Ger Groot

Vertrouwen

Tegen het einde van Willem Jan Ottens korte roman Specht en zoon staat Felix Vincent, spilpersoon van de vertelling, huilend met zijn armen om een boom. Veel is er, niettegenstaande zijn schilderssucces, de laatste maanden misgegaan. Hij ziet het aan zijn oog voorbijtrekken en twijfelt – aan zichzelf vooral. ‘Vertrouw me’, zegt hij dan. ‘Alsjeblieft. Ik wil te vertrouwen zijn.’
Voor Willem Jan Otten moet dat een belangrijke ontboezeming zijn. Hij doet haar zelf, in de slotregel van het tweede gedicht uit zijn cyclus Tien meren met geen oever eromheen – verslag van een zeilboot-tocht van Muiden naar de Wijde Ee – in de bundel Eindaugustuswind. Na een witregel, als de som onder de optelstreep van het gedicht of als een nakomende gedachte, staat er: ‘Wat ik wil is te vertrouwen zijn.’
Met een typische filosofenreflex las ik die regel aanvankelijk tweemaal: eerst volgens de voor de hand liggende grammatica en daarna nog eens, maar nu met het ‘zijn’ als substantief. Wat ‘ik’ zou willen is een werkelijkheid (een ‘zijn’) dat het vertrouwen waard is, vaste grond onder de voeten. Een wereld die niet de meesters van de achterdocht gelijk geeft uit wier denken elke argeloosheid is verdwenen.
Het eerste gedeelte van het gedicht kán dat onderstrepen. Er is sprake van zwanenparen die, na het aanleggen van de boot, zouden neerdalen om ‘insgelijk reikhalzend/ dompelende meisjesarmen [te] zijn’. Een lieflijker welkom is bijna niet denkbaar. De wereld zou zich openen als een huis waar alles naar de reiziger reikhalst en voor wie het alles laat varen: ‘versmadende het wenkend koele/ waar zij, elders elders,/ iets moeten bedoelen’.
Lees dat laatste als ‘tot doel hebben’ en de wederzijdse overgave en bestemming wordt volmaakt. Het elders lokkende, wenkende water wordt opgegeven voor het jawoord aan de reiziger. Het ‘zijn’ wordt voor hem huis en habitat – maar daarvoor moet hij wel iets doen: aanleggen en ‘te vinden’ zijn, opdat het ‘zijn’ zich te vertrouwen toont. Noem het desnoods de economie van de genade volgens een nogal roomse (Augustinus zou gezegd hebben: pelagiaanse) opvatting. Het ontvangen-worden komt als een geschenk, maar daartoe moet de ziel zich wel bereid maken. Genade daalt niet zomaar om het even neer, louter volgens een vooraf beschikte willekeur.
En daarmee kantelt het gedicht opnieuw naar zijn aanvankelijke lezing terug. Want vertrouwen komt er van de wereld als men zelf betrouwbaar is: het oude verhaal van de waard en zijn gasten. Juist daar is het met Felix Vincent misgegaan, ook al is hij niet eens zo verschrikkelijk schuldig. Hij heeft wat gesjoemeld met zijn geweten: de vraag niet gesteld die hij bij het aannemen van een lucratieve schildersopdracht net onder bewustzijnsniveau wist te houden. En daarom had hij gelogen, was niet meer te vertrouwen geweest – en had hij zelf het vertrouwen verloren.
Het drama van Specht en zoon is dat uiteindelijk juist deze twijfel zelf schuldig blijkt. Felix Vincent wist niet te geloven wat hij zichzelf dwong te geloven en bleef daarom vatbaar voor een argwaan die hem fataal werd. Of bijna fataal – want aan het einde van het boek krijgt hij een tweede kans. Meer dan alle religieuze symboliek die men (terecht) in het boek heeft willen vinden, is daarin dit verlangen naar on-schuld allesoverheersend. Of liever: naar herstelde onschuld – wat (toch weer religieus) ‘verlossing’ heet.
Wie die waardig wil zijn, moet zich te vertrouwen weten. ‘Zuiver van hart’ misschien, maar zoiets gaat niet alleen het hart aan. Betrouwbaarheid is er alleen maar in de ogen van een ander: met mijzelf gooit mijn geweten het maar al te licht op een akkoordje. Het is pas in een vreemde blik dat af te lezen valt of ik daartoe werkelijk ben aangelegd – of (nog), zoals de vleesgeworden argwaan wil, verkeer in de hel die onherroepelijk de anderen zijn.
Maar waarom wil de reiziger in Eindaugustuswind die blik niet ondergaan – nog niet? Hij legt zijn boot immers niet aan en alle dromen over zwanen, meisjesarmen staan nog in de irrealis. Misschien is hij nog op weg: naar het vertrouwen dat hij in de slotregel allereerst op zichzelf moet zien te veroveren. Dat was bij nader inzien dus géén nagekomen gedachte, maar inderdaad de som van een berekening: een heilseconomie, om het nog eens rooms te zeggen.
Pas aan het einde van de cyclus gaat de reiziger daadwerkelijk ‘voor anker’. In de schemering en in het riet. ‘Die nacht bracht mij de wind’, zo eindigt het, ‘de geur van pasgemaaid warm gras./ Het was als bracht de wind/ een land dat ik nog kende/ naar het meer, het meer.’