Vertel het me hier

De sterkste filmscène die ik dit jaar zag komt uit Meet Me in Venice van Eddy Terstall. Ik zag hem afgelopen zomer en nog steeds begrijp ik niet waarom ik die scène zo goed vind. Alles erin druist namelijk tegen de elementaire regels van het drama in.

Hij gaat zo. Vader (Beppe Costa) en dochter (Roberta Petzoldt) staan aan het water in Istanbul, einddoel van een lange treinreis die ze op zijn initiatief maken, nadat ze jarenlang uit elkaar levens waren verdwenen.

‘Er is iets wat ik je moet vertellen’, zegt de vader. Dat versleten zinnetje is al fout, zou je zeggen. Zeker op een brug tijdens de schemering. Maar hij overtuigt, misschien door het goede spel, misschien door de schokkerige cameravoering (uit de hand meen ik), misschien door verkeersgeraas op de achtergrond. ‘Oké, kom mee naar een terras, dan ga ik het je vertellen.’

Nee! Nee, niet naar een terras, schreeuwt iets in mij. Mijn geduld is op. Vertel het haar gewoon hier, nu meteen.

Dan zegt de dochter: ‘Nee, vertel het me hier maar.’

Dat moment. Het emotioneert me nog steeds als ik eraan terugdenk. Maar waarom? Is het niet een ultiem symptoom van voorspelbaarheid wanneer de personages letterlijk de gedachten van de kijker beginnen uit te spreken? Want dat gebeurt, ook in de rest van de scène, letterlijk.

‘Goed dan. Ik ga dood. Niet vandaag, niet volgende week. Maar binnenkort.’

Ja, dat dacht ik al, denk ik meteen, en hetzelfde moment zegt de dochter: ‘Dat dacht ik al.’

Iets wat vanaf een afstandje clichématig lijkt, kan kennelijk precies de juiste vorm zijn om iets te presenteren

Iets wat vanaf een afstandje, naverteld, melodramatisch en clichématig lijkt, kan kennelijk precies de juiste vorm zijn om iets te presenteren, en dan moet je over bijzonder veel lef, of vakkundigheid, beschikken om dat niet te schrappen.

‘Er is iets wat ik je moet vertellen.’ Je ziet en voelt dat deze man geen woorden kan vinden, en dat hij daarom dit ene zinnetje maar heeft voorbedacht. Hij schuilt in het cliché, dat nauwelijks beschutting geeft. Dan wil de dochter niet mee naar het terras. ‘Nee, vertel het me hier.’ Ze hebben duizenden kilometers gereisd zonder dat hij vertelde waarom, zonder dat hij probeerde over hun verbroken contact te praten, zonder ook maar iets wezenlijks te zeggen. Op die hele reis heeft zij zich volgzaam en gedwee opgesteld, en nu is ze niet bereid die tien stappen naar het terras te zetten? Inderdaad, tegen die laatste tien stappen komt ze in opstand. Voor het eerst zegt ze ‘nee’ tegen haar vaders grillen. Eindelijk doet ze wat wij kijkers al die tijd al voelen aanzwellen: kom in opstand. Pik dit toch niet zomaar.

‘Vertel het me hier maar’: voor het eerst gebruikt ze tegen haar vader de gebiedende wijs, en ik weet niet meer met wie ik nu eigenlijk zo meevoel, de opstandige dochter of de gekrenkte vader.

Als voorspelbaarheid goed wordt ingezet is het een middel om het publiek indringend bij de handelingen te betrekken. Gerard Reve’s ‘verbod op het onverwachte’ is hier tot het uiterste doorgevoerd.

Ik dacht weer aan die scène toen ik in De Gids het weerwoord van Joost de Vries las in een kleine polemiek. Die ging onder meer over De Vries’ bezwaar tegen literatuur waarvan vooraf al vaststaat dat het verhaal op een ontluistering uitdraait. ‘Het gaat altíjd mis, er is alleen maar onvermogen.’ Zijn betoog overtuigt, al betwijfel ik of die voorspelbaarheid nu zo’n groot bezwaar is.

Meestal is binnen drie of vier pagina’s duidelijk of het verhaal in de kern dramatisch afloopt of niet, of het de toonzetting van de tragedie of die van de komedie heeft. Mijn voorkeur heeft altijd die eerste. Dat merk ik bijvoorbeeld nu ik halverwege in De geschiedenis van mijn tanden ben van Valeria Luiselli. Het verhaal grijpt me beduidend minder dan haar boek De gewichtlozen, en dat komt in eerste instantie doordat de eerdere speelse ernst is doorgeslagen naar dolkomisch. Openingsalinea: ‘Ik ben de beste veilingmeester ter wereld. Maar niemand weet dat omdat ik nogal bescheiden ben. Ik heet Gustavo Sánchez Sánchez maar word, ik neem aan liefkozend, ook wel Snelweg genoemd.’

Het verhaal verloopt radicaal onvoorspelbaar, met drie onverwachte wendingen per pagina, vol knap gejongleer met fictie en werkelijkheid, in de bonte familie van Tristram Shandy, het postmodernisme, Borges, Bolaño… Het is een goochelshow van spitsvondige stijlfiguren – zie de openingsparadox – maar het wil niet werkelijk contact maken, geen werkelijk medeleven opwekken, geen dramatische droom te voorschijn toveren die me nog maandenlang bijblijft.

Dat hoeft niet altijd. Niets mis met luchtig divertissement tussendoor, maar de tragedie is altijd indringender, en die loopt, voorspelbaar genoeg, nooit goed af.