Minderjarigen in de PKK

‘Vertrouw in de liefde van de bergen’

Fréderike Geerdink leefde een jaar met de PKK en zag hoeveel Koerden al jong hartstochtelijk deel uitmaken van de strijd. Niet zozeer de strijd voor een eigen staat, als wel de strijd voor een gelijkwaardige samenleving.

Vrouwelijke PKK-strijders in de buurt van Mosul waar ze vechten tegen IS, 2014 © Ahmad Al-Rubaye / AFP / ANP

Kameraad Rojda en ik – iedereen noemt elkaar hier kameraad – zitten onder de walnotenbomen op het veld tussen onze twee éénpersoonstentjes in op een stuk karton dat ooit een doos met zakken wasmiddel was. Ze laat me foto’s zien die ze altijd bij zich draagt. Ik herken een piepjonge Rojda in uniform, lachend meestal en trots, op groepsfoto’s met medestrijders. Ze wijst haar kameraden aan: ‘Sehit ket, sehit ket, sehit ket, sehit ket.’ Gesneuveld, gesneuveld, gesneuveld, gesneuveld.

Wacht, ze heeft nog meer foto’s, en ze pakt haar dagboek erbij. Gesneuveld, gesneuveld, gesneuveld. Om sommige foto’s heeft ze in felle kleuren bloemetjes en hartjes getekend, ernaast korte gedichtjes geschreven. ‘Ach kameraad Avasîn’, zucht ze. ‘Mijn hart doet pijn.’ Ze is nu achttien en ik ontmoet haar in het taalkamp van de pkk, waar we beiden de zomer van 2016 doorbrengen. De foto’s zijn drie, vier jaar oud. Ze zijn genomen in de omgeving van Serekaniye, in Noord-Syrië. Van eind 2012 tot het voorjaar van 2013 streden de Koerden tegen het Vrije Syrische Leger, het regeringsleger van Assad en Al-Nusra (al-Qaeda in Syrië). Zó dichtbij waren de gevechten dat kameraad Nuda letterlijk haar huis verdedigde tegen verschillende strijdkrachten.

Na de slag om Serekaniye stuurde haar commandant haar terug naar huis. Maar het lukte Rojda niet haar leven weer op te pakken. We bladeren door haar fotomapje. Er is een foto van haar naast haar vader, hij gehuld in een lange zandkleurige tuniek en een rood-wit geblokte sjaal om zijn hoofd. Ze kijkt naar hem op. ‘Weet je wat ik op dat moment dacht?’ vraagt ze. ‘Hoe moet ik mijn vader vertellen dat ik niet blijf? Dat ik vertrek naar de pkk en niet terug zal komen?’

Nog diezelfde dag vertelde ze het. Haar vader brak maar steunde zijn dochter. Haar moeder huilde, Rojda niet. Ze sliep nog één nacht thuis en werd opgepikt door een wagen met een open laadbak die koers zette richting de grens met Irak. ‘Pas in de auto begon ik te huilen. Ik wilde het niet moeilijker maken voor mijn ouders, snap je? Ik heb de hele dag gehuild.’ Zestien jaar was ze.

Tot in het eerste jaar van de Syrische burgeroorlog, 2011, was Rojda meer Arabisch dan Koerdisch. De Syrische president Assad was haar leider, ze wist niet beter. Dat ze Koerdisch was, leerde ze niet op school en ook niet van haar ouders. Voor de oorlog haar dorp naderde, kwam ze in aanraking met de strijders die de ideologie van Öcalan volgden. Ze ging naar bijeenkomsten in Serekaniye, waar ze haar eerste Koerdisch leerde. Daar kreeg ze ook haar militaire basistraining toen de strijd razendsnel dichterbij kwam. Ze leerde de mensen kennen die ze snel zou verliezen.

Bij aankomst in Qandil deed ze de servanên nû, de training voor ‘nieuwe strijders’. Ze had natuurlijk al oorlog gevoerd, maar de eerste training is niet alleen militair maar ook ideologisch. Ze kreeg lessen over Koerdische geschiedenis en de geschiedenis van de vrouw, ze zat in verschillende basiskampen en gaf zich uiteindelijk ook op voor de taalcursus.

Daar leert ze haar eigen taal lezen en schrijven. Ze is leergierig en maakt woordenlijsten in haar dagboek. Ze vraagt mij naar Turkse en Engelse woorden en lachend schrijft ze Nederlandse woorden fonetisch op in Arabisch schrift. Bloem, hart, water, zon.

Waar ze na de taalcursus naartoe wil? ‘Bakur’, zegt ze zonder na te denken. Naar Turkije dus, om te vechten tegen het Turkse leger. ‘Natuurlijk ligt mijn hart in Rojava’, zegt ze. ‘Maar ik wil nu de andere delen van Koerdistan beter leren kennen.’ Ze weet dat de kans nihil is dat de organisatie haar nu voor de gewapende strijd zal kiezen. Ze heeft waarschijnlijk nog jaren onderwijs voor de boeg.

Het is niet lastig om in de kampen strijders te vinden die zich als minderjarige hebben aangesloten bij de pkk, de ypg en ypj. Alleen al in het taalkamp waren het er vijf van de veertien. Rojda nam op haar veertiende de wapens op. Mizgîn, de juf van mijn taalklas en nu bijna dertig jaar, was twaalf. Hêlîn, inmiddels ook tegen de dertig, was dertien, Arjîn, nu net meerderjarig, sloot zich een paar jaar geleden aan en Hesen, halverwege de dertig, was veertien. In een grot in de Qandil-bergen, waar ik een week bivakkeerde, zaten verschillende minderjarige strijders. Aan het front bij Raqqa voerden meerderjarigen oorlog die zich als minderjarige hadden aansloten. Ook bij militaire bases rondom het Maxmur-vluchtelingenkamp liep ik minderjarigen tegen het lijf.

‘Kindsoldaten!’ bijten Turkse twitteraars me toe als ik over de minderjarigen in de pkk schrijf. Ik noem ze nooit kindsoldaten en dat is een typisch staaltje wegkijken, oordelen ze. Zij gebruiken de term graag, want het roept de associaties op die zij aan de pkk willen verbinden: ontvoering en dwang, verdovende middelen, kinderen die gehersenspoeld en vervreemd van hun familie nietsontziend tekeergaan met machinegeweren.

Rojda was inderdaad een kindsoldaat in de ypj, zonder enige twijfel, en ze was in die jaren van de Syrische burgeroorlog bij lange na niet de enige. Ondertussen hebben de Koerdische strijdkrachten in Syrië hun zaakjes op orde en worden er aan het front geen kinderen meer gesignaleerd. Binnen de pkk is het fenomeen kindsoldaat al veel langer vrijwel uitgebannen.

‘Hoe moet ik mijn vader vertellen dat ik niet blijf? Dat ik vertrek naar de PKK en niet terug zal komen?’

Kinderen, die zijn er wel. Op basis van de tientallen interviews, kortere gesprekken en ontelbare vluchtige ontmoetingen tijdens mijn jaar bij de door Öcalan geïnspireerde bewapenden, durf ik zelfs wel te concluderen dat het heel normaal is als minderjarige te kiezen voor een opleiding als guerrillero. Strijders die zich na hun twintigste hadden aangemeld, verzuchtten niet zelden: ‘Ik was er laat bij. Jammer.’

Wat was er met Rojda gebeurd als ze de wapens niet had opgepakt? Onmogelijk te zeggen natuurlijk, maar zo goed waren de kansen niet voor vrouwen in de Syrische burgeroorlog. Misschien was ze, net als honderdduizenden anderen, gevlucht. Misschien had ze die vlucht overleefd en was ze in Turkije terechtgekomen, waar ze dan nu in een naaiatelier zou proberen een inkomen bij elkaar te schrapen, of was ze uitgehuwelijkt en iemands tweede of derde vrouw geworden. Kleine kans dat ze Europa had gehaald.

Niet alleen bij Rojda heb ik me afgevraagd wat er met haar zou zijn gebeurd als ze zich níet bij de pkk had aangesloten. Ik vroeg het me elke keer af als ik strijders ontmoette die minderjarig waren, of die zich als minderjarige aangesloten hadden.

Ik zal nooit de jonge strijdster, kameraad Hira, vergeten die tegenover me zat in de auto van een militaire basis bij Haseke naar een basis bij de Iraakse grens. Ze vroeg me hoe oud ik dacht dat ze was. Als wedervraag wilde ik weten hoe lang geleden ze strijdster was geworden. ‘Elf jaar geleden’, antwoordde ze. ‘Dan ben je denk ik zeven- of achtentwintig, maar je lijkt jonger’, dacht ik hardop. ‘Ik ben tweeëntwintig’, zei ze lachend, triomfantelijk haast.

Elf jaar was ze dus toen ze als jongste van het gezin met haar vader, moeder en vijf broers en zussen hun huis in Rojhilat (Koerdistan in Iran) verliet en koers zette naar de Qandil-bergen. Haar vader en een van haar broers waren vanwege politieke activiteiten in aanraking gekomen met de Iraanse justitie en beschuldigd van terrorisme, wat in Iran valt onder het misdrijf ‘vijandschap jegens God’, waar de doodstraf op staat. ‘De eerste weken bij de pkk zijn we nog als gezin bij elkaar geweest’, vertelde ze me. ‘Daarna gingen we afhankelijk van onze leeftijden naar verschillende onderwijs- en trainingskampen.’ Nu is haar moeder commandant in Qandil, haar vader commandant in Serekaniye en zijn haar broers en zussen uitgewaaierd over kampen in Koerdistan met uiteenlopende taken. ‘Een van mijn broers is martelaar geworden in de strijd om Kobani. Verder zijn we allemaal nog in leven.’

Mijn perspectief op jongeren die zich aansluiten bij de pkk was getekend door de jaren dat ik verslag deed vanuit Turkije. Daar zag ik vooral de pijn en het verdriet van ouders en familieleden. Oude pijn soms, om jonge mannen en vrouwen die zich al in de jaren tachtig aansloten en van wie nooit meer iets werd vernomen. Die liggen misschien ergens begraven onder een boom of bij een rivier waarvan geen levende ziel de precieze locatie nog weet. Vers verdriet, om jonge zoons en dochters die op een dag verdwenen en waarover de pkk niet veel later liet weten dat ze inderdaad guerrillero waren geworden. Gebroken beloftes soms. Een jonge man in het laatste jaar van zijn medicijnenstudie, bíjna arts, bíjna zou hij gaan terugverdienen wat zijn sappelende ouders in hem hadden geïnvesteerd. Ineens was hij weg.

Ik herinner me een gesprek, zomer 2013, in Roboski, het dorp waar op 11 december 2011 maar liefst 34 jongens en mannen omkwamen in een bombardement van het Turkse leger. Negentien van de slachtoffers waren minderjarig. Vier van die minderjarigen waren Savas, Bilal, Muhammed en Orhan, vijftien jaar. Ze kregen bommen op hun hoofd op de grens tussen Irak en Turkije, waar ze sigaretten, thee en benzine smokkelden. Het was een van de weinige manieren waarop de dorpelingen een inkomen konden verdienen.

De vier jongens waren de beste vrienden van Bedel Encü. Ruim een jaar na de tragedie was hij opeens verdwenen. Hij rende keihard weg toen de familie dicht bij de grens zand haalde, bestemd voor de bouw van een huis. Een tijdje later kwam er via-via bericht van de pkk dat Bedel zich bij hen had aangesloten.

‘Had hij het er wel eens over dat hij naar de bergen wilde?’ vroeg ik zijn familie. ‘Nee’, antwoordde zijn oudste broer Kadri (23), ‘daar praat je niet over. Je gaat.’ Bedels moeder: ‘Hij was nog stiller dan anders die ochtend.’ Veel zorgen leken ze zich niet te maken om de benjamin van het gezin die nu een strijder was. Kadri: ‘We weten met wie hij is. Hij krijgt psychische steun. Dat krijgt iedereen die bij de pkk gaat, want iedereen moet zijn familie missen. Dat is voor iedereen moeilijk.’ Even later vertelde moeder Beydin me over het gemis. ‘Als ik in huis ben’, zei ze, ‘huil ik vaak. Dan denk ik aan hem en is het net of ik zijn stem hoor.’

Toen ik me opmaakte om voor een jaar in de pkk te verdwijnen, nam ik me voor naar Bedel uit te kijken. Ik had echter geen idee wat zijn nom de guerre was, en de strijders kennen elkaars echte naam niet. Misschien zou zijn achternaam Roboski zijn, dacht ik, want veel guerrillero’s kiezen hun geboortestreek of -stad als achternaam. Zeker Roboski is sinds het bombardement een naam met veel betekenis.

Ook de psychische steun die Bedel volgens zijn familie zou krijgen in de pkk leek me een onderzoek waard. In al mijn westerse wijsheid dacht ik dat de keus van Bedel om guerrillero te worden misschien begrijpelijk was, maar dat je voor je trauma’s nooit kunt weglopen.

Die gedachte kwam bij gesprekken met Rojda ook vaak op. Als ze verzuchtte ‘Ach kameraad Avasîn, het leven doet pijn’. Als ze muziek luisterde en de opzwepende nummers oversloeg en meezong met de langzame nummers met teksten over verloren kameraden, over de gevangenschap van de leider en de bloeddoordrenkte Koerdische grond. Hoe zou Rojda in het reine kunnen komen met haar ervaringen, haar verlies, haar pijn? Langzaam begon het me te dagen. Precies zó dus komt Rojda in het reine. Door haar eigen identiteit niet langer te onderdrukken maar te leren kennen, inclusief de Koerdische geschiedenis en de taal. Door niet lijdzaam toe te zien hoe groepen als IS, Al-Nusra of het Syrische of Turkse leger haar volk onder de voet proberen te lopen maar zichzelf, haar familie, haar dorp en haar volk te verdedigen. Niet alleen door een wapen op te pakken, maar ook door zichzelf te ontwikkelen. De pkk ís de therapie.

Het ‘Instituut voor jonge revolutionairen’ in Terbespe, Syrië, waar vrouwelijke tieners worden opgeleid met de ideologie van de YPD en de PKK, 2015 © Newsha Tavakolian / Magnumphotos / HH
‘Op tv zag ik de strijders óf oorlog voeren óf dansen en zingen. In het echt bleek het allemaal heel anders te zijn’

In de herfst van 2016 begint op de pkk tv-zender MedNûce de serie De dagboeken van de opstand in Sur. Op basis van dagboeken van strijders van de yps, de gewapende jongerengroepen in de Koerdische steden, zijn zes delen gemaakt over de stadsoorlog die tussen begin januari en half maart 2016 woedde in het historische centrum van Diyarbakir, ook wel Sur genoemd. De titelsong is een opzwepend lied, Diren Diyarbekir, oftewel ‘Verzet je, Diyarbakir’. Climax van het lied is de zin ‘Vertrouw in de liefde van de bergen’.

De serie schetst een heroïsch beeld van de stadsoorlog. Er zijn echte beelden gemaakt door verslaggevers, niet alleen van de strijd zelf maar ook van de voorbereidingen. Jongeren en volwassenen, tot moeders aan toe, bouwen gezamenlijk barricades en spitten loopgraven in de straten om het leger buiten te houden. Beeldmanipulaties zijn er ook. Foto’s van de ‘martelaren’ staan geprojecteerd op de oude zwarte muren van Sur en er zijn projecties van foto’s van jongeren met een machinegeweer hurkend in stegen en op straathoeken. Een vrouwelijke voice-over vertelt het verhaal van de oorlog. Stukken tekst komen in beeld tegen een achtergrond van de oude stadsmuur van Sur met de felle kleuren van de ondergaande zon erboven. Geluiden van wapengekletter en strijdmuziek wisselen elkaar af.

De Koerdische jongeren dolven het onderspit. Op misschien een handvol na kwamen alle strijders om. Maar, zoals kameraad Ciyager, een dertiger die uit Qandil kwam om het verzet in Sur te leiden en die omkwam in de nadagen van de strijd, al zei voor hij naar Sur vertrok: ‘Wat de uitkomst ook zal zijn, het zal schitterend zijn.’ Schitterend de overgave aan de opstand, schitterend de intensiteit van het verzet, schitterend de samenwerking met het volk, schitterend de nagedachtenis aan de martelaren die onsterfelijk zijn.

Schitterend rekruteringsmateriaal ook, denk ik na de eerste aflevering. pkk-strijder zijn, zo doen aan pkk gelieerde media Koerdische jongeren geloven, dat betekent aanslagen plegen op het Turkse leger, dat is met je kalasjnikov om de schouder met kameraden door de bergen trekken en samen een govend (groepsdans) dansen, dat is strijden tegen de vele vijanden van de Koerden, gewapend je volk en je land verdedigen, nooit bang voor de dood want de dood bestaat niet, er is slechts martelaarschap.

Kameraad Zinarîn snapte er niets van, tijdens haar eerste maanden in de pkk. Ze is nu zeventien jaar en ik ontmoet haar in een enorme grot waar zo’n vijftien vrouwen gelegerd zijn en waar vaak ook strijdsters op doorreis overnachten. Het was eind december 2014 toen Zinarîn zich aansloot bij de pkk, tijdens de strijd om Kobani, waar ze naartoe wilde om te vechten tegen IS. ‘Op tv’, vertelt ze me, ‘zag ik de strijders óf oorlog voeren óf dansen en zingen. In het echt bleek het allemaal heel anders te zijn.’

Ze werd zoals gebruikelijk naar de training voor nieuwe strijders gestuurd. Pittig in de winter: ze herinnert zich sneeuw, regen, slapen onder klamme of zelfs natte dekens, kou, modder. ‘Ik lag onder een deken te klappertanden en ik dacht: nu ben ik dus echt een guerrillero. Maar ik wilde naar Kobani, dáár was ik voor gekomen. Mijn commandant vroeg me hoe ik zou kunnen vechten als ik niet met wapens om kon gaan. “Dat kan ik daar toch ook leren?” vroeg ik. “Maar waar vecht je dan voor?” was haar wedervraag. Daar had ik geen antwoord op. Ze gaven me boeken maar daar zag ik het nut niet van in.’

Zinarîn woonde in de stad Siirt en ging ’s ochtends gewoon naar school. ‘Ik wist al veel langer dat ik guerrillero wilde worden. Tot dan toe hadden mijn vrienden me tegengehouden. Maar die dag had ik om tien uur afgesproken ergens in een huis waar een pkk’er op me zou wachten. Ik kneep er tussen twee lessen tussenuit en ruilde in de bidruimte mijn schooluniform om voor gewone kleding. Ik ging naar dat huis en ik herinner me dat ik steeds op mijn horloge keek. Nú is de les van mijn zusje afgelopen. Zal ze meteen merken dat ik er niet meer ben? Weten mijn ouders het nu al? Zijn ze boos, ongerust? Snappen ze meteen waarom ik er niet meer ben? Kom ik ongezien weg uit de stad? Een jaar eerder had mijn neefje geprobeerd naar de pkk te gaan, maar familie had hem door en haalde hem weer terug.’

Ze reisde de volgende dag samen met de pkk’er en nog een paar anderen naar Cizre, vandaar de grens over naar Derik in Noord-Syrië, van daaruit in verschillende etappes, lopend en met de auto naar Qandil. Na de training ‘nieuwe strijders’ zat ze een tijdje in een kamp in Qandil. Daarna volgde de training ‘operaties’, waar je onder andere leert aanslagen te plegen, bermbommen in elkaar te zetten en zwaardere wapens te gebruiken. ‘Dat was een goeie training’, zegt ze. ‘Er was veel sport, allemaal parcours met klimmen en wiebelbruggen en heuvel op heuvel af, rennen, kruipen. Het lukte me lang niet allemaal maar het ging steeds beter.’

De eerste maanden was ze vaak boos. ‘Vooral als ik martelaren zag op tv. Dan wilde ik ook vechten en vroeg ik me af waarom ik in een kamp in de bergen zat met mijn neus in een boek.’ Ze moet lachen als ze dat zegt. ‘Weet je, thuis werd ik ook vaak kwaad. Dan gooide ik dingen kapot. Glazen, borden. Hier word ik ook boos, maar dan praat ik erover, of ik denk na over of ik zelf iets fout heb gedaan. Kameraden hebben me ook verteld dat ik niet zo snel moet ontploffen. Hier gaan we met respect met elkaar om. Je blijft nooit boos op iemand, want kameraadschap is belangrijk, misschien wel het allerbelangrijkst. Hier zijn we volwassen.’

Zinarîn dacht dat ze bij de pkk voor een eigen staat voor de Koerden zou gaan vechten. Toen bleek de pkk helemaal niet voor een eigen staat te zijn en zich daar zelfs tegen te verzetten. Ze bleef maar vragen aan haar medestrijders waarom dat nou was. Ze zegt: ‘Daar werd ik ook boos om. Waarom willen we dat niet? Er is me uitgelegd dat de wil van de mensen geen rol speelt in een staat, dat een staat draait om de macht van degenen die de macht al hebben. Dat er daarom ook geen respect is voor vrouwen, terwijl dat in de pkk precies omgekeerd is. Dat snap ik nu wel.’

‘Weet je dat ik nu voor veertig mensen kan koken op een houtvuur? Dat geloven ze thuis nooit’, zegt ze. Ze heeft zelfs leren lopen, wat ik meteen geloof, want ik zit zelf nog midden in het proces van leren lopen in de bergen. Het is vergelijkbaar met leren fietsen: ga je te langzaam, dan wankel je en val je om, dus is het zaak het tempo erin te houden, maar onzekerheid houd je in haar wiebelige greep en remt je af, met alle blauwe plekken en pijnlijke enkels van dien.

Ze is minder boos, maar niet minder ongeduldig. ‘Ik wil nog steeds naar Kobani’, stelt ze. ‘Daarvoor heb ik alles achtergelaten. De slag om Kobani is voorbij, maar ik wil de stad met mijn eigen ogen zien. Of ik wil naar Botan om te vechten, een legerpost aan te vallen.’

Maar met de werkelijkheid die Zinarîn beschrijft is het lastig nieuwelingen rekruteren. Met een tv-serie over de drie maanden durende cursus ‘geschiedenis van de pkk’ ergens in een tent in Qandil of over een taalklasje onder de bomen, laat staan met een serie over het kwaad van het patriarchaat en de noodzaak voor mannen om af te rekenen met mannelijkheid in zichzelf, lok je geen woedende, opstandige, getraumatiseerde jonge mannen en vrouwen. Die lok je met het vooruitzicht van lik op stuk, van de vijand met gelijke munt terugbetalen, van je heroïsch verdedigen tegen het Turkse leger en tegen IS. Daarmee trek je jongeren van boven en onder de achttien jaar. Waarom zou je hen die nog geen achttien zijn weigeren als je weet dat je ze daarmee terugstuurt naar onderdrukking, naar geweld, dood, een te vroeg en ongewenst huwelijk? Waarom zou je ze weigeren, als je ze als organisatie iets te bieden hebt wat ze nergens anders in Koerdistan gaan vinden? Bij de pkk en ypg/j krijgen ze onderwijs in hun eigen taal, cultuur en geschiedenis, een kans om zich als man en als vrouw te ontwikkelen en zich te ontworstelen aan een systeem waarin ze desnoods met geweld in een rol worden gedwongen. Ze beginnen een bestaan dat niet wordt bepaald door de dagelijkse strijd om overleving, maar door het bouwen aan een democratisch Koerdistan en een Midden-Oosten gebaseerd op gelijkwaardigheid in plaats van op sektarisme.

Ik kwam geen enkele onzekere, chagrijnige, huilerige, onuitstaanbare, rancuneuze, opgefokte guerrillero tegen

Kameraad Hira, de strijdster die al op haar elfde met haar ouders en broers en zussen naar Qandil trok om de wapens op te pakken, oogstte bewonderende blikken van haar kameraden. Op haar élfde al, wat een geluk! Het idee is: hoe eerder je het onderdrukkende systeem verlaat, hoe beter. Immers, hoe langer je in het systeem leeft, hoe meer dat systeem ook in jou gaat leven, en hoe lastiger het wordt je eraan te onttrekken en hoe lastiger het ook is dat systeem weer úit je te krijgen.

Ik kwam in mijn jaar geen enkele onzekere, chagrijnige, huilerige, onuitstaanbare, rancuneuze, haatdragende, opgefokte of anderszins uit het lood geslagen guerrillero tegen. Integendeel: ik ontmoette sterke, open, behulpzame en evenwichtige mannen en vrouwen. Wat eigenlijk vrij opzienbarend is, want vrijwel alle strijders hebben trauma’s opgelopen in hun kinderjaren.

Het is, vind ik, te simpel om die trauma’s te beschrijven als een verzameling persoonlijke ervaringen die ik heb gehoord van strijders. Het gaat er niet om dat strijder B. als kind tijdens een periode in de gevangenis door volwassen medegevangenen is verkracht terwijl de bewakers toekeken. Het gaat er niet om dat strijder W. zonder haar vader opgroeide omdat die om politieke redenen in de gevangenis zat. Het gaat er niet om dat N. zijn hoofdmeester gelóófde toen die zei dat hij het te weten zou komen als hij buiten schooltijd Koerdisch sprak en dus thuis het liefst zijn mond hield. Dat N. klappen kreeg op school toen hij nietsvermoedend, barstend van trots en in het Turks een gedicht voorlas, geschreven door zijn broer. Dat die broer een pkk-strijder was, dat ze dat op school wisten en zoiets voorlezen dus onbestaanbaar was, daarvan was hij zich als ukkie niet bewust.

Of nee, daar gaat het niet alléén om. Het is belangwekkend. Tegelijkertijd is het te simpel om de trauma’s van de Koerden terug te brengen tot slechts die brokken individuele levensgeschiedenis. Juist omdat de pijn diepere, systemische oorzaken heeft en al generaties zijn sporen nalaat, kan het binnen het systeem geen verzachting vinden. Laat staan een oplossing.

Halverwege de middag van 26 november 2016 hoor ik ineens schapengeblaat op de pkk-basis bij Kirkuk. Guerrillero’s pakken hun tassen in. Ik volg hun voorbeeld en we reppen ons naar het parkeerterrein. Er staan een paar auto’s klaar en twee pick-ups. In een laadbak staat een schaap. Er ligt een net over haar heen dat is vastgemaakt aan de randen van de laadbak, zodat ze er niet uit kan springen. We mikken onze spullen in de andere laadbak, verdelen ons over de voertuigen en zoeven de basis af. Op weg naar het front, waar het de dag erna feest zal zijn.

Aan het front parkeren we op het centrale terrein met een volleybalveld en een afdak voor de auto’s. Links zijn de mannenbarakken, rechts die van de vrouwen, daar tussenin voorraadkamers rondom een binnenplaats, waaraan ook twee keukens liggen.

Het is druk in de keukens, want het is er lekker warm en er moet gekookt en gebakken worden. Op de binnenplaats is het schaap geslacht. Een paar strijders staan wat stukken vlees, nieren en levers aan spiezen te rijgen. De rest van het vlees is voor morgen.

Op de ruwe betonnen grond zit een strijdster gehurkt een biscuitjes-chocolade-bananentaart te maken. Laagje biscuitjes, laagje in de lengte doormidden gesneden bananen, laagje au bain marie gesmolten chocoladerepen. Hoger en hoger wordt het bouwwerk. Met geraspte kokos wordt op de grootste taart Salvegera 39 PKK pîroz be geschreven, ‘Hoera voor de 39ste verjaardag van de pkk’.

Het is kraakhelder en ijskoud de volgende dag. Het is 27 november, de dag dat de pkk werd opgericht. Een paar strijders zijn bezig knalrode stof te spannen op het volleybalnet. Daarop worden met spelden vlaggen van de verschillende afdelingen van de pkk vastgezet, én een gele vlag met Öcalan. Daarnaast een plastic poster met portretten van achttien strijders die rondom Kirkuk het leven lieten.

De moral, een voorstelling voor en door strijders die bedoeld is om belangrijke dagen in de pkk op te luisteren en het moreel van de troepen te versterken, barst los. Er wordt gezongen, soms uitbundig zoals het groepje van zeven strijders dat een strijdlied zingt, soms ingetogen, zoals de twee verlegen jongens waarvan er eentje de saz bespeelt en de ander zachtjes zingt. Commandant Nuhayla draagt, begeleid door muziek, een gedicht voor.

De afsluiting gaat over een oeroud volk dat het land bewerkt. De guerrillero’s, gehuld in traditionele Koerdische kleding, beelden ritmisch het werk met de zeis uit – de zeisen hebben ze uit stevig karton geknipt. Langzaam doet het kapitalisme zijn intrede. Vrij hilarisch is de uitbeelding van een tv-interview door een a-kritische presentatrice met een professor die badinerend uitlegt hoe goed het land ervoor staat. Mensen zijn vrij, zegt hij zelfvoldaan, en met de economie zijn ook geen problemen, want de olieprijs stijgt. Als de presentatrice naar de situatie van de Koerden vraagt, stamelt hij en draait hij zich om op zijn stoel om verder ieder commentaar te weigeren. De toneel spelende guerrillero’s die als tv-kijkers op de grond het tafereel bekijken, bekritiseren het interview en lopen uiteindelijk weg. Eén voor één komen ze terug, steken hun armen in de lucht en proclameren de problemen die het kapitalisme de maatschappij heeft gebracht. Ze moeten de grondleggers van de pkk voorstellen. In de laatste scène doet een guerrillero onder de bevolking kond van de oprichting van de pkk.

Ik zie een parallel tussen het volk en Koerdische jongeren. Generaties lang deden Koerden nauwelijks iets om het tij van hun onderdrukking te keren. Goed, er waren Koerdische opstanden, zoals die van sjeik Said in 1925, maar ze duurden allemaal maar kort en waren onsuccesvol. De ervaren kameraad Mizgîn heeft daar een verklaring voor: ‘Die opstanden waren afhankelijk van hun leiders. Als die werden vermoord, stopte de opstand. Dat is bij de pkk anders. Ons verzet gaat door, onafhankelijk van of de leider leeft.’

Na de jaren dertig zijn er in Turkije geen opstanden meer geweest. Het verzet van de Koerden leek voor altijd gebroken. De volgende generaties probeerden zichzelf als Turk te zien of dachten dat ze Turk wáren. Tot de pkk in opstand kwam. Veroordelen wij, de buitenstaanders, dat? Wijzen we bestraffend met ons vingertje omdat de pkk de nieuwe generaties, zij die de toekomst zijn, een alternatief biedt, een doel om voor te vechten? Manen we jongeren níet naar de bergen te gaan en zich als Koerd en als mens te ontwikkelen, maar te kiezen voor een bestaan in het systeem dat hun voorvaderen eronder hield, omdat we geloven dat dat veíliger is?

Op een basis bij Kirkuk liet ik vallen dat ik op zoek was naar Bedel Encü, de jongen uit Roboski. Ik werd verwezen naar Berxwedan Cudî. Hij groeide ook op in Roboski maar had zich al eerder bij de pkk gemeld. ‘Ja’, zei kameraad Berxwedan, ‘ik ken Bedel. Hij leeft niet meer. Hij was een van de martelaren van de stadsoorlog in Sirnak. Zijn nom de guerre was Tirej Roboski.’ Tirej betekent zonnestraal.

Ik vind zijn naam terug in een lijstje met degenen die de stadsoorlog niet overleefden. Hoe hij in Sirnak terechtkwam, is niet meer te achterhalen. Misschien heeft hij er bij zijn commandanten op aangedrongen hem naar de stad te sturen om te vechten. Misschien gaven ze toestemming omdat ze zagen dat hij niet tegen te houden was. Misschien ook gaven ze hun toestemming niet maar ging hij toch. Misschien was zijn verdriet, zijn woede, zijn trauma te groot om er niet veel te jong aan te sterven.


Dit is een ingekort en bewerkt hoofdstuk uit het boek Dit vuur dooft nooit: Een jaar bij de PKK van Fréderike Geerdink (Het Spectrum, € 19,99)