostalgie voorbij. Op het eerste gezicht lijkt hij allerlei technieken van het modernisme toe te passen; aannemelijk is dat hij zijn taalacrobatische kunsten zelf bedacht heeft. Of anders gezegd: als de realistische beschrijving tekortschiet, moet een schrijver wel andere methoden uitproberen.

Landmijn in taal

MIA COUTO
DE LAATSTE VLUCHT VAN DE FLAMINGO
Uit het Portugees (2000) vertaald door Harrie Lemmens. Van Gennep, 221 blz., € 17,90

Aan welke kant van een boek begin je? Je kunt volgens mij beter bij het eind beginnen, het boek zelf, dan bij de stof, het onderwerp. Een bespreking die daar begint wil vooral zo snel mogelijk naar de strekking. De recensie van de roman Agaat van Marlene van Niekerk bijvoorbeeld wordt dan vooral een (retorische) vraag, of de roman bedoelt te zeggen dat de rol van de blanke heersers door de zwarten wordt overgenomen. Klaar is politieke Kees. Zo vereenvoudigend kun je zeggen dat deze roman van de in Mozambique milieukunde docerende bioloog-schrijver Mia Couto (1955) over postkoloniale verhoudingen gaat: hoe voormalige verzetsstrijders hun marxistisch jargon inruilen voor kapitalistische slagzinnen om de baas te spelen over het volkje waarvoor ze eerder tegen de Portugese kolonialisten vochten. Zelfs de Eerste Dame, ‘kameraad vrouw’ voor de burgemeester, zegt het van haar echtgenoot: de voormalige revolutionairen zijn bedriegende socialisten en ook nog eens bedrogen kapitalisten. De voormalige verzetsstrijder Estêvão Jonas heeft zijn nuffige vrouw helemaal niet nodig om te weten hoe de vork aan de steel zit. In een schrijven aan Zijne Excellentie het Hoofd van de provincie herinnert de burgemeester eraan dat ze nog niet zo lang geleden bij hoog bezoek de inwoners verstopten en de armoe wegveegden. Nu het om schenkingen van de internationale gemeenschap gaat, is het heel anders, moet de bevolking met al haar honger en besmettelijke ziekte getoond worden en het zicht op de ramp vergemakkelijkt.
Mia Couto was toen hij medicijnen en biologie studeerde betrokken bij de bevrijdingsbeweging Frelimo. Zodoende raakte hij verzeild in de journalistiek en werd hij na de onafhankelijkheid, in 1975, zelfs directeur van een krantenuitgeverij. Pas laat begon hij literair werk – gedichten, verhalen, romans – te publiceren, waarvan deze roman na de verhalenbundel De dag waarop Mabata-bata explodeerde en de roman Slaapwandelend land (beide in 1996 vertaald) de derde uitgave in het Nederlands is. Vergelijking met Slaapwandelend land (1992) maakt duidelijk dat Couto als schrijver in een jaar of tien behoorlijk veranderd is, en dat heeft zeker ook met veranderde politieke omstandigheden te maken gehad. Een oude man en een jongen stuiten als ze het vluchtelingenkamp verlaten hebben op een uitgebrande bus. Als ze erin gaan wonen, vinden ze een stel schriften van een jongen die zich bij het verzet wilde aansluiten. Ook in dat boek allerlei fantastische vertellingen, maar de roman zat nog midden in de actualiteit; hij was er als het ware door gedicteerd. De stijl van de roman De laatste vlucht van de flamingo, hoeveel oude verhalen ook in dit boek nog opduiken, is geen voortzetting van een orale vertelcultuur met moderne middelen; het verhaal staat er zelfs dwars op.
Het is in dit geval nuttig te weten dat Couto weliswaar in Mozambique geboren is, maar dat zijn ouders uit Porto kwamen. Ongewoon was dat Beira, de tweede stad van het land, een soort eiland vormde waar blank en zwart door elkaar woonden. Couto groeide Europees op, thuis, en sprak op straat Chissena, de hoofdtaal van het stroomgebied van de Zambesi. Dat heb ik ook maar van de vertaler Harrie Lemmens – een boek als dit kan niet zonder nadere informatie. Het is toch heel wat anders wanneer je een roman van António Lobo Antunes leest over de nadagen en gevolgen van het Portugese kolonialisme. Diens roman Fado Alexandrino uit 1983 over de revolutie van 1974 gaat over Portugese militairen, niet van binnenuit maar er heel dicht op. Het heeft geen zin de roman van Couto daarmee te vergelijken of het moet zijn om te zien hoe een soortgelijke nabijheid een heel ander effect kan hebben. Ik zeg er ook maar meteen bij, voordat ik aan de komische kanten van Couto’s Flamingo-roman toekom, dat de vrijheden die de schrijver zich ten aanzien van de politieke actualiteit veroorlooft niet betekenen dat zijn roman veel minder of helemaal niet politiek zou zijn. Natuurlijk is de burgemeester als dorpsdictator een verfoeilijke figuur en zijn de oud-strijders gevaarlijke profiteurs. Maar wat een verschil of een schrijver in die wereld niet anders kan dan aanklagen of inmiddels de vrijheid verworven heeft om er de draak mee te steken – ik had in plaats van draak bijna wraak geschreven. Het lijkt wel alsof Couto de afgedwongen ernst van zijn vroegere werk alsnog compenseert.
Het boek begint nogal spectaculair. Sinds de blauwhelmen er zijn, ontploffen er af en toe soldaten. Ze gaan in rook op, slechts een eindje blijft over, hun snikkel. De eerste die van een Zambiaan, de tweede van een Pakistaan. De lezer zij gewaarschuwd: ‘In ons stadje was een gebeurtenis iets wat zich nooit voordeed’, met als variant iets verderop: ‘Hier weet je pas wat er gebeurt als het al gebeurd is. Snapt u wat ik bedoel, waarde heer?’ Aan het woord is de tolk van het dorp, door de burgemeester erbij geroepen: ‘Ben jij niet degene die overvloeiend andere talen spreekt?’ De waarde heer is de VN-afgezant, de Italiaan Massimo Risi, ‘vertegenwoordiger van de wereld’. Hij verstaat voldoende Portugees, daar niet van; de tolk is er ook niet om te vertalen, maar moet de Italiaan bespioneren en dient als verbindingsman tussen verschillende werelden, de grote en de kleine van het stadje Tizangara, de oude (van de legendes) en de moderne (van de techniek en het geld).
Elk hoofdstuk is een scène op zich, meestal vrij bizar van snit. Een mooie is die meteen al in het begin wanneer bij de losse penis midden op de weg voor de ingang van het stadje een ervaringsdeskundige geroepen wordt, Ana Deusqueira, de prostituee van het stadje – des te pikanter omdat er officieel geen prostitutie bestaat in het stadje en er zelfs geen woord voor is. Meer dingen zijn een kwestie van woorden. Zo raakt de Italiaan verkikkerd op een kindbesje in zijn logement, een oud vrouwtje met schubben dat ook een jong meisje kan zijn; ze heeft eenvoudig twee leeftijden.
Vermakelijk zijn de brieven van de burgemeester aan zijn superieuren. De eerste begint met een verontschuldiging: ‘Excellentie, ik schrijf u haast mondeling. De dingen die ik zal vertellen en die zich hier hebben voorgedaan, zijn te wonderlijk om te passen in een schriftelijk verslag.’ De brief gaat hoofdzakelijk over zijn vrouw, die hem mishandelt en niettemin gloeiende handen bezorgt. Bij wijze van anticlimax verklap ik hier maar meteen de uitkomst van het onderzoek. Lange tijd lijken de ontploffingen het werk van jaloerse inwoners; uiteindelijk blijkt de burgemeester zelf, geholpen door een vlerk van een stiefzoon, aansprakelijk voor de explosies. Er ontploffen ook heel gewone bermbommen. ‘In Tizangara liep alles door elkaar heen: de oorlog van de handel en de handel van de oorlog.’ Na de oorlog bleek het lucratief om het aantal mijnen dat was blijven liggen te overdrijven, waarna het logisch was om de uitgerukte mijnen te vervangen door een aanplant van nieuwe mijnen. En daarna kwam ‘dat wangebeuren’.
De mooiste hoofdstukken zijn weggelegd voor Sulplício, de vader van de tolk, zelf trouwens ook een mooi portret. De vader was onder koloniaal bewind jachtopziener, een soort politieman, maar werd zelf gemarteld. Als iemand weet heeft van wat er gebeurd is en wat er wel of niet veranderd is, dan is hij het, ook al begrijpt hij van de nieuwe orde weinig omdat hij er niets van wil weten. Op een gegeven moment had hij zijn gezin verlaten en was hij ergens buiten gaan wonen, ‘had hij met zijn leven gedaan wat je doet met een laken: je slaat de slippen om en stopt ze onder de matras’. Geen mens krijgt ze nog te zien. Opeens zit hij weer in het huis van de zoon, alsof er nooit iets gebeurd is. Vroeger zei hij soms als hij ’s avonds naar buiten ging dat dat was om zijn botten op te hangen. De tolk ziet hem dat nu echt doen: ‘Mijn vader haalde botten uit zijn lijf en hing ze aan de takken van een boom. Ontdaan van zijn innerlijke raamwerk zakte hij vervolgens in elkaar tot een vormeloos hoopje op de grond. Daar bleef hij liggen, morsigdood, als een zuchtende brij, een grillige spons.’
Als Couto in de loop van de tijd niet andere talen dan zijn moedertaal had opgezogen, geen kennis had genomen van andere manieren van kijken, beleven en verwoorden, had hij waarschijnlijk nooit deze wonderlijke stijl ontwikkeld. Dat denk ik, ik weet het niet, zo min als ik zeker weet dat deze taal hem de vrijheid heeft geboden over de postkoloniale werkelijkheid in Mozambique van zo nabij en tegelijk zo losjes te schrijven als hij hier doet – een mooie kruising, dit werk.
Getto-Zweeds

JONAS HASSEN KHEMIRI
MONTECORE, EEN TIJGER OP TWEE BENEN
Uit het Zweeds (2006) vertaald door Jasper Popma. De Geus, 318 blz., € 22,50

‘Gewone ouders spreken of Zweeds of Geenzweeds, maar alleen papa’s heeft zijn eigen taal, alleen papa’s spreekt Khemirisch. Een taal die alle talen door elkaar is, een taal die alles extra dubbelop heeft, met verschuivingen en aan elkaar geplakte eigen woorden…’ Degene die dit schrijft is zelf een Khemeri, oom Kadir, de broer van de vader, in een van de vele e-mails die hij aan de zoon, Jonas, stuurt, nadat hij hem heeft voorgesteld samen een boek over de vader te schrijven. Jonas is gedebuteerd met een roman die geschreven zou zijn in ‘onvervalst getto-Zweeds’. Jonas Hassen Khemiri is een in 1978 geboren Zweed, auteur van Een kameel zonder bult. In dit geval is het van belang erbij te vermelden dat hij een Zweedse moeder en een Tunesische vader heeft. Hoe het getto-Zweeds eruitziet, demonstreert Jonas in de stukjes die over zijn ‘eigen hokje’ gaan, een clubje jongeren met ouders uit Chili, Pakistan, Tunesië enzovoort: ‘een nieuw collectief zonder grenzen, zonder geschiedenis, een gecreoliseerde kring waar alles gemengd, gemixt en gehybridiseerd is’. Van hun taaltje is het Khemirisch van de vader en de oom een vroege, maar totaal verschillende variant. Oom Kadir vertaalt vroegere in het Arabisch geschreven brieven van de vader in het Zweeds – daarbij kun je het best aan de hypercorrecte taal van de Turk van Koot denken.
Het resultaat is een fantastisch en soms zeer bloemrijk mengsel van archaïsche zinswendingen, letterlijk vertaalde woorden en uitdrukkingen uit de taal van herkomst. Jonas vertelt erbij hoe Zweden op de geringste taalfoutjes van papa’s reageren, wanneer hij hun taal correct probeert te spreken, en dat wil hij omdat hij zich koste wat het kost wil aanpassen. Dat wordt ook zijn ongeluk, volgens de zoon, die door de oom van omgekeerd racisme beschuldigd wordt; dat is weer een spiegelbeeld van de irritatie van de vader over incapaciteit van immigranten. De zoon op zijn beurt wil niet besmet worden door zijn vaders Buitenstaanderschap. Jonas is ook uitermate grimmig wat de Zweedse schijnheiligheid en steeds minder verholen haat tegen buitenlanders aangaat.
De roman houdt die uitbarstingen binnen de perken door een fikse dosis spot. Hilarisch zijn de tien regels van het echte Zweeds, die de zoon voor de vader opstelt wanneer die een fotostudio wil beginnen. De vader belandt trouwens op het laatst als beroemd fotograaf in New York. In een epiloog geeft oom Kadir bijtend commentaar op het manuscript dat Jonas op grond van hun samenwerking in elkaar heeft gestoken: ‘Je tekst ligt ver van zowel de waarheidsversie als de compromisversie en je slaagt er slechts vlagenderwijs in je vaders echte verhaal te vangen. Mijn enige explicatie: je mist adequaat talent. Je bent een miserabele nepauteur.’
………………………………………
Oude taal

TAHAR DJAOUT
DE LAATSTE ZOMER VAN DE REDE
Uit het Frans (1999) vertaald door Henne van der Kooy. Van Gennep, 127 blz.,
€ 9,95

Tahar Djaout (1954-1993) schijnt andere literaire plannen die hij onder handen had opzijgeschoven te hebben om een waarschuwend verhaal te schrijven. Dat werd toen hij op 2 juni 1993 vermoord werd tussen zijn papieren gevonden. Na lezing van dit boek hoeft de lezer niet lang te raden waarom en door wie hij vermoord is. In het verhaal had het de boekhandelaar Boualem Yekker kunnen treffen, die niet direct om wát hij in zijn winkel verkoopt, maar alleen al omdat hij andere teksten dan de Heilige verspreidt het doelwit van de Wakende Broeders is. Zo heten in dat land de reguleerders van het geloof, die op hun motoren in auto’s kijken om te zien of er een vrouw bij is, wier huwelijks- of familiale banden gecontroleerd worden. Overigens dreigt zelfs de reserveband verboden te worden, omdat die op een gebrek aan geloof in de voorzienigheid wijst. Vrouw en kinderen van de boekenman zijn vertrokken, zij willen geen buitenstaander zijn, dan maar liever helemaal in het zwart of een baard voor gedaan. Eerst wordt hij met stenen bekogeld, dan wordt zijn winkel gesloten en de boeken verbrand. Als eenvoudig mannetje had hij gedacht de dans te zullen ontspringen, die van de leuzen schreeuwende massa.
Andersdenkenden weten elkaar minder gemakkelijk te vinden. ‘De nieuwe orde is eropuit de mensheid als geheel te besnoeien, maar ook ieder individu apart.’ Dat is al vanaf de eerste pagina meer dan duidelijk. De boekhandelaar kan alleen maar stamelen dat de vijand het op de schoonheid gemunt heeft – dat waren niet de woorden van de zuiveringspolitie. Grote woorden lijken inzicht eerder te verhinderen dan te bevorderen. De stad, symbool van de moderne tijd, werd overspoeld door Berbers, is alles wat de boekhandelaar weet te bedenken. De schrijver komt ook niet verder dan het uittekenen van dit schrikbeeld, dat in 1993 in Algerije al meer werkelijkheid dan droom geweest moet zijn. Wie zou trouwens deze in het Frans geschreven kakotopie hebben moeten lezen? Lezers in Frankrijk? Toen het boek uitkwam was het 1999, en nu is het in 2008, zonder toelichting, vertaald. Voor fanaten van een andere signatuur, als die nog lezen, zou de nachtmerrie van 1993 nu gefundenes Fressen kunnen zijn.
………………………………………
Eeuwige vertelkunst

RABIH
ALAMEDDINE
DE VERTELLERS
Uit het Engels (2008) vertaald door Jeannet Dekker. Arena, 558 blz., € 19,95

‘Luister. Laat me je god zijn. Laat me je meevoeren op een reis die je verbeelding overtreft. Laat me je een verhaal vertellen.’ Zo begint het eerste verhaal dat zich heel lang geleden afspeelde, in een land hier ver vandaan, over een emir die na twaalf dochters eindelijk wel eens een zoon wil hebben. Van zijn beeldschone vrouw mag hij het met Fatima, een slavin, proberen. Voor het verhaal is het natuurlijk beter dat zij op reis gaat om na veel avonturen met een tovermiddel terug te komen. Na drie pagina’s een time out en dan zitten we in 2003 en is Osama al-Kharrat aan het woord. Sinds 1977, toen er een burgeroorlog in Beiroet woedde, heeft hij in Los Angeles gewoond en hij keert nu terug om zich bij zijn familie te voegen die zich huiselijk heeft ingericht rond het ziekbed van de vader. De ziekenhuiskamer wordt de landingsbaan voor een netwerk van internationale verhalen.
De familie, een verzameling van christenen, moslims, joden, druzen en wat al niet meer, biedt zelf al stof te over. Hoofdbron is de gestorven grootvader, Ismail, een echte hakawati, van aanleg en beroep. ‘Al-hakawati’ is de Syrische term voor een verteller van verhalen, mythen en fabels, voorlezer, acteur, die optreedt in cafés. De grootvader wist alles van de concurrentie tussen de beroepsvertellers, die vaak dezelfde verhalen op een totaal andere manier brachten. De verhalen in de roman van Alameddine (1959), schrijver en schilder, sluiten natuurlijk op die traditie van eindeloos uitschuifbare vertellingen aan. Maar in de roman sluiten de diverse vervolgverhalen nauwelijks op elkaar aan. Of het de tijd van de Libanese oorlog is of nevelige sprookjestijd doet er weinig toe. Zeker, er zitten prachtige verhalen tussen, maar zo’n losse reeks wordt al gauw te veel van het goede. Het is wel grappig een autohandelaar te horen zeggen dat hij een hedendaagse hakawati is. Het is ook maar de vraag of de vertelkunst, die vooral in exotische gedaante een tijdlang in de mode was, nu nog gecelebreerd moet worden als tijdloze bewaarvorm.
………………………………………
Taal kwijt

BRINA SVIT
MORENO
Uit het Frans (2003) vertaald door
Martin de Haan. Anthos, 96 blz.,
€ 14,95

De Baronessa die de villa in Toscane beheert waar een internationaal gezelschap van schrijvers een tijdje gelegenheid wordt geboden – je kunt je nauwelijks voorstellen dat iemand daar echt kan schrijven – weet niet goed hoe zij Brina Svit moet voorstellen: als Parisienne of een Sloveense die in Parijs woont, of een Française van Sloveense afkomst, of gewoon Frans. Maar zij is niets van dat alles – ze is ‘extracommunautair’ (er is niet eens een woord voor, apatride is het ook niet) – niet anders dan Mohammed, het manusje van alles met wie zij optrekt. Na twintig jaar in Frankrijk te hebben gewoond, en na enkele romans in het Sloveens, is zij voor het eerst aan een verhaal in het Frans begonnen. Haar opmerkingen over het ratjetoe aan talen dat er in de villa gesproken wordt en de haken en ogen die er aan het schrijven in een andere dan de geboortetaal zitten, zijn het interessantste aan het boekje. Verder heeft ze niet zo veel te vertellen, niet over haar waarnemingen in en rond de villa, noch over zichzelf of over het schrijven; zelfs niet over Mohammed, wiens portret zij in woorden wil schilderen. Ze zou elders nooit met zo iemand zijn opgetrokken; het is wel pikant een stel te vormen met een man die geen minnaar, familielid of zelfs maar vriend is. Belangrijker dan haar belevenissen is het gevoel dat zij haar taal kwijt is.
Zij gelooft niet in gelukkige tweetaligheid; niet voor zichzelf, want haar dochter zit goed in haar tweetalige vel. Literaire voorgangers, zoals Cioran en Kundera, voelden zich ongemakkelijk. Danilo Ki, die zelf zelden in het Frans schreef, zei haar dat zij op haar leeftijd, ze was in de dertig, niet van taal kon veranderen. Ze beseft dat in het Sloveens alles voor haar begonnen is (liefhebben, lachen, huilen, bang zijn). En als ze nu in het Frans gaat schrijven, raakt ze van woord tot woord meer in de knel. Waarom wil ze het per se? Omdat ze nu eenmaal in Frankrijk woont? Of is het toch eerzucht, omdat een schrijver in een kleine taal zelden of nooit toegang krijgt tot de wereldliteratuur? Daar heeft ze het niet expliciet over. Indirect wordt het verschil geaccentueerd door de collega-schrijvers in de villa, die hun superioriteit ontlenen aan de taal waarin ze schrijven.
………………………………………
Taal van de vijand

KNUD ROMER
WIE KNIPPERT IS BANG VOOR DE DOOD
Uit het Deens (2006) vertaald door Gerard Cruys. Querido, 184 blz., € 17,95

In de veelheid kan een boek gemakkelijk over het hoofd worden gezien, alleen al om de titel in dit geval – die snap ik na lezing nog niet. Ik heb het boekje ook niet eerder waargenomen. Knud Romer (1960) heeft literatuurwetenschap gestudeerd, is directeur van een reclamebureau en had een rol in een film van Von Trier, dat zegt ook weinig. En dat zijn moeder Duits is zou van belang kunnen zijn als het verhaal inderdaad helemaal autobiografisch is. Maar wat als het dat niet is, helemaal niet of niet helemaal? Zou het effect dan even beklemmend zijn? De voorgeschiedenis van de grootouders is er een waarin nogal wat merkwaardige personen en gebeurtenissen voorkomen, zoals de Duitse grootvader van moeders kant, een contactgestoorde bullebak wiens mooie tweede vrouw in een kelder vol benzine verbrandt, niet meer verder wil leven maar dat moet, zich voortdurend verbergend. Grootvader van vaders kant laat het ene plan op het andere volgen en mislukt elke keer. En vlak de vader niet uit, die vijftig jaar zonder enig mankeren procuratiehouder is, geen vlekje op zijn bestaan of het moet een gek van een broer zijn. Nee, het gaat om de moeder of liever om het plaatsje Nykøbing.
Vanaf de eerste dag is Hildegard Voll voor de Denen een mof, een Hitler-wijf en ook nog een kakmadam – maar ook de in 1960 geboren zoon moet het tientallen jaren na de oorlog nog dagelijks ontgelden, op school, op straat, alleen en vooral samen met zijn moeder; regelrecht racisme. En dan te bedenken dat de verloofde van de vrouw in 1942 als betrokkene bij de Rote Kapelle is opgehangen, en zijzelf ware heldendaden heeft verricht. Beklemmend is dat de hetze nooit ophoudt – zelfs in de overlijdensadvertentie staat er in plaats van de Duitse sz een b: ‘O Sübes Lied’. Dat je zo’n boek in het Deens moet schrijven, lijkt me een crime. Wat ook niet kan is dat als in de roman het gezin van drie jarenlang volstrekt geïsoleerd leeft, op het omslag een tafel gedekt staat met vier servetten in ring.