Essay: Cultuurpessimisten zien overal het einde van de beschaving

Vertolker van de waarheid van gisteren

Cultuurpessimisten zien vaak tekenen dat het einde der tijden nabij is. Publiek intellectueel Arnold Heumakers meent in zijn essaybundel ‹De schaduw van de Vooruitgang› dat de cultuurcriticus telkens het nieuwe van de veranderingen mist omdat hij ze met oude ogen bekijkt. Wat hem niet per se ongelijk hoeft te geven.

Het moest maar eens afgelopen zijn. Op 8 januari nam rector magnificus Paul F. van der Heijden tijdens de Diesviering van de Universiteit van Amsterdam de gelegenheid te baat om wetenschappers die zich buiten de universitaire gangen mengen in het publieke debat de oren te wassen. In medialand, zo is zijn punt, worden academici niet afgerekend op hun vrijblijvend gespuide opvattingen. Wel aan de universiteit, waar een adequate kwaliteitscontrole bestaat. Daar volgt na het verkopen van onzin geduchte straf, terwijl je in het openbare debat met alles wegkomt.

In zijn betoog zijn het allemaal slappe praatjesmakers, van Ronald Plasterk, Bart Tromp, Maarten van Rossem, Ger Groot, Marga Trappenburg en Paul Cliteur tot Stephen J. Gould, Roger Scruton, Stephen Hawking, Jürgen Habermas en Richard Rorty. Dreigend voegde Van der Heijden aan zijn analyse de vraag toe: «Zou het zo kunnen zijn dat de meest publieke onder de publieke universitaire intellectuelen in hun vakgebied niet tot de besten of de top worden gerekend?» Van der Heijden geeft geen antwoord, maar noemt dit laf «een interessante hypothese die misschien eens voor een volgende Diesrede kan worden bestudeerd».

Dat is niet nodig. Hier volgt het antwoord direct: nee — publieke aandacht is níet een graadmeter voor wetenschappelijke kwaliteit. De Plasterken en Trompen worden natuurlijk niet in eerste instantie uitgenodigd vanwege hun wetenschappelijke verdiensten, maar om hun scherpte, wit en vermogen om ingewikkelde academische kwesties te verwoorden voor een breed geïnteresseerd publiek.

De gedachte dat aan de universiteit, anders dan in de media, adequate kwaliteitscontrole plaatsvindt, getuigt van een grote overschatting van het instituut dat Van der Heijden leidt. Publieke intellectuelen verdwijnen na verloop van tijd nog wel eens van de buis of uit de krant. Zo verloor Maarten van Rossem kort na 11 september zijn column in de Volkskrant omdat de hoofdredactie meende dat hij al te laconiek over het wereldbedreigende terrorisme schreef.

Aan de universiteit is zoiets onmogelijk. Daar wordt zelden iemand ontslagen of berispt omdat hij of zij er bij herhaling aantoonbaar naast zit. Zelfs de valse «ontmaskeraar» van Gerrit Komrij in de bizarre Rasoel-affaire, professor Teun A. van Dijk (tevens auteur van De ondergang van Nederland), heeft nog altijd een aanstelling. Ook al is hij, zoals wel meer spook professoren, voor studenten nooit aanspreekbaar omdat hij in Spanje verblijft. De laatste jaren moest alleen René Diekstra het veld ruimen. Niet omdat zijn collega’s hem op de vingers tikten, maar omdat het vermaledijde journaille had ontdekt dat hij hele hoofdstukken uit Amerikaanse boeken overschreef.

Aan Van der Heijdens behoefte zich van de populaire wetenschapper te distantiëren, ligt wellicht ook een portie ressentiment over onvervulde beloften ten grondslag. Zijn rede ontbeert in elk geval de stilistische kwaliteiten die nodig zijn om zijn pennenvruchten in de kolommen van krant of weekblad te krijgen. Maar het merkwaardigste van zijn rede is wel dat Van der Heijden meent dat het verspreiden en toepassen van wetenschappelijke kennis een modeverschijnsel betreft, geïnitieerd door naar populariteit zoekende professoren.

Zo ver is het dus gekomen met de specialisering in de wetenschap: de universiteit is inmiddels zo in zichzelf gekeerd dat een eminent vertegenwoordiger ervan, de rector magnificus nota bene, meent dat hij moet waarschuwen voor het tonen van wijsheid, kennis en inzicht aan een groter publiek dan het eigen vakvolk. Wat betekent het voor de kwaliteit van de samenleving wanneer de universitaire publieke intellectueel doet wat Van der Heijden wil, en met de staart tussen de benen terugkeert naar zijn zweethok tussen de vakgenoten? Je vraagt je af hoe de rector zich de westerse beschaving had voorgesteld zonder de inbreng van de aan universiteiten aangestelde intellectuelen als José Ortega y Gasset, Michel Foucault, Bertrand Russell, Karl Popper, Jean-Paul Sartre en John Maynard Keynes — om er een paar te noemen. En je vraagt je tegelijk af wat er nog over is van de beschaving wanneer zelfs de rector magnificus van een gerespecteerde universiteit hun bijdragen aan het publieke debat niet meer op waarde weet te schatten.

Deze kritiek is typisch voor de cultuurpessimistische diagnoses zoals die dagelijks te vinden zijn op de opiniepagina’s van de dagbladen. Terwijl de Vooruitgang zelfverzekerd voortschrijdt op de wetenschaps- en economiepagina’s constateert de cultuurpessimist elders in de krant een dwaling — of in dit geval misschien zelfs een blunder — die hij, in breder maatschappelijk perspectief, ziet als onderdeel van het algemeen verval der mensheid: een teken dat het einde der tijden nabij is en dat we ons bevinden in de epiloog van de beschaving.

Allereerst wordt de dwaling vet aangezet, een sterk verhaal doet het immers altijd goed. Zo schreef Cyrille Offermans in een essay dat was gewijd aan aartsmopperaar George Steiner over een jongeman die tijdens zijn studie Nederlands tot de verrassende ontdekking was gekomen dat «die Jezus» en «die Christus» dezelfde persoon zijn. En een hoogleraar die colleges Italiaanse kunst geeft, vertelde dat een student hem, toen een madonna met kind onderwerp van gesprek was, zonder gêne vroeg: «Ik zie Jezus wel, maar wie is die vrouw nu toch?»

Dan volgt een onrustbarende duiding van de waargenomen verschijnselen. Het kan er in de doodsadvertentie van de beschaving wild aan toe gaan. Sleutelbegrippen: technologische afhankelijkheid, vervreemding van natuur en cultuur, dominantie van geld en gewin, afstomping, sensatiezucht, desinteresse, milieuproblemen, haast, normvervaging et cetera.

De grondtoon is altijd zorgelijk. Eigenlijk over alles. Je kunt het zo gek niet verzinnen: van de opkomst van het schrift (Socrates) en het eten van bonen (Pythagoras), tot de commercialisering van de free-fight (Erica Terpstra). Vervolgens doordrenkt de cultuurpessimist zijn betoog met een permanent besef van verlies. Verlies van Waarheid en Gerechtigheid, van een hiërarchie van waarden, van sensibiliteit, spiritualiteit, schoonheid en een eenduidige metafysica. En de grote vragen worden daarbij niet geschuwd: «Wat is vooruitgang? Wie zijn we? Waar gaan we naartoe?»

Hoe opzwepend die doodsberichten soms ook zijn, de cultuurcriticus Arnold Heumakers, die «veel genoeglijke uren» met ze heeft doorgebracht, spreekt terecht over de «monotonie van de cultuurkritiek», en van «voortdurend dezelfde clichés». Ook Heumakers behoort tot de door Van der Heijden beschimpte publieke intellectuelen: hij is aan een universiteit verbonden en productief scribent van een dagblad. Zonder enige universitaire kwaliteitscontrole schreef hij de afgelopen jaren de beste beschouwingen over het perpetuum mobile van de onheilsprofetie, in buiten-universitaire bladen als De Revisor, De Gids en Maatstaf.

Je komt ze er allemaal in tegen: Spengler, Benda, Lasch, en zelfs Frans Thomése en Allan Bloom, al spreekt Heumakers liever van «cultuurcritici» dan van «cultuurpessimisten». Dat is begrijpelijk, want zijn aandacht voor culturele zelfreflectie brengt hem voorbij de bekende cultuurpessimisten.

Het zijn niet de minste dichters en denkers wier strijd tegen de tijd Heumakers bestudeert. Zo vindt hij bij Baudelaire de vooruitgang beschreven als «de idolatrie van de geschiedenis» en als een «doctrine van luiwammesen», en «van Belgen»; een idolatrie die slechts leidt tot een algehele verloedering der harten», en tot «verdierlijking» en «amerikanisatie». Bij Jean-Jacques Rousseau en Du Perron vindt Heumakers de strijd tegen de tijd vermomd als autobiografie, waarin alleen de hoofdpersonages niet deel uitmaken van de malaise die ze zelf beschrijven. Bij Rousseau is «de wereld» — zo vat Heumakers het mooi samen — «ten prooi gevallen aan de corruptie van leugen en schijn; alleen Rousseau niet, en daarom is hem er alles aan gelegen zijn persoonlijke verschil met de wereld en zijn medemensen te onderstrepen». En in twee prachtige nieuwe essays weet hij Heidegger zelfs in het kamp der onheils profeten onder te brengen, terwijl deze filosoof zich in zijn duistere geschriften altijd nadrukkelijk distantieerde van het label cultuurpessimist. (Heidegger is bijvoorbeeld de auteur van de befaamde, ook in het Duits rijmende zin: «Men moet niet klagen, maar vragen.») Sterker, Heumakers weet zelfs aannemelijk te maken dat Heidegger de grootste, of althans interessantste cultuurcriticus van zijn tijd was.

De titel van Heumakers’ bundel De schaduw van de Vooruitgang, zo dicht bij die van Johan Huizinga’s In de schaduwen van morgen, doet vermoeden dat Heumakers zichzelf ook schaart onder de cultuurpessimisten. Maar dat is schijn. Hij schrijft over de traditie van de cultuurkritiek, die glorieert in de schaduw van de vooruitgang. Heumakers legt de vinger precies op de zere plek. Zijn grootste bezwaar tegen de cultuurpessimistische geschriften is dat de cultuurcriticus zelf altijd buiten schot blijft. Want hij, die het heeft gezien, hoort niet tot dat voze, onheilszwangere en verdorven tijdsgewricht. Cultuurcritici spreken over het heden in een taal die «geweven is van dezelfde stof als de wereld waarover zij iets zouden willen zeggen».

Heumakers wijst erop dat Du Perron zijn hoofdpersoon Arthur Ducroo in Het land van herkomst laat zeggen dat hij nooit het «wezenlijke» zal opschrijven, «omdat het te dichtbij en te levend is. Alleen het verleden laat zijn brokstukken groeperen, en het heden dat ik aanvat herbergt altijd iets nieuws.»

Cultuurcritici, zo maakt Heumakers duidelijk, blijken niet in staat de geschiedenis als «verandering» te zien. De cultuurcriticus «mist telkens het nieuwe van de veranderingen» omdat hij ze met oude ogen bekijkt. De cultuurpessimist vertolkt altijd de waarheid van gisteren. Zoals Paul Valéry schrijft: achteruit treden we de toekomst binnen. Volgens Heumakers hollen alle kampioenen van de onheilstijding achter de feiten aan, omdat zij veranderingen slechts in termen van verlies kunnen zien.

Toch, erkent ook Heumakers, is het moeilijk om van het ongelijk van de cultuurkritische diagnoses te spreken. Natuurlijk, menigeen is voor de verleiding bezweken badinerend te spreken over de apocalyptische visioenen van denkers als Ortega y Gasset en Huizinga. Want hoezo einde der tijden? Is de vooruitgang sindsdien niet alleen maar voortgeschreden? Zijn de technologische mogelijkheden niet uitgebreid? En is het bruto nationaal product verhoogd? Maar die vragen gaan niet op. Want mocht Spengler of Ortega y Gasset plotseling een kijkje komen nemen in de wereld van 2003, dan zouden beiden waarschijnlijk juist hun gelijk bevestigd zien. Zie je wel: het Avondland is ondergegaan en de massamens regeert.

Hun wereld is wel degelijk vergaan.

Gelijk of niet, de vraag blijft wat de drijfveren van de zwartkijkers zijn. Waarom telkens opnieuw de doodsklok luiden voor de beschaving? En met zoveel aplomb, zoveel intensiteit? Heumakers is daar niet naar op zoek; hij concentreert zich op de geschriften. Toch is het ook verleidelijk om daarnaast naar nieuwe inzichten in de hedendaagse psychologie te kijken in de hoop een zekere geestesgesteldheid te vinden, of een grondhouding — geworteld in de psyche van de cultuurcriticus — die horden denkers er telkens weer toe brengt de tijdverschijnselen zo onheilspellend te duiden.

Een gelukkige bijkomstigheid is dat het voortschrijdend inzicht in de studie naar de menselijke geest in het laatste decennium een nieuwe school heeft opgeleverd die hierbij kan helpen. Het gaat om de zogenoemde «positieve psychologie», waartoe een groeiend aantal onderzoekers zich in de laatste jaren heeft bekeerd. Een overdreven interesse voor trauma’s, stress en ander psychisch ongemak ontneemt de wetenschapper het zicht op de werking van de menselijke geest die gek genoeg meestal in relatief goede, gelukkige staat verkeert. Om het onderzoek naar de oorzaken daarvan te stimuleren, werd twee jaar geleden zelfs het Journal of Happiness Studies opgericht.

Het begon in de jaren zeventig bij de (antipyschodynamische) cognitieve psychologie van Aaron Beck. Na een opleiding in freudiaanse stijl kreeg hij de taak groepstherapie voor depressieve mensen te leiden. Sinds Freud domineerde de gedachte dat depressie kan worden genezen door de patiënt zijn eigen verleden te laten oprakelen. Dat bleek niet moeilijk: depressieve mensen gingen makkelijk in op nare gebeurtenissen uit het verleden. Maar het probleem, zo ondervond Beck, was dat ze er vaak niet meer uit kwamen en volledig instortten. Toen de therapie zelfs tot zelfmoordpogingen leidde, soms met fatale afloop, gooide Beck het roer om. Tegen de psychodynamische theorie in raadde hij zijn patiënten aan zich voortaan te concentreren op het waardevolle uit het verleden, om daar dankbaarheid voor te vinden en zich verder vooral te bekommeren om heden en toekomst.

Deze nieuwe therapie is inmiddels staande praktijk voor de belangrijkste exponent van de positieve psychologie, de Amerikaan Martin Seligman. Ooit gerespecteerd door psychologen van allerlei pluimage werd hij zelfs voorzitter van de belangrijkste beroepsvereniging van psychologen. Maar net als Beck is hij een spijtoptant, hij kreeg er genoeg van exclusief aandacht te besteden aan het menselijk tekort. Enkele maanden geleden verscheen de Nederlandse vertaling van zijn laatste boek, Authentic Happiness. Een wonderlijk werk, dat in de boekhandel verzuipt tussen de zelfhulpboeken van charlatans als Robbins, Ratelband en Diekstra.

In zijn nieuwste boek benadrukt Seligman dat de hedendaagse mens — en psychologen niet in de laatste plaats — een volstrekt overspannen geloof hecht aan de helende kracht van de psychiater. Volgens zijn positieve psychologie is ieder mens toegerust met een soort interne thermostaat, zoals hij dat noemt, of beter, met een homeostase, een interne regelaar van gelijkmatigheid die externe schokken opvangt, zowel van geluk als ellende. Mensen zijn niet zo snel uit het lood te slaan; het individuele geluksniveau is weinig flexibel.

Seligman geeft eindeloos veel voorbeelden. Als een depressieve vrouw na jarenlange therapie plotseling 22 miljoen dollar van de loterij krijgt uitgekeerd, verandert haar leven compleet. Alle kinderen kunnen naar de universiteit, en geen materiële behoefte blijft onbevredigd. Aanvankelijk wil ze niet meer naar therapie: ze lijkt volmaakt gelukkig. Maar na enkele maanden overheerst haar depressieve grondstemming weer, geheel als vanouds. Haar psychische homeostase is teruggesprongen in de oude stand. Die staat op donker. Weinig aan te doen.

Seligman heeft een test ontwikkeld die deze grondstemming meet, de VIA Signature Strength Questionnaire. Na 245 vragen (te vinden via www.authentichappiness.org) weet je wat de bandbreedte van je geluk is. Seligman zelf scoort laag op zijn eigen test: hij blijkt zwaarmoedig ingesteld, een geboren pessimist. Slechts tijdelijke fluctuaties in grondstemming zijn mogelijk, zo benadrukt Seligman, net als in het algehele misnoegen met de cultuur en samenleving. Gebeurtenissen kunnen tijdelijk het gemeenschappelijk beleefde humeur vergallen of juist het collectief ervaren enthousiasme verhogen.

Tegenwoordig hebben veel cultuurpessimisten het op het postmodernisme voorzien. Heumakers laat zien dat al sinds honderd jaar bijna alle cultuurpessimisten ervan overtuigd zijn dat, in een tijd die met alle metafysica meent te hebben afgerekend, het op de lange duur onmogelijk is kinderen aan te zetten tot inspannende en beschavende activiteiten. Want in een labbekakkerige postmoderne maatschappij, waarin geen geloof meer wordt gehecht aan een eensluidende Waarheid, aan een hiërarchie van waarden en aan de intrinsieke waarde van de westerse beschaving, is er geen enkele reden meer je nog langer bovenmatig in te spannen om je die beschaving eigen te maken. Hedonisme is dan de maat der dingen, zo is de gedachte, er zal nog slechts worden geconsumeerd, gecopuleerd en gedronken.

De ongeldigheid van deze gedachte wordt getoond door de nieuwe positieve psychologie. Eén van de pioniers ervan, de Hongaars-Amerikaanse psycholoog Mihaly Csikszentmihalyi, ontneemt, zonder het zelf in de gaten te hebben, deze troefkaart van de cultuurpessimisten met het door hem gemunte begrip «flow». Uit eindeloos veel testjes en experimenten bleek dat activiteiten waarvoor mensen moeite moeten doen om ze tot een goed einde te brengen veel meer bevrediging schenken dan de genoegens die je zonder noemenswaardige inspanning kunt verwerven. Tijdens het lezen van een boek, het oplossen van een cryptogram, het spelen van een pot tennis of zelfs het bereiden van een maaltijd, raakt de mens in een zekere flow — een staat van onthechting. Daarin verliest hij tijdelijk het bewustzijn van tijd, en vooral van zichzelf.

Niet alleen naderhand, maar zelfs tijdens deze staat van flow (daarnaar gevraagd door psychologen) werden deze inspannende activiteiten nooit als «vervelend» ervaren. De frequentie van deze staat van onthechting is een graadmeter voor geluk, terwijl eenvoudige en verleidelijke activiteiten als het eten van een ijsje, het kopen van een nieuwe jas of het spelen van computerspelletjes, maar een kortstondig effect hebben op het gemoed. Televisiekijken heeft zelfs een averechtse uitwerking. Tijdens het kijken naar familie-comedy’s en soaps op televisie maten psychologen een mild-depressieve stemming.

Het is dus «bewezen» dom om voor de verleidingen van het eenvoudige vermaak te vallen. Maar belangrijker nog: een a-priori-geloof in gecanoniseerde waarden van de westerse beschaving is helemaal niet nodig om mensen aan te zetten tot beschavende activiteiten als lezen en gedisciplineerd denken. Juist genotzucht zal ze naar de boeken en naar Beethoven blijven drijven. Want anders dan de cultuurpessimist vermoedt, zijn de vruchten van de beschaving lekker; niet alleen moeilijk en goed.

Bij een flow hoort een totaal verlies aan zelfbewustzijn, het tegendeel van contact met de eigen gevoelens. Dat past perfect in Seligmans straatje. Om de bandbreedte van je grondstemming zo ver mogelijk naar boven op te rekken, is het dus niet verstandig te veel over jezelf te denken. Want verdringing werkt. Na een eeuw lang psychologie in de geest van Freud, Jung en later Maslow en Skinner komt de wetenschap uiteindelijk weer terug bij het gezond verstand van oma en de barman. Ongelukkig? Niet te veel over praten. En vooral: doe iets. Het liefst arbeid die moeite kost.

Of dit advies ook de getroebleerde cultuurpessimist helpt, is maar de vraag. Hij zou al gelukkig moeten zijn: hij schrijft en leest immers al. Ook zijn onheilsprofetie zal er niet noodzakelijkerwijs door veranderen. Bovendien is het onduidelijk of iedereen die verval signaleert daar zelf sterk onder lijdt.

Vooral Johan Huizinga zou wel eens een opgewekte cultuurpessimist kunnen zijn geweest, leuk voor vrouw en kinderen. Terwijl Paul van der Heijden, die slechts een «misstand» aan de kaak stelde, misschien wel een heel chagrijnige man is. Veel aantrekkelijker is het natuurlijk om te weten hoe Jean-Jacques Rousseau, Ernst Jünger en Paul Valéry op Seligmans test zouden scoren.

Maar de essays van Heumakers laten stuk voor stuk zien dat het veel interessanter is de cultuurcriticus niet alleen als onverbeterlijke chagrijn te zien, maar zijn cultuurkritiek volledig au sérieux te nemen. Dat vergt natuurlijk ook meer inspanning. Wat weer leidt tot meer voldoening.

Toch is het jammer dat niemand ooit heeft geprobeerd een psychologisch archetype van de cultuurpessimist op te sporen. Maar om die omissie nu een onheilspellend teken des tijds te noemen? Nee, dat gaat te ver.