Vertrek

‘Het stinkt hier’, zei M. Snuivend liep ze door de gang, de woonkamer in, het strijkhok, de slaapkamer. ‘En het is bloedheet.’

Ik schoof het raam open. Vanaf de elfde verdieping keken we naar de plas beneden. Aan de overkant vormden een paar hijskranen en containers de magere bewijsvoering dat de Floriade daadwerkelijk zou gaan plaatsvinden in 2022.

‘Is het niet merkwaardig’, zei ik, ‘dat je niet meer echt aan de nabije toekomst kunt denken zonder je af te vragen of de wereld dan nog wel bestaat.’

We dachten aan onze vriendin E in Antwerpen, die het Spaans benauwd kreeg van de verregaande coronamaatregelen en zich ernstige zorgen maakte over de erodering van de democratie, verregaande privacyschending en de inperking van burgerrechten. ‘Denk aan Beiroet’, had M haar gezegd, ‘denk aan Wit-Rusland.’ Het was bedoeld als geruststelling.

Kwaad plofte M op de bank. ‘Je bent kwaad’, zei ik.
‘Klopt’, zei M.
‘Omdat het zo lang duurde met dat bestelbusje en die dozen…’
‘Nee.’
‘Kijk’, zei ik, ‘het slot van de deur hier is een touchscreen.’
‘Dat bedoel ik’, zei M.

Tot mijn eigen verbazing was ik weinig sentimenteel geweest de afgelopen weken. Ik had van mijn huis aan het park gehouden, heel erg veel zelfs, en de jaren dat ik er woonde had ik de dag gevreesd dat ik eruit zou moeten. Toen de afstand tot die dag op de vingers van twee, en daarna op die van één hand te tellen was, kon ik op een vreemde manier niet wachten tot het leeggeruimd was, ontzield, achtergelaten. Ik wilde een slagveld na de slag, de lijken tellen, ze de rug toekeren. Mijn leven losweken van mijn leven.

Zonder het huis zouden de geliefden die erin hadden geslapen losse eilandjes zijn, van afgebakende tijd

Toen het eenmaal zover was, het huis gestript, niet al te schoon, de verkleuringen in het linoleum het enige bewijs dat ik er al die jaren was geweest, mijn hond nerveus en blootgesteld, geen bank of kast of bed om onder te schuilen, geen lampen meer om de pitjes, geen pitjes meer, toen mijn laatste spullen afgedankt bij het grofvuil stonden en werden getroffen door een windvlaag die mijn oude bureaustoel aan het rijden bracht, toen mijn koelkast werd opgehaald door een jongen die hem als een lijkkist in zijn stationwagen stak, welde er alsnog een verdriet in me op dat ik niet anders kan omschrijven dan hartverscheurend, schokkend zelfs, veel krachtiger dan mijn vermogen er op een waardige manier enige afstand toe te bewaren.

Natuurlijk ging het niet om de bestaande, objectieve, in stenen uit te drukken realiteit van het huis zelf. Het ging om de manier waarop mijn leven zich om die stenen had gevormd, om hoe de stenen de tijd bijeen hielden, zo vanzelfsprekend dat de tijd zelf was gaan lijken op het huis, een ruimte met stevige muren hoog boven de straat, een schip dat kalm de seizoenen aan zich voorbij liet trekken. Zonder het huis zouden de geliefden die erin hadden geslapen losse geliefden zijn, eigen eilandjes van afgebakende tijd. Nu hoorden ze bij het huis, zoals sommige van mijn vrienden bij het huis hoorden, M nog het meest van iedereen: onze vriendschap had met de jaren de vorm gekregen van het park en de straten eromheen, van elkaars deurbel, trappenhuis, bankstel.

Het zijn de breuken in de tijd die laten zien dat de tijd bestaat, een soort ding is, en niet alleen maar iets wat verglijdt. Op een breukvlak kun je de tijd in je handen houden en wegen, kun je zien wat het is geweest, welke vorm het heeft nu het achter de rug is. Het is de kamer die heel kort leeg is voordat ze andermans kamer is en nooit iets anders is geweest dan andermans kamer. Een kleine hapering in de continuïteit, waarin het verleden heel even niet zwicht voor de druk van de toekomst.

De laatste nacht voordat ik verhuis naar de elfde verdieping van de flat aan de plas, staat M met een kampeermatje en een slaapzak voor de deur. Dicht naast elkaar liggen we op de vloer van de ruimte die mijn woonkamer was.

‘Het is een klein vertrek’, zeg ik. ‘Een intermezzo. Voor je het weet ben ik weer terug in Amsterdam.’

We weten allebei dat het niet waar is. Intermezzo’s zijn er om de boel aan het wankelen te brengen, een nieuw tijdperk in te luiden. Goedschiks of kwaadschiks.