‘vertrouwen is als de wind’

Loys Masson, De schildpadden. Vertaling en nawoord Jeanne Holierhoek, uitgeverij Coppens & Frenks, 234 blz., 3 54,90
IN DE FILM Platoon gaat een patrouille soldaten op een niets en niemand ontziende manier te keer in een Vietnamees dorp nadat een van hun maten is opgeblazen. Niet toevallig valt in deze indrukwekkende en tegelijkertijd ontluisterende slachtscène de naam van de bezeten kapitein Ahab, de man die in Melvilles klassieker Moby Dick niet opgeeft en jacht blijft maken op de witte walvis, zijn graal.

Ik moest niet alleen aan Platoon en Melville denken toen ik De schildpadden (1956), het meesterwerk van de op Mauritius geboren Franse schrijver Loys Masson (1915-1969) las. Johan Fabricius (De scheepsjongens van Bontekoe), Samuel Coleridge (The Rhyme of the Ancient Mariner), Joseph Conrad, R.L. Stevenson, Charles Johnson en B. Traven (Das Totenschiff) kwamen ook in mijn herinnering bovendrijven als indrukwekkende zeeverhalen waarin de graal te grabbel wordt gegooid. Vooral Travens stoker is me bijgebleven als iemand die met een spookschip, een soort Vliegende Hollander, niet minder dan een hellevaart maakt.
In het zeer informatieve nawoord bij haar vertaling noemt Jeanne Holierhoek de overeenkomsten tussen Melvilles Benito Cereno en Massons De schildpadden ‘oppervlakkig’. Ik betwijfel dat, want in beide boeken speelt 'de neger’ een cruciale rol. Melville was geobsedeerd door de zwart-wittegenstelling in de Amerikaanse samenleving, zoals Toni Morrison een paar jaar geleden constateerde in een essay over de witheid van Moby Dick. In Massons roman heeft Maccaibo die positie. Over hem, of liever gezegd over uiterljke verschillen tussen wit en zwart, wordt het een en ander gezegd in De schildpadden. Het volgende bijvoorbeeld - geen voer voor politiek-correcten die een broertje dood hebben aan dubieuze fysionomie: 'Bovendien is een zwart gezicht, het gezicht van een echte neger, altijd geruststellender dan dat van een ander. Je hebt die lippen, opengewerkt naar iets onnozels misschien, maar ook naar actieve vriendschappelijkheid, je hebt dat goedige van voorhoofd en neus. Er is ook iets kinderlijks, zelfs bij hoogbejaarde zwarten; een kind is meer vertrouwen dan broosheid.’
UITGEREKEND Maccaibo bezwijkt als eerste op lugubere wijze aan de pokken op de De Roos van Mahé, een zeilschip dat onder leiding van kapitein Seamus Eckhardt op weg is naar het paradijs - een schat - maar dat ergens in de hel op de Indische Oceaan belandt. De kapitein is een Nederlander, evenals de roerganger van De Vliegende Hollander, en zoon van een Rotterdamse boekhouder. Maccaibo, de nobele wilde aan boord, danst op een keer de 'gouddans’ maar stopt als hij door de blik van Juste Vahély (de man aan boord die hen de schat moet aanwijzen) wordt getroffen: 'iets kouds was in zijn voorhoofd gedrongen’. Een paar dagen later is die 'goeie ouwe ebbeboom’ geveld door de pokken en wordt hij afgemaakt door de enige twee overlevenden van de laatste reis van De Roos van Mahé: de schildpaddenliefhebber Bazire en de naamloze ik-verteller, een zuipschuit die zijn relaas achteraf opschrijft, op de valreep als het ware, om het verleden te herstellen. Bazire is daarbij zijn geweten, zijn 'wroeging’ die hij verafschuwt: 'Ik haat Bazire. Ik haat mijn verleden. Maar een nieuw gezicht krijg ik niet meer, noch een ander hart.’ Zijn pokdalig gezicht omschrijft de verteller en schildpaddenhater, die zijn laatste levensdagen slijt op een eilandje in dienst van een planter, als 'bloemenbestuiver, als een prent van de hel, alsof onder mijn vel Satan huist’.
De kracht van Massons roman is dat de lezer, ondanks dat hij de afloop van de reis van de met pokken besmette Roos van Mahé kent en weet dat er slechts twee overlevenden zijn, van begin tot einde geboeid blijft door de beweegredenen van de verteller en van Bazire, door hun bizarre verhouding, hun haat-liefderelatie. Misschien dat De schildpadden nog het beste te omschrijven is als een psychologische thriller met een sterke onderstroom vol hallucinaties. Masson beschrijft een wereld waaruit God zich heeft teruggetrokken: 'God sliep, want deze verdoofde schepping hoefde niet langer te worden beheerd.’
ECKHARDTS schip ligt in november 1904 bij de Seychellen, de archipel waarop een pokkenepidemie woedt, als zich voor de kapitein, die zich met de smokkel van wapens, opium, alcohol en slaven inlaat, de kans voordoet op 'ergens’ een rijke buit, een schat van jaren her. Slechts de naar zijn schip ontvoerde Vahély weet waar dat 'ergens’ is. Eckhardt spiegelt zijn bemanning voor dat zij mogen delen in de buit die in het verschiet ligt. Vertrouw op mij, is het credo van de autoritaire Hollandse kapitein die zijn ondergeschikten voor horzels uitmaakt. Maar de verteller weet al hoe laat het is: 'Vertrouwen is als de wind; als het niet waait uit de ene hoek waait het ook niet uit de andere.’
De behoorlijk onbetrouwbare verteller probeert op het schip, dat ook nog een lading van vijftig schildpadden heeft, zijn zinnen bij elkaar te houden. Maar de rum en zijn angst voor de pokken maken hem ontvankelijk voor visioenen. Hij vlucht door het spongat van zijn verbeelding, om een van de prachtige beelden te citeren. Hij ziet permanent het kielzog van de dood, door Masson treffend een lijkkist van schuim genoemd. 'Ik fantaseerde zielen zonder hoofd en valbijlen in de vorm van kandelaars: een delirium in groot formaat!’
Dat is De schildpadden ten voeten uit: een literair delirium van groot formaat, over zich verrijken en bezwijken. Ogenschijnlijk moet de redding van Vahély komen. Hij kan het verlossende woord spreken en de poorten naar de aardse rijkdom openen. 'Een antwoord op het zijn. Het waarom van de engelen en van de duivel - en ook dat was uitsluitend in het bezit van Vahély. Vahély drie lettergrepen, drie stemmen: hoop, rijkdom en rouw.’
Maar op een kwade dag komt de kapitein, die ogen heeft als 'van een albatros’ (Coleridge!), niet meer aan dek met zijn gegijzelde man. Vahély is besmet door de pokken. De wereld blijkt een gifmenger, God is in slaap gevallen en uit het woord 'hemel’ vallen twee letters. Het schip vaart de hel binnen. Er is geen hoop meer omdat er geen toekomst meer is.
De schildpadden, vooral de twee grote koninginnen uit de Seychellen, spelen een wonderbaarlijke rol in de overlevingsworsteling van de verteller en Bazire. Nadat Maccaibo, 'onze zwarte Christus’, als eerste is geofferd aan de pokken, wordt de verteller door Bazire meegenomen naar het schildpaddenverblijf. Hoewel de pokken om hen heen dansen 'als muggen om een kaars’, houdt Bazire de moordenaarshand van de verteller onder de binnenkant van het schild van een van de koninginnen. De verteller voelt de hitte uit zijn hand, de koorts uit zijn kop wegtrekken. Is dit een wonderbaarlijke genezing? Hij wil het niet geloven. Het is dat ongeloof dat hem op de rand van de dood brengt, tot hij tot het inzicht komt dat alleen onvoorwaardelijke overgave aan de inzichten en visionaire blik van de bizarre Bazire hem kan redden.
Bazire is uiteindelijk de man die het roer stevig in handen houdt. Van hem komt de wijsheid dat wie naar het lot een ongelukkig gezicht trekt, altijd wordt gepakt. De verteller noemt hem de geest van de voorsteven. 'Onbuigzame, meedogenloze voorsteven; boegspriet die de rampengeografie ontcijfert.’
Van roerganger Bazire komt de verteller nooit af. Twintig jaar nadat beiden de pokkenreis hebben overleefd, zet de verteller, die een paar keer per jaar bezoek krijgt van Bazire, zijn relaas op papier. Bazire stuurt een notaris op hem af die grond van hem wil kopen. De bezegeling van de grondverkoop gaat niet door omdat de ontmoeting tussen de notaris en de verteller uitloopt op een slemppartij van de verteller, die een opdringerige geur rond de notaris bespeurt. Het is de geur van de door hem zo gehate schildpadden.
HET SLOT van De schildpadden is een schitterend beschreven hallucinatie van een verteller die verleden en heden met elkaar gaat verwisselen. De drank en zijn schrijfinspanningen hebben ervoor gezorgd dat alles weer tot leven is gekomen, tot en met kapitein Eckhardt en de schildpadden. Thuis verschanst hij zich en ziet hij hoe Bazire de koopakte en het geld voor de te kopen grond op zijn keukentafel legt, nadat hij zijn laatste valstrikken heeft uitgezet.
Of moeten we de verteller niet op zijn woord geloven en ziet hij spoken, is hij te veel bedwelmd door de geur van de schildpadden die hem eens het leven hebben gered? Het gevecht op leven en dood is nog niet afgelopen. Jaagt Bazire op zijn ziel? 'Wie zal helderheid in mij scheppen? Maar wie ook zal mij uitleg geven over het verleden,…’
De katholieke communist Loys Masson heeft met De schildpadden een roman geschreven waarin het allerlaatste houvast aan de hoop wordt beproefd. Masson schrijft in de laatste jaren van zijn leven niet meer, hij bidt op bittere toon tot een God die hij een 'grote octopus zonder gezicht’ noemt. De literatuur kan de pokken krijgen, maar het meesterwerk De schildpadden is er niet zo gemakkelijk onder te krijgen.