Vertrouw nooit flapteksten

Het enige wat ik niet vind deugen aan Hans Goedkoops Heijermans-biografie is de flaptekst. Deze gewaagt van ‘diners met Thomas Mann in het keizerlijke Berlijn’. Allemaal uitgeversbluf. Het boek bevat precies twee woorden over voornoemde Thomas Mann, de woorden waarin de Nederlandse schrijver zijn Duitse collega als ‘tempteerend vervelend’ omschrijft.

Het auteursrecht van de meeste flapteksten berust bij de uitgever, die het boek tenslotte moet verkopen. De meer verstandige auteur ziet er nauwlettend op toe dat er geen ongelukken gebeuren en schrijft zo'n flaptekst bij voorkeur zelf. Maarten ’t Hart heeft deze klus, zo te zien, meestal aan de Arbeiderspers overgelaten. Dus wordt hij geetaleerd als ‘een fenomeen in onze literatuur’. Hugo Brandt Corstius houdt, zo te zien, het een en ander liever in eigen hand. Dat levert onmiddellijk veel interessantere (en authentiekere) resulaten op: 'Ik heb al die stukken met belangstelling gelezen, terwijl ik ze toch zelf geschreven had.’
Maarten ’t Hart en Hugo Brandt Corstius hebben in hun boek Het gebergte tweeenvijftig beschouwin gen over de tweeenvijftig romans van Simon Vestdijk gebundeld. Ingeleid door de flapteksten van deze tweeenvijftig boeken, die veelal van Vestdijk zelf afkomstig zijn. In twee gevallen (Meneer Vissers hellevaart en Else Bohler, Duits dienstmeisje) is deze zware taak aan Menno ter Braak gedelegeerd. Vestdijks eigen proeven van self advertising zijn terughoudend van toon. Rumeiland noemt hij 'een echte avonturenroman’. Op afbetaling heet 'een rijkgeschakeerd boek, waarin humor en tragiek elkaar voortdurend afwisselen’. Over De filosoof en de sluipmoordenaar zegt hij: 'Veel ter zake doende feiten uit het leven van Karel de Twaalfde zijn in dit verhaal verwerkt.’ Kan het keuriger? Geen gesnork, geen egotripperij, geen borstklopperij, gepaste terughoudendheid allerwegen.
Maar hoe zit het met De vuuraanbidders? Daarvan belooft de flaptekst: 'Dit boek levert opnieuw het bewijs, zoo dit nog noodig mocht zijn, van Vestdijks wonderbaarlijke gaven. Het is deze gave der evocatie die naast zijn intelligentie en zijn beeldend vermogen hem tot een der zeer grooten in de Nederlandsche letterkunde maakt, maar hem te vens alle recht geeft op vermelding onder de groote namen in de wereldliteratuur.’ En hoe zit het met Vestdijks Bericht uit het hiernamaals? Hiervan belooft de flaptekst: 'Met een in Nederland en bijna overal elders ongeevenaarde en onbegrijpelijke schrijfdrang stelt Vestdijk, de kluizenaar van Doorn, zijn lezers telkens opnieuw voor het raadsel, hoe een schrijver in een leven met een omvangrijk oeuvre het werk van tientallen andere schrijvers quasi- overbodig kan maken. Nu de romans van Vestdijk ook het buitenland bereiken en opzien baren, zal het zeker niet vele jaren meer duren voordat deze officiele kandidaat de Nobelprijs voor literatuur behaalt!’
Zover is het uiteindelijk niet gekomen. Hoe dan ook, dit kan geen authentieke Vestdijk-flaptekst zijn. Voor een dergelijke vorm van maniakale zelfverheffing was de kluizenaar van Doorn, denk ik, veel te depressief. In filologisch opzicht valt op Het gebergte ook wel het een en ander aan te merken. Rest de constatering dat deze tweeenvijftig beschouwingen over die tweeenvijftig Vestdijk- romans veelal fris, vrolijk, intelligent en enthousiasmerend zijn geschreven.