Vertellingen vanaf de rand

IN DE NEDERLANDSE media is er nauwelijks nog aandacht voor Peter Handke. Onlangs kwam de Nederlandse vertaling uit van Mein Jahr in der Niemandsbucht, een gebonden boek van bijna zevenhonderd pagina’s. Heel dapper van uitgeverij De Prom, die het voor elkaar heeft gekregen alweer zes boeken van Handke in schitterend uitgevoerde vertalingen op een onwillige markt te brengen. De moed werd niet beloond. Mijn jaar in de Niemandsbaai kreeg alleen nog in het Nieuwsblad van het Noorden een recensie.

De andere kranten volstonden met een vermelding in de ‘Nieuw verschenen’-rubriekjes. Voor zover ik het heb kunnen nagaan, werd de oorspronkelijke versie van het boek alleen in NRC Handelsblad besproken. (En dan ook nog in een recensie waaruit diepe weerzin sprak.) Sindsdien zijn er alweer twee kloeke Handkes verschenen, de roman In einer dunklen Nacht ging ich aus meinem stillen Haus (320 bladzijden) en een verzameling notities van 541 pagina’s, Am Felsfenster morgens. Het kan zijn dat ik het gemist heb, maar daarover heb ik in de Nederlandse pers helemaal niets gezien.
Er was in 1996 nog enige verontwaardigde aandacht toen Peter Handke zijn provocerende tekst Gerechtigkeit für Serbien publiceerde, waarin hij op poëtische wijze de Servische traditie beschreef en daarmee zo ongeveer alle Europese intellectuelen over zich heen kreeg. Maar die aandacht was eerder politiek dan literair. Het onderwerp was de schuldvraag in Joegoslavië, niet bijvoorbeeld de kwestie wat zo'n tekst betekent in het oeuvre van Handke.
ALS SCHRIJVER lijkt Peter Handke stilzwijgend tot randfiguur verklaard. Hij valt ook moeilijk als symbool te plaatsen, wat hem mediageschikter zou maken. Zoals bijvoorbeeld de zelfverklaarde conservatief Botho Strauss, of Günter Grass, profetisch boegbeeld voor links. Ooit kon Handke tot de succesvolle smaakbepaler van het nieuwe schrijven uitgeroepen worden, toen de roman, net als God, dood werd verklaard en de vlag van het experiment werd gehesen. Maar ook in de uitgedunde kringen van het andere schrijven geldt de te veel op het persoonlijke gevoel gerichte Handke niet meer als zoeklicht. Dat is in Nederland zeker al zo sinds J.F. Vogelaar hem in 1979 in een streng Raster-stuk verwierp. Maar goed, toen was er tenminste nog een literair debat over Handke. Leon de Winter nam het voor Handke op, Bernlef bekleedde een milde tussenpositie.
Je hoeft niet zo heel veel van Handke gelezen te hebben om te weten dat bij hem alles zich sowieso al aan de rand afspeelt. De vertellingen, zoals hij ze zelf graag noemt, ontrollen zich in de luwte van de voorstad, gezien door de hoofden van gemarginaliseerde personages, dwalend en denkend in eenzaamheid. Het lot dat zijn boeken treft, was dus al het lot van zijn personages.
DE RECENTE ROMAN In einer dunklen Nacht ging ich aus meinem stillen Haus handelt over een apotheker die leeft in een anoniem woongebied tussen een vliegveld en de afslag van een snelweg. (Raadselachtig genoeg werd er aan het einde van de roman daarvoor, Mijn jaar in de Niemandsbaai, op gezinspeeld dat Georges Simenon dit boek over de apotheker zou schrijven!) De bewuste apotheker wandelt in een bos en krijgt een klap op zijn hoofd, waardoor hij zijn spraakvermogen en zijn werkelijkheidszin verliest.
De notities die werden opgenomen in Am Felsfenster morgens werden gemaakt toen Handke werkte aan zijn romans Der Chinese des Schmerzes (1983), Die Wiederholung (1986), Der Nachmittag eines Schriftstellers (1987) en Die Abwesenheit (1987), en in al die boeken draait het om dolende enkelingen, soms letterlijk in de buurt van vliegvelden en snelwegen, soms in naamloze buitenwijken van steden. Gebieden die er niet toe doen. Personages die er niet toe doen.
Steeds maar meer over hetzelfde. Nu weten we het wel. Je zou het ook intrigerend kunnen vinden. Waarom kiest Handke telkens voor hetzelfde startpunt? Wat heeft hij daar te zoeken? Weet hij het zelf wel? Maar de media zijn lui van zichzelf. De media zullen zich enkel iets afvragen wanneer ze gevoed worden met nieuwe impulsen. Kwestietjes.
DE BOEKEN van Peter Handke beschrijven een ontsporing, ze gaan over het geraken van de hoofdpersoon - die eigenlijk altijd dezelfde is - in een matte toestand van verlammende verbazing. Die wordt door Handkes recensenten nogal eens voor religieuze beleving aangezien. Maar zo veel wordt er echt niet beleefd. Ja, in één boek. Maar dan is het ook goed raak, in Het uur van het ware gevoel. Daar kom ik later op terug. Meestal leidt het ronddwalen in de buitenwijken, waar de eindhalte van de tram is en nog net de lichtstraling van het stadscentrum te zien valt, tot geen enkele vorm van satori. Het leidt alleen maar tot iedere ochtend weer opnieuw de potloden slijpen en achter de schrijftafel plaatsnemen om bedachtzaam hernemend de amorfe vormeloosheid uit te drukken.
Zo'n gegeven spreekt natuurlijk weinig toekomstige lezers aan. Dan moet je welhaast dwangmatig gespitst zijn op het wonder van de plotseling bovendrijvende literaire schoonheid en niets dan dat. Dat laatste valt er bij Handke wel te vinden. Peter Handke schreef boeken met alleen maar schitterende taal. Vind ik. Die boeken zijn ook in het Nederlands vertaald. Je kunt ze in de ramsj vinden. De Chinees van de smart is zo'n boek. Het uur van het ware gevoel. De angst van de doelman voor de strafschop. Essay over de jukebox. De korte brief bij het lange afscheid. Namiddag van een schrijver. Essay over de moeheid. Langzame terugkeer.
Van enige handeling, laat staan een plot, is in die boeken geen sprake. Er is veel trage reflectie. Er wordt de archeologie van landschappen in beschreven. Er worden geen gevoelens in uitgedrukt door handelingen. Er worden slechts gevoelens in geduid door omwegen in een soort taal die zich tegen identificatie en verbeelding verzet. Zinnen van dit type: 'De opeenvolging van omsloten binnenplaatsen verbreedde zich tot de opeenvolging van open pleinen.’ (Namiddag van een schrijver.) Een heel overzichtelijk voorbeeld. Moeizamere omschrijvingen zijn het vaker, van waarnemingen en geestelijke toestanden die grenzen aan het onbegrijpelijke. Waardoor je niet goed meer weet of er iets zeer subtiel wordt uitgedrukt of dat er wordt geraaskald: 'In zijn gezicht had Sorger een gevoel van de lucht alsof dat de hervonden werkelijkheid was en alsof die hem als gelukslucht in het gezicht blies.’ (Langzame terugkeer.)
In de oudere boeken, als De korte brief bij het lange afscheid (1972) en De angst van de doelman voor de strafschop (1970) wordt met abrupte overgangen in korte zinnen de absurditeit van de alledaagse willekeur weergegeven, op een wijze die opvallend sterk doet denken aan jongere schrijvers als Jean-Philippe Toussaint. In de latere boeken gaat Handke, op volstrekt niet-ironische wijze, op zoek naar zingevende verbanden, waarna zijn uitdijende zinnen door interne zwaartekracht lijken te imploderen. Loodzware zinnen zijn het die je als lezer met veel geduld moet openpeuteren. Dat roept irritatie op, natuurlijk. Al is het maar omdat elk overzicht van het verhaal zoek lijkt en het dus wel erg moeilijk wordt de draad weer op te pakken.
Neem nu Mijn jaar in de Niemandsbaai. Wat een weerbarstig, afwerend boek is dat. Nog erger dan de andere. Het andere werk van Handke mag met opzet lijden aan een gebrek aan handeling, maar bij nader inzien blijkt het wel degelijk een uitgedachte structuur te bezitten. Een lijn. Dit dan uiteraard met uitzondering van notitieboeken als De geschiedenis van het potlood, die zo'n ambitie ook helemaal niet hebben, dus dat scheelt dan weer. Maar in bijvoorbeeld De korte brief bij het lange afscheid is er duidelijk sprake van een paar dat uit elkaar gegaan is, vervolgens in een rommelige reis door Amerika elkaar tegelijkertijd tracht te ontlopen en te hervinden. Een spanningsboog dus. En het leidt tot iets. Bijna zelfs - hoe traditioneel - tot een moord als de twee elkaar tegenkomen. In andere boeken is er een overzichtelijk tijdsbestek. Als in het heldere - en schitterende! - Namiddag van een schrijver. Ook bij het dwalende verloop van De Chinees van de smart is er uiteindelijk een vormgevend principe te vinden in de vorm van een - halfslachtige - hereniging van geliefden. Hoe vaag ook, er is een verhaal en het komt tot een ontlading.
MAAR WAT ER in het dronken zwalkende, in zichzelf verknopende Mijn jaar in de Niemandsbaai nu eigenlijk vormgegeven wordt, ik zou het bij god niet weten. Het boek valt, haast letterlijk, in zinnen uiteen. In alinea’s, hoofdstukjes, waarin de schrijver even naïef als bedachtzaam verzinkt na zijn eerste inzet. Ik geloof niet ooit een doellozer boek gelezen te hebben. Haast onmogelijk, vooral bij eerste lezing. Want dan blijf je je toch afvragen waar dit alles heen moet, en dit frustrerende afvragen gaat je behoorlijk in de weg zitten.
Het vreemde is dat Mijn jaar in de Niemandsbaai juist begint met een galmend akkoord: de ik-persoon - een schrijver, wonend in een voorstad van Parijs aan de rand van snelwegen en doorgaande treinlijnen - heeft iets meegemaakt dat alles in zijn leven veranderde: een metamorfose. Hem is overkomen waarnaar al die personages in die vorige boeken van Handke alleen maar machteloos hunkerden. Met uitzondering dan van de emotionele bominslag die Gregor Keuschnig overkomt in Het uur van het ware gevoel, waarin een ervaring wordt beschreven van eenheid met de buitenwereld, dus wel degelijk van een religieus satori. Een ervaring die een heel leven rigoureus veranderde. Hoewel? Had die verandering anders niet net zo goed plaatsgevonden? Nu goed, zelfs van die literaire twijfel is geen sprake meer bij de metamorfose in Mijn jaar in de Niemandsbaai. Alleen de schrijver heeft niet genoeg aan die ene metamorfose. Hij wil er nog een. Want de metamorfose is uitgewerkt.
Dat leren we uit de eerste twee bladzijden van het boek. Er wordt een concrete verwachting geschapen, bijna on-handkiaans, zo duidelijk: 'De nieuwe metamorfose ben ik besloten hier in dit landschap, als woonachtige, te laten gebeuren.’ Vervolgens wordt er bijna zevenhonderd pagina’s van dit onderwerp afgedwaald. Soms komt de metamorfose nog terug, maar dan als probleem. En ergens middenin wordt nog weer eens een compleet nieuwe roman opgezet, met andere, doelnde personages, terwijl de ik-persoon op zijn 'baai’ tussen de heuvels blijft.
MAAR OOK die nieuwe roman in de roman blijft in een halfslachtige poging steken. Net als de vele vage opzetjes tot een essay, meestal de alinea niet voorbijkomend. Dat is dan weer precies zoals de als essay aangekondigde boeken van Handke, die de status van essay nooit bereiken, omdat ze blijven hangen in een onaf reisverslag dan wel een schets voor een novelle, gelardeerd met ijle overpeinzingen die het nooit tot betoog brengen. Het valt in deze zogenaamde essays nog te overzien. Er is iets dwingends in de tekst, omdat Handke terug blijft keren van het pad waar hij van afdwaalt en zo de lezer voor zijn geduld beloont. Maar in Mijn jaar in de Niemandsbaai is het grensoverschrijden tot een dwangmatig zwalken geworden. Het mist ieder doel. Het is wanhopig. Paniekerig. Je wordt er gek van.
Als lezer vergaat het je als de ik-persoon van het boek. Handke beschrijft het dolen van zijn personage op een gegeven moment in Disney-achtige kitschbeelden; de eenzaamheid en de waanzin die zijn personage ondergaat, juist - uit zelfbescherming? - bespottend in bordkartonnen beelden van de dood: 'Heen en weer gaat het sinds het begin van dit jaar met mij. De ene keer zie ik mij met mijn onderneming onderweg in een luchtkussenvoertuig, gloednieuw, hypermodern, dat alleen maar voor korte tussenstukjes door nauwe donkere ruimten met krijsende skeletten duikt, en dan weer doet het geheel zich omgekeerd aan me voor als een niet eindigende rit door een spookhuis, de openlucht buiten, de wijdheid, de natuurlijke kleuren ternauwernood bij momenten voorbijflitsend voordat het bij zwiepende zeisen en blikkerende gebitten weer een hele dag lang door niets anders dan zwarte coulissen verdergaat.’
Ik neem aan dat Handke, tenslotte een ervaren schrijver, heeft gekozen voor deze tegenstribbelende anti-structurering en dat dit hem niet alleen uit onmacht overkwam, ook al is de onmacht nog zo nadrukkelijk het thema bij zijn bespiegelingen over het schrijven zelf. Ik zou me kunnen voorstellen dat Handke in dit geval, meer nog dan anders, eist van de lezer dat die zich op eigen kracht een weg ploegt door de klevende taaldrab. Opdat bij het volbrengen van de leestaak de overwinning des te groter zal zijn. Dan kan het herlezen in alle rust aanvangen. En met het herlezen komt ook bij Mijn jaar in de Niemandsbaai het grote genieten. Beloofd is beloofd.