Vertalingen (1)

De gedichten van de Zuid-Afrikaanse Ronelda S. Kamfer zijn des te aangrijpender omdat ze vrij rechttoe, rechtaan anekdotes uit het dagelijks leven vertellen. En Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer kozen en vertaalden De 150 mooiste gedichten uit het Spaans. Opvallend is dat de gedichten van langer geleden daarin niet per se ouderwetser klinken.

‘In veel landen gelden zware romantiek en sentimentaliteit nog als sine qua non bij poëzie, terwijl wij dan algauw denken aan kitsch. (…) Een dichter die het in eigen land goed doet, moet elders opboksen tegen poëzie die niet zelden spannender is.’ Dat schrijven Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer in het Ten geleide van hun keuze uit zes eeuwen Spaanse poëzie. Het meervoud landen geeft al aan dat het om de taal Spaans gaat en niet om Spanje alleen. Ik kan me herinneren dat een medewerker van Poetry International met handen in het haar uitriep dat Spaanse en Nederlandse poëzie onverenigbaar zouden zijn en dat een jaar of acht geleden Rutger Kopland zich druk maakte over de zoetgevooisheid van de Latijns-Amerikaanse dichters op het festival.

Nu kun je het ook omdraaien en die noorderlijke hang naar het droge en het beschouwelijke en hun nerveuze angst voor gevoelens hoogst sentimenteel noemen. Ik moet daarbij altijd denken aan regels van Jacques Brel uit Mon père disait: ‘C'est le vent du Nord/ Qui transperce les yeux/ Des hommes du Nord/ Jeunes ou vieux/ Pour faire chanter/ Des carillons de bleu/ Venus du Nord/ Au fond de leurs yeux.’ Het is niet alleen een kwestie van poëzie, het heeft ook van doen met de ontvanger.

De dichter is een kleine God heet de bloemlezing en dichters van de jongste generaties kom je er niet in tegen, waarvoor de hier bovengenoemde verklaring. De bloemlezing beslaat niet minder dan acht eeuwen. Als je de bloemlezing van achter naar voren leest (wat ik met bijna alle dichtbundels deed voordat ik poëzie besprak), dan valt op dat de laatste opgenomen gedichten niet per se moderner zijn. De vertalers hebben ‘in voortdurend dispuut met elkaar’ hun smaak gevolgd, al zeggen ze zich ook bewust te zijn van de canon. Terugbladerend in hun chronologische keuze is de eerste dichter die me opvalt de Argentijn Juan Gelman:

Misschien past de wereld in de keuken

waar we praten over het kind.

De toekomst is een gezicht, een lieve naam,

bloed op weg naar deze weg.

Liefde uit zich op een vreemde wijze:

wieg, luier, de ochtendjas.

Deze gewone dingen.

Die blanke woorden.

De liefde is gegroeid.

De lente zingt in mijn zakdoek.

Gelman laat ‘Zes Dwaze Verpleegsters uit Pickapoon’ optreden, die stellen dat hun privé-leven hun eigen zaak is, zich afvragen waarom God geen vrouw is terwijl ze met hun borsten schudden ‘als/ God zo lieflijk’. Het is een aanstekelijk gedicht, van een opgewektheid die ik herken van de Colombiaan Jaime Jaramillo Escobar, oprichter van het Nadaísmo, die helaas in deze bloemlezing ontbreekt.

Het vraagstuk dat de bezorgers van de bloemlezing stellen, is natuurlijk relevant. Wat neem je mee uit een land, wat is daar van belang en wat spreekt jou aan. Het is ook de vraag wat vertaald wordt, wat verschijnt, waarom juist die gedichten uit dat oeuvre, en op welk moment dat verschijnt in het andere land. Waar het terechtkomt. Een directrice van het Instituto Cervantes plaatste ooit het collectivisme van de Spaanse poëzie tegenover het individualisme van de Nederlandse poëzie. Dat klinkt naar politiek, antropologie, een gemeenplaats. Toch kan een dergelijke notie zo nauw aansluiten bij de gedichten die gepresenteerd worden dat die evengoed verhelderend en ontnuchterend werkt.

De net iets jongere Mexicaan José Emilio Pacheco dicht over nagels en over een dakgoot. En er is de ‘Verticale poëzie’ van Roberto Juarroz, ook een Argentijn, die veertien bundels onder die titel uitbracht. Van de Mexicaanse surrealist Octavio Paz namen Van de Pol en Steenmeijer onder meer een klein gedichtje op, getiteld Hier:

Mijn stappen in deze straat

weerklinken

_ in een andere straat_

waar ik

_ mijn stappen hoor_

voorbijgaan in deze straat

waar

Alleen de nevel werkelijk is.

De poëzie hier verzameld klinkt helemaal niet ouder als je van achteren naar voren leest en verder de geschiedenis ingaat. De taal is niet meer gedragen. Dat zal mede aan de vertalingen liggen en daarvoor staat in de inleiding ook een verklaring. ‘De Spaanse taal is welluidender, minder veranderlijk en transparanter dan het Nederlands.’ Pablo Neruda is natuurlijk opgenomen, Frederico García Lorca en Jorge Luis Borges, van wie ik liever de essays dan de gedichten lees. En juist als je in de tijd terugkeert, via de Spanjaard Jorge Guillén naar de gedichten van de Peruaan César Vallejo, wordt de toon alleen maar directer. ‘Grond. Niets meer of minder./ En dat moet genoeg voor je zijn’, staat te lezen bij Pedro Salinas, een Spanjaard. De Argentijn Oliverio Girondo dicht over ‘Het pure nee’:

(…)

het nogeensnee

het postslijkkosmo nee van onreine nummen neeën die neeën neeën neeën

en nogeensneeën

Je ziet, in deze hoek van de Spaanstalige geschiedenis, waar K. Michel en Arjen Duinker in hun jongere dagen de mosterd van gehaald hebben. ‘Als de kast open is, gaapt het hele huis’, is een aforisme van Ramón de la Serna, van wie ook een prozagedichtje is opgenomen, Zelfmoord van een piano:

Ze waren de piano onder hevige belangstelling van de straat en opgewonden gekraak van de hijsbalk omhoog aan het trekken, toen het grote, verticale ding uit de kabels glipte en in duizend stukken en meer dan duizend noten uiteenspatte.

De hele stad was geschokt door de muzikale bom en je zag verdwaalde b-mollen op de verre daken en zwarte toetsen op afgelegen handschoenen.

De vermoeide piano had zich bevrijd van de eentonige lessen van de juf met het groene hoedje.

Het geeft een raar gevoel van tijd, het boek. De samenstellers kozen niet voor het anonieme heldendicht El Cid, omdat een fragment volgens hen ontoereikend zou zijn om het weer te geven. Wel zijn er de liedjes van de mysticus San Juan de la Cruz en van de andere kant van de oceaan gedichten van de non Sor Juana Inés de la Cruz, uit de zeventiende eeuw. Desengaño is de term die de samenstellers gebruiken, ontgoocheling.

In Zuid-Amerika bestond sinds jaar en dag de term post-modernismo voor die literatuur die zich afzette tegen Spanje. Zo heb ik jonge Spaanse dichters de term punk wel eens horen gebruiken voor ongeveer alles wat na Franco aan cultuur het land werd binnengehaald, zelfs al ontstond het materiaal in de tijd van The Beatles. Op reis met poëzie is altijd een leerzame vorm van desoriëntatie, om daardoor uiteindelijk aan oriëntatie te winnen.

De dichter is een kleine God is een mooie uitgave van Athenaeum-Polak & Van Gennep, dat zich vaker over poëzievertalingen mag ontfermen. Veel ruimte om te publiceren is er volgens veel poëzievertalers niet. In het laatste nummer van Parmentier staan fragmenten van de moderne Fransen Philippe Beck en Emmanuel Hocquard. Misschien niet hun beste werk, maar het biedt zicht op een ontwikkeling in het oeuvre. Verder hebben de tijdschriften weinig ruimte. Met name de Belgische uitgeverijen P en het Poëziecentrum ontfermen zich over vertalingen. Bij de laatste verscheen zojuist de bloemlezing Engel in het raam op het oosten, hedendaagse poëzie uit Roemenië.

Een verrassing is Nu de slapende honden van Ronelda S. Kamfer, een jonge dichter uit Zuid-Afrika die vertaald is door Alfred Schaffer. De bundel opent poëticaal met het gedicht Waar ik sta:

Nu zit ik aan tafel

met de vijanden van mijn voorvaderen

Ik knik en groet beleefd

maar

ergens diep van binnen

weet ik waar ik sta.

Mijn hart en hoofd staan open

en zoals welopgevoede mensen

lachen en eten we samen

maar

ergens diep van binnen

weet ik waar ik sta.

De bundel is volop een debuut. Een jonge stem die zich presenteert. Veel gedichten bestaan uit gruwelijke anekdotes, koel en ingehouden gebracht. ‘tegen de eerste pauze was er een lijk in de Skoolstraat/ een miskraam in mijn klas’. Het effect van de gedichten van Ronelda Kamfer is vooral dat je al lezend steeds beter doorkrijgt dat er geen woord gelogen is van de familie- en buurtverhalen die ze opdist. In enkele gevallen krijgen die voorvallen een mythische, verzelfstandigde status, zoals in de huisvrouw:

tante Doris was een doodnormale tante

‘s ochtends bracht ze haar kinderen naar school

in een roze geruite overall en met groene krulspelden in het haar

maakte ze de hele dag het huis schoon, deed de was en kookte

ze was een huisvrouw

op een dag in juni was het verschrikkelijk aan het regenen

maar tante Doris hing de was op, lapte de ramen

en gaf haar planten op de veranda water

later stopten een politiebusje en twee lijkwagens uit Tygerberg

voor haar huis

drie lijkzakken werden op brancards naar buiten gestoten

een grote en twee kleine

tante Doris droeg voor de eerste keer in jaren

een bloemetjesjurk en haar haren hingen in lange losse krullen

over haar schouders

ze werd in de boeien geslagen en klom achter in het busje

tegen ons nieuwsgierige omstanders riep ze dat we gerust konden gaan kijken

haar huis was schoon

Vriendjes, wijn drinken, klasgenoten, spijbelen. Het leven lijkt gewoon en de dichter Kamfer participeert - en toch schrijft ze het zo op dat het juist zo schrijnend wordt of beter gezegd: blijkt. 'sommige mensen moeten beroemd zijn/ omdat hun vreemdheid totaal niet gemaakt is’, schrijft ze in een gedicht over de legende Lolla. Op een gegeven moment raakt het werk morbide, in haast elk gedicht is er wel een lijk. Dat is niet zozeer de aard van haar poëzie als wel haar realiteit. Als ze het over stof heeft, weet je niet of ze een muffig soort stof bedoelt of stofdeeltjes. Maar die twee ruiken hetzelfde - en alles ruikt naar stof volgens haar. Opvallend is een liefdesgedicht, Ik wil: ‘Ik wil dat de aarde moet ophouden met draaien/ als ik bij je ben’ met een sterke paradox als einde: ‘Ik wil je stijf in mijn armen houden/ dan moet je tegen me zeggen: “Nu ben ik vrij”.’

De dichter is ‘niemands kind’: ze voelt zich ‘in een ouderwets kanon’ gepropt terwijl oom Jonny de lont aansteekt. Er is dood in de familie - de dichter vertelt het verhaal en ziet een foto van zichzelf als kind van zes die in de tuin geheimen aan het begraven is. Kamfer ontleed de term liefdevol: ‘Met hoeveel liefde moet je vol zitten/ om liefdevol te zijn?’ De verhouding tot de luisteraar, de toegesprokene, keert telkens terug in de bundel, getuige een titel als en als ik je eenmaal mijn verhaal heb verteld. In een ander gedicht heeft de ik-figuur haar honk verlaten. En keert ze terug naar de boerderij dan krijgt ze te horen:

blijf met je achterlijke gedichten uit onze buurt

vertel die zielige verzinsels van je maar aan de mensen

die de dienst uitmaken

je ruikt in elk geval al net als zij

Documentair, aangrijpend, confronterend. Nu de slapende honden is een zeldzame kans om een dichter op een heel andere plek aan het werk te zien, die van opvallend nabij tegen je praat.

De dichter is een kleine God: De 150 mooiste gedichten uit het Spaans. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 328 blz., € 29,95.

Ronelda S. Kamfer, Nu de slapende honden. Podium, 84 blz., € 17,50