Vervaarlijk

Niet alleen lijken de grimmige beesten van Oskar Kokoschka ieder moment in beweging te kunnen komen, ook de manier van schilderen zélf is rusteloos.

Omdat de Mandril van Oskar Kokoschka in Rotterdam in de vaste collectie van Boijmans Van Beuningen hangt, heb ik dat schilderij vaak gezien. Het werd aangekocht in 1950, dus toen CoBrA in full swing was. In die context van stevig expressief en kleurrijk schilderen werd het toen ook bekeken. Dat kan niet anders. Natuurlijk kun je zien dat het schilderen zoals het door Kokoschka werd beoefend, beweeglijk en lyrisch tegelijk, ergens begonnen is rond Van Gogh. Daarna was er de expressionistische nasleep daarvan, waarin de kleuren forser en contrastrijker werden (en in Duitsland ook donkerder). Tegelijkertijd was Kokoschka, daarvoor nog, als jonge kunstenaar tot wasdom gekomen in de Weense avant-garde, in de Jugendstil. Daarom zien we in zijn werk die bijzondere verweving van vlotte buigzame peinture met sierlijke, nerveuze lijnvoering waaruit geleidelijk een energiek, flexibel handschrift is gegroeid dat hem karakteriseert. Zo zou ik, in algemene bewoordingen, de rijke loopbaan van Kokoschka (1886-1980) kunnen schetsen. Maar dat is alleen kunstgeschiedenis. Veel sporen van wat ik genoemd heb, zijn hier en daar in zijn kunst te bespeuren. Het wezenlijke is echter dat de goede dus eigengereide schilder zich van al die zogenaamde invloeden weet los te maken. Zo vindt de kunstenaar zijn geheel eigen uitdrukking. Die komt niet gewoon meestromen met de geschiedenis, maar is er juist de afwijking van die is afgedwongen.

Onafhankelijke schilderijen, als de Mandril dus, zijn daarom niet tijdgebonden. Natuurlijk draagt het ook de sporen van de tijd waarin het gemaakt werd (1926), maar in de genereuze schilderwijze is het, zoals alle grote kunstwerken, vooral open en exploratief. Daardoor wordt het in de loop van de tijd steeds weer opnieuw tot leven gewekt. In 1950 dus, toen er naar die trotse, woeste aap gekeken werd door de ogen van CoBrA, zag het geschilder er zeker overdadig en wild uit. Dat wil zeggen: het schilderij paste wonderwel in wat toen als avant-garde gold. Daarom was het zelf ook nog een beetje avant-garde – en vol verrassingen. Er bestaat zo een heel spannende kunstgeschiedenis om over na te denken omdat die teruggraaft: Baselitz, Appel, Kokoschka, Munch, Van Gogh, Rembrandt. Zo zou ik wel eens een museum willen zien.

Zoals alle grote kunst­werken is het vooral open en exploratief

Intussen zijn we verder. Nu zie ik in de Mandril ook wel het robuuste schilderen, maar veel meer de houding van het beest zoals het daar zit en loert. De groene omgeving is eigenlijk gedempt van kleur en donker. De kop licht vervaarlijk op. Nog duidelijker zien we die vervaarlijke houding in een schilderij dat Tigon heet, ook uit 1926 en ook, net als de aap, langdurig bekeken in de dierentuin in Londen. Het grimmige beest, een kruising tussen een tijger en een leeuw, kijkt ons echt dreigend aan, gloeiend bruin tegen donkerzwart. In beide gevallen is de houding stevig maar tegelijkertijd nerveus – alsof de beesten elk moment in beweging kunnen komen. Dat komt door het typische handschrift van Kokoschka dat vooral bestaat uit bevende streken die, zonder te versmelten, tegen elkaar liggen en elkaar zo beweeglijk houden. De manier van schilderen komt nauwelijks tot rust, en daardoor oogt de hele vormgeving zo ondoorgrondelijk en oogstrelend rusteloos.

Misschien komt het door de dwarse aanwezigheid in de kunst nu van Bruce Nauman. In zijn werk immers is onzekere wankelheid van vormen en gestalten een hoofdmotief. Daar kom ik eens op terug. Maar tegelijkertijd komt een koppig schilderij Zonder titel van de jong gestorven Kurt Kocherscheidt in gedachten, ook een Oostenrijker. Het oppervlak daar is rulle, korstige huid, ook vreemd dwingend van vorm. Het bestaat uit droge, korte verfstreken: op het oog vrijwel monochroom, maar als je er indringend naar kijkt is het een stug en karig weefsel van geborstelde passages die elkaar dwars lijken te zitten. Daar zit de spanning. Ik beschouw het handschrift van Kocherscheidt als een grote donkere versobering, ook nogal dwars, van dat flexibele, vloeiende schilderen van Kokoschka.

PS: Het zal u niet zijn ontgaan dat er de komende maanden een mooie tentoonstelling van Kokoschka te zien is in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam