Pijnlijke geschiedenis Zuid-Afrika

Vervaarlijk stampende Zoeloes

Op 16 december herdenken nationalistische Afrikaners de glorieuze Slag bij Bloedrivier, waarbij vijftienduizend Zoeloes werden gedood. De Zoeloes zien het verhaal echter anders. Twee musea tonen de verschillende interpretaties.

DE MYTHE. Op 6 februari 1838 liet Zoeloe-koning Dingaan op laffe wijze Voortrekkerleider Piet Retief en zijn zeventig kompanen vermoorden. Vervolgens zou hij ook wel even korte metten maken met de rest van die duizenden Afrikaners die onlangs, om te ontkomen aan het Engelse juk, zijn land waren binnengetrokken. Maar hij had de strijdbaarheid, de verbetenheid en het geloof van de Voortrekkers onderschat. En zo kon het gebeuren dat ruim tien maanden later, op 16 december 1838, een Voortrekkercommando van nog geen vijfhonderd man diep in de Zuid-Afrikaanse binnenlanden bij de rivier Ncome op verpletterende wijze een Zoeloe-overmacht van maar liefst vijftienduizend strijders versloeg. De Zoeloes verloren bij die confrontatie drieduizend man, terwijl er aan Afrikaner zijde drie gewonden vielen. De Ncome werd herdoopt tot Bloedrivier.
Nog mythischer. Negen dagen voor de strijd hadden de Voortrekkers een Gelofte afgelegd, waarin ze God verzochten om steun tijdens de slag. In ruil daarvoor zouden ze een kerk voor Hem bouwen en de overwinning jaarlijks herdenken. Aldus geschiedde. De kerk kwam er, en de Afrikaners waanden zich het Uitverkoren Volk. Zij beschouwden zich als door God gezonden gezanten van de christelijke beschaving, wier taak het was om de zwarten te behoeden voor ‘moord, verkrachting en geweld’.
Decennialang werd die miraculeuze dag in december door Afrikaners gevierd als Geloftedag, een feestdag om de superioriteit van het Volk te onderstrepen. Inmiddels heet 16 december Verzoeningsdag, maar nog altijd komen grote groepen Afrikaners die dag samen bij het massieve granieten Voortrekkermonument net buiten Pretoria, met zijn muren waarin de hoogtepunten uit de Afrikaner historie zijn gebeiteld. Natuurlijk is er een speciale plek voor de strijd bij de Bloedrivier, vol opvallend groot en gespierd afgebeelde Zoeloe-strijders, om de heroïek nog eens extra te benadrukken. Dit was niet zomaar een overwinning! Dit was een tegenstander van ongekend formaat! Het gebouw werd door architect Gerard Moerdyk (Nederlandse ouders) in de jaren dertig zo ontworpen dat iedere zestiende december om twaalf uur ’s ochtends het zonlicht prachtig door een uitsparing in het dak valt, precies op de marmeren plaat beneden, waarin de tekst ‘Ons vir jou Suid-Afrika’ is gegraveerd. De Slag bij de Bloedrivier is, kortom, onlosmakelijk verbonden met Afrikaner nationalisme, de psyche en de apartheidsideologie, terwijl de moord op Piet Retief de verraderlijkheid en lafhartigheid van de zwarte Zuid-Afrikanen symboliseerde.

DE BLOEDRIVIER stroomt ruim vijfhonderd kilometer ten oosten van de hoofdstad Pretoria, diep in de provincie Kwazulu-Natal, ongeveer veertig kilometer van het steenkoolstadje Dundee. Halverwege Dundee en Vryheid geeft een bruin bord aan dat je hier rechtsaf moet, van de asfaltweg af, om bij de Bloedrivier/Ncome-musea te komen, één van de Afrikaners en één van de Zoeloes. Het landschap is uitgesproken fraai, gedomineerd door koeien die vredig tussen de heuvels in het hoge gras grazen. Desondanks is de sfeer ietwat onheilspellend. Misschien komt het door het weer: kil met laaghangende bewolking in diepe grijstinten en een druilerige regen. Of misschien komt het door de onwerkelijke stilte. Waarschijnlijk komt het gewoon door de wetenschap dat hier duizenden mensen het leven lieten. De Zoeloes noemden dit gebied na de veldslag ‘de vlakte der beenderen’.
Na twintig kilometer over de onverharde weg kom je bij een gesloten hek en een poort van witte stenen. Daarop is met metalen letters het woord Bloedrivier aangebracht, inmiddels met roestbruine druipsporen. Om binnen te komen en het museum te bezoeken moet je aanbellen. Het elektronische hek schuift piepend open. Er zijn geen andere bezoekers. Het eerste dat opvalt is een enorme, massief granieten ossenwagen op een platform, met aan de ene kant de tekst ‘Die Gelofte, 7 des 1838’ en daarboven de uitgehouwen beeltenis van acht vrome Voortrekkers die op die bewuste decemberdag hun eed afleggen. Aan de andere kant is een kerkje uitgebeiteld met daaronder de woorden ‘Die volvoering van die gelofte 1839-1840’, een verwijzing naar de Geloftekerk in Pietermaritzburg die de Afrikaners in 1841 als dank voor Gods steun bouwden.
In het museum achter de ossenwagen int een wat stuurse vrouw de twee euro entreegeld. Ze wijst naar het zaaltje links, waarin rijen houten banken staan. Daar is een permanente tentoonstelling die de Slag bij Bloedrivier behandelt. Het eerste paneel waarschuwt: ‘Gebeure in die geskiedenis word dikwels op verskillende wyse geinterpreteer’. Maar voordat ik kans krijg om de rest van de uitstalling te bekijken vraagt de vrouw: ‘Engels of Afrikaans?’ Met een afstandbediening klikt ze de dvd-speler aan. Een half uur lang dendert een stuk essentiële, controversiële Zuid-Afrikaanse geschiedenis voorbij. Deze documentaire, uit 2003, geeft de Afrikanerversie van het gebeuren weer, voorzien van fragmenten uit de speelfilm Shaka en de oude Afrikaner propagandafilms They Built a Nation (1938) en Die Voortrekkers (1973). We zien wild dansende en vervaarlijk stampende Zoeloes met schilden en speren en onvervaarde Afrikaner mannetjesputters met stoere baarden en vilten hoeden. Maar dit is het nieuwe Zuid-Afrika, en dus pretenderen de film en de tentoonstelling een objectief beeld te geven van het gebeuren door het in historische context te plaatsen en controversiële elementen aan te geven. Maar het voelt nog steeds als een Feyenoord-fan die krampachtig probeert lovend over Ajax te zijn.
We zien hoe duizenden Voortrekkers vanaf 1835 uit de Oostkaap wegtrokken om te ontkomen aan de onveiligheid en de Britse overheersing, de Grote Trek. Het waren woelige tijden in Zuid-Afrika, met massale volksverhuizingen, mede dankzij de Zoeloes die onder koning Shaka (ca. 1787-1828) in korte tijd een reusachtig rijk hadden opgebouwd door naburige stammen op gewelddadige wijze in te lijven. Nadat een groep Voortrekkers met hun ossenwagens op moeizame wijze de Drakensbergen over waren gestoken, kwamen ze in Zoeloe-land, dat er met zijn groene valleien en lustig stromende rivieren paradijselijk uitzag. Leider Piet Retief ging met Zoeloe-vorst Dingaan, de opvolger van Shaka, onderhandelen over een stuk grond voor de Afrikaners. Met zeventig man bezocht hij begin 1838 het koninklijk paleis. Alles leek naar wens te gaan. Er werd zelfs een Traktaat, een overeenkomst, ondertekend waarin Dingaan grond aan de blanke immigranten gaf. Maar terwijl de Voortrekkers kort voor hun vertrek dachten nog een laatste feestelijkheid met veel Zoeloe-dansen bij te wonen, stond Dingaan op en schreeuwde: ‘Vermoord de tovenaars!’ We zien het in zwartwit: Zoeloes, gehuld in beestenvellen, die de ongewapende Retief en zijn mannen (de wapens hadden ze buiten de kraal achtergelaten) grijpen, wegslepen en met knuppels het hiernamaals injagen. Retief als laatste, zodat hij getuige was van het lijden van zijn mannen. Hart en lever werden uit zijn lijf gesneden en op een schaal op een pad gelegd waar de Zoeloes de volgende groep Voortrekkers verwachtten. We begrijpen de boodschap: laf, laf en nog eens laf.
Dingaan had intussen de smaak te pakken. ‘We gaan de blanke honden vermoorden’, scandeerden zijn krijgers, en elf dagen later werden Afrikaner kampementen bij Bloukransrivier door Zoeloe-krijgers overrompeld. In het boekje Bloedrivier dat in het museum te koop is schrijft auteur V.E. d’Assonville: ‘Dit was ’n verskrikkelike bloedbad. Niemand is gespaar nie. Oumense, vrouens en kinders is almal voor die voet op die wreedste manier gedood. Bloeddorstigheid het hoogty gevier.’ Bijna driehonderd Afrikaners werden gedood bij de plek die als Weenen de geschiedenis in zou gaan, terwijl de naburige stroom Moordrivier zou gaan heten. Laf, laf, laf, wederom. De Afrikaners waren nu danig verzwakt, ze zaten zonder eten en waren ontmoedigd door alle ontberingen in het ‘paradijs’. Ze wisten dat Dingaan op bloed uit was. Daarom vroegen ze om hulp van de andere kant van de Drakensbergen. Zie daar, op 22 november arriveerde Andries Pretorius met een gevolg van zestig commando’s te paard en een kanon. Vier dagen later werd hij gekozen tot opperbevelhebber. Pretorius was een geducht strijder en een begenadigd tacticus. Hij besloot de Zoeloes in de val te lokken. Met 64 wagens, een adjunct, zes commandanten, 464 Voortrekkers, drie Britse kolonisten en hun 120 zwarte helpers, zevenhonderd ossen, 750 paarden en genoeg eten, drinken en munitie ging hij op zoek naar een geschikte plek om de belagers af te wachten.
Pretorius herstelde niet alleen de discipline en strijdlust, maar ook de christelijke moraal. En zo werd op 9 december de beroemde Gelofte afgelegd bij Danskraal, aan de oevers van Wasbankspruit, waarmee de Voortrekkers God om hulp en genade verzochten, eindigend met de woorden ‘Sy naam sal verheerlik word deur die roem en die eer van oorwinning aan hom te gee.’ Via Winterton, Ladysmith en Dundee trok het Pretorius-commando vervolgens naar de Ncome-rivier, waar ze op 15 december aankwamen. Intussen had Dingaan een leger van tussen de twaalf- en zestienduizend man op de been gebracht. De Voortrekkers maakten hun lager aan de westoever van de rivier, aan de ene kant gedekt door de rivier zelf, en aan de andere kant door soms vier meter diepe geulen in het grasland. De ossenwagens werden in een cirkel gerangschikt, verbonden door veghekke. Bij iedere opening konden acht man staan, voorzien van musketten (Ou Sanna’s genoemd) die tot tweehonderd meter konden vuren en tot tachtig meter redelijk nauwkeurig waren. Er konden twee tot vier schoten per minuut mee worden afgevuurd. Het laden gebeurde in roulatie, zodat er constant geschoten kon worden. Daarnaast beschikten ze over drie kanonnen (een heette Ou Grietjie), waarvan er twee een reikwijdte hadden van driehonderd meter en het andere zelfs een paar duizend meter kon schieten.
De nacht van 15 december was maanloos en mistig. De Voortrekkers zongen Psalm 38, vers 12-16, dat de Zoeloes, niet gewend aan dergelijke klaagliederen, als bang gehuil interpreteerden. Zelf zongen ze omineuze strijdliederen als Ihubo Lamabutho, waarin de grote koning Dingaan werd geprezen: ‘Wij gaan voor u! Koning en vader! Leeuw! Olifant! Bevrijder!’ Met enige bezorgdheid keken ze naar het spookachtige schijnsel dat de lampionnen verspreidden die aan de ossenwagens waren opgehangen. Eindelijk, om half zeven ’s ochtends werd de aanval ingezet. De Zoeloes gebruikten hun beproefde buffelkopformatie, waarin de twee hoorns met jonge krijgers vanaf de flanken aanvallen, waarna de kop, de ervaren strijders, het werk afmaakt. De Voortrekkers hadden geluk. De ochtend was warm en zonnig, zodat het kruit droog bleef. Ook de tactiek van een strategisch gebouwd lager werkte. De rechterhoorn was geen partij voor het geweervuur, de linkerhoorn die daarna de aanval inzette evenmin. Drie keer herhaalden de Zoeloes hun massale bestorming. Keer op keer werden ze teruggedreven, struikelend over de lichamen van hun dode en gewonde kameraden. Daarna beval Pretorius zijn ruiters om de achtervolging in te zetten. Een geschatte 160 commando’s vielen in kleine groepen de vluchtende strijders aan, ‘als een zwerm bijen’. Sommige Zoeloes vluchtten in de rivier en bleven als hippo’s met hun neus boven water. Toen de Voortrekkers dat opmerkten maakten ze er een spelletje van de hulpeloze krijgers af te slachten. Zo’n duizend man sneuvelden in de rivier en kleurden het water rood. In totaal werden ongeveer drieduizend Zoeloe-krijgers gedood. Voortrekker Charl Cellier beschreef het plastisch: ‘De Zoeloes lagen op het veld als pompoenen op vruchtbare grond die een goede oogst had geschonken.’ Dat is het verhaal dat je voorgeschoteld krijgt in de film, op de panelen en in het boekje. Netjes melden de curatoren dat er ‘uiteenlopende interpretaties’ bestaan, vooral van de moord op Retief, de Slag bij Bloukrans (Weenen) en de Slag bij Bloedrivier. De museumversie, meldt men, is grotendeels gebaseerd op primaire, geschreven bronnen, waaronder een verslag van Pretorius zelf, dat op 23 december 1838 in het Nederduitsch Zuid-Afrikaansch Tijdschrift verscheen.

HET IS OPGEHOUDEN met regenen. Tijd om naar buiten te gaan en de gedenktekens te bekijken. Behalve de granieten ossenwagen is er een driehoekige stapel keien die dient als herbevestiging van de Gelofte, en een stapel stenen die in 1866 door Afrikaners en Zoeloe-krijgers werden gelegd om de verbroedering te symboliseren. En dan, enkele honderden meters verderop, het hoogtepunt: 64 levensechte bronzen replica’s van de ossenwagens, aaneengesloten in een lager, op de plek waar waarschijnlijk het originele lager stond, met daartussen drie kanonnen. Het is een roestbruine cirkel in het gras, waar je omheen kunt lopen en bij stil kunt staan in een poging de gebeurtenissen van 16 december 1838 op te roepen, en te proberen te bevatten hoe nog geen vijfhonderd Voortrekkers zo’n enorme overmacht konden verslaan, en wat voor sporen die overwinning moet hebben achtergelaten in de Zoeloe-psyche.
De Zoeloe-versie van het gebeuren vind je als je bij de poort van het Voortrekkersmuseum linksaf gaat. Eerst kom je bij de Bloedrivier zelf, een teleurstellend kleine stroom. Aan de andere kant van het water, recht tegenover het bronzen lager, staat het in 1998 geopende Ncome Museum, gebouwd in de vorm van de strijdformatie van een buffelkop met twee hoorns. Aan de buitenmuren hangen portretten van de Zoeloe-koningen sinds Shaka. Aan de zuidkant hangt een serie schilden, defensief, alsof het wederzijds wantrouwen voortleeft. Vorig jaar nog waren er spanningen toen zo’n drieduizend Afrikaners naar hun museum waren gekomen om 170 jaar Bloedrivier te herdenken, en de politie de leden van de Ncome Museumraad verhinderde de Afrikaner festiviteiten bij te wonen, om raciale incidenten te voorkomen.
Het museum, waarvan de toegang gratis is, oogt wat verwaarloosd. Manager Nhlanhla Mkhulisi vertelt dat ze wachten op geld van het ministerie van Kunst en Cultuur voor een opknapbeurt. De opzet is vergelijkbaar met die aan de overkant: panelen aan de muur die de geschiedenis vertellen. Het spel is nu ‘zoek de verschillen’. Die zijn er volop. Zoals het Voortrekkersmuseum reeds aangaf, hebben ze betrekking op de positie van Dingaan (geen lafhartige schurk), de moord op Piet Retief en zijn kornuiten (ze vormden een bedreiging voor de cohesie van de Zoeloe-natie), het Traktaat (een Afrikaner verzinsel) en de moordpartij bij Weenen (hier hadden de Voortrekkers onrechtmatig land bezet). Opvallend is dat bij de veldslag zelf nauwelijks wordt stilgestaan. ‘De Voortrekkers hadden het voordeel van hun vuurkracht en waren goed beveiligd in hun lager, en (commandant) Ndela beval zijn mannen om zich terug te trekken toen hij onderkende dat de aanval mislukt was’, vat het museum de pijnlijke nederlaag samen. Maar, benadrukt een laatste paneel, de Zoeloes zijn geen haatdragend volk, en ook zij hebben een woord voor verzoening: ukukhumelana umlotha. ‘Het is noodzakelijk dat vijanden zich verzoenen met wat er gebeurd is.’
Waarom dan twee aparte musea? Waar het om gaat, zegt Mkhulisi, is te laten zien dat er verschillende opvattingen bestaan over het gebeuren. Eén museum met een uiteenlopende uitleg zou maar verwarring scheppen. ‘Wij willen mensen de erfenis en historie van Zuid-Afrika tonen, inclusief het rassenconflict en de segregatie.’ Over de eventuele sporen die de slag achterliet in de Zoeloe-psyche zegt Mkhulisi: ‘De Zoeloes zijn een trots volk. Ze erkennen hun nederlaag, maar het zwaarst op de psyche drukt de nog altijd voortdurende haat en het wantrouwen tussen de twee volken.’

TALLOZE HISTORICI hebben gepoogd de waarheid te achterhalen. Geen van allen trekken ze de eclatante militaire overwinning van Pretorius en zijn commando’s in twijfel. Wel geven ze het gebeuren een context die vraagtekens plaatst bij de oprechte bedoelingen van Retief en zijn onderhandelingen met Dingaan, het startsein voor de vijandelijkheden. De gerenommeerde Afrikaner historicus Hermann Giliomee, die in zijn zevenhonderd pagina’s dikke boek The Afrikaners: Biography of a People slechts een halve bladzijde inruimt voor de Slag bij Bloedrivier, beschrijft Retief als overmoedig en hautain in zijn onderhandelingen met Dingaan (‘Je hebt een Nederlander, niet een Engelsman, nodig om de kaffers te begrijpen’, zou Retief gepocht hebben). De angst en het wantrouwen van Dingaan waren begrijpelijk, schrijft historicus John Laband in zijn boek over de Zoeloes Rope of Sand. Ook hij typeert Retief als arrogant en neerbuigend, zeker toen hij Dingaan hooghartig dreigde met ‘de toorn van God over slechte vorsten’. Waarschijnlijk, stelt Laband, had Dingaan het plan om Retief te vermoorden al voor diens bezoek opgevat. Hij was terecht bevreesd voor een afbrokkelen van de macht als hij grote aantallen Voortrekkers toeliet op zijn grond.
En dan is er dat Traktaat, de overeenkomst die Retief en Dingaan zouden hebben ondertekend en die de Voortrekkers recht gaf op een groot stuk Kwazulu-Natal. Volgens de Afrikaners werd het originele document vijf dagen na de Slag bij Bloedrivier gevonden in een leren tas die nog aan het lijk van Retief hing. Laband stelt dat het ‘wonderbaarlijk’ is dat juist dit document zo goed bewaard was gebleven, terwijl alle andere paperassen nauwelijks meer leesbaar waren. De juridische claim op dit stuk grond, schrijft Laband, is dus gebaseerd op een stuk papier waarvan de status ‘problematisch, zo niet geheel vals’ is. Het valt niet meer te checken, want het ‘origineel’ is tijdens de Anglo-Boerenoorlog in 1900 verdwenen.
Laband plaatst ook de miraculeuze overwinning van de Voortrekkers in perspectief. Hij wijst erop dat de Bloedrivier geen uitzondering was; de Afrikaners hadden de Zoeloes al eerder zware verliezen toegebracht. Hij schrijft: ‘Hoe je het ook interpreteert, dit was een klassiek voorbeeld van de vernietigende superioriteit van goed gespreid geweervuur door kordate mannen in een perfecte verdedigingslinie over krijgers met speren, ondanks hun numerieke overmacht en moed.’ Saillant is ook dat de Voortrekkers er waarschijnlijk een stuk minder nobel en heldhaftig uitzagen dan ze worden afgebeeld in de documentaire en op de panelen. De Franse naturalist Adulphe Delegorgue beschreef hen in 1839 als ‘grote, slungelige lui met lange ledematen, stuntelige gebaren, lomp gedrag, een beperkt taalgebruik en open monden – mannen die gemaakt zijn om hun ossen voort te drijven en daarmee te communiceren’.
Het deerde de Afrikaners niet. Onder leiding van hun president Paul Kruger onderkenden zij het belang van de mythe voor hun identiteit en natiebouw. Het was Kruger die de Gelofte in 1881 voor het eerst uitgebreid liet herdenken en het idee van een Uitverkoren Volk dat fabelachtige militaire overwinningen boekt gebruikte om eenheid te creëren in de bloedige strijd tegen de Engelse overmacht aan het eind van de negentiende eeuw. Onder apartheid werd het herkauwen van de gebeurtenissen op en rond 16 december 1838 verplichte kost op alle scholen. Tegenwoordig krijgen de moord op Retief en de Slag bij Bloedrivier in de schoolboeken nauwelijks meer aandacht. Sterker nog: op veel middelbare scholen is geschiedenis een ondergeschoven kindje, en beperkt het lesmateriaal zich grotendeels tot apartheid en haar oorzaken en gevolgen. Alleen in de vierde klas leren studenten nog over de periode 1750-1850. De Grote Trek en de Slag bij Bloedrivier worden in de boekjes afgedaan in een paragraaf. ‘Er wordt nu vooral gekeken naar wie de grond bezat, en hoe de komst van de blanke kolonisten het evenwicht verstoorde. De Grote Trek is vervangen door de mfecane, de oorlogen en volksverhuizingen in heel zuidoost-Afrika’, zegt Michelle Friedman, die dertig jaar in het vak zit.
Maar in het nauw gedreven, nationalistische Afrikaners dreggen de heroïek nog steeds op. Op openbare bijeenkomsten van rechtse groeperingen wordt zonder uitzondering aan de onbetrouwbaarheid van de Zoeloes (president Jacob Zuma is een Zoeloe) en de heldhaftigheid bij de Bloedrivier gerefereerd. Het recht op een stuk Zoeloe-land wordt aangehaald. En stug wordt volgehouden dat het de blanken waren die door God hiernaartoe zijn gezonden om de zwarten beschaving bij te brengen. ‘Ons is die geloftevolk, ons moet die verbond in stand hou’, brulde de gepensioneerde generaal Servaas de Wet van de ultrarechtse Afrikaner Weerstandsbeweging (AWB) onlangs bij een bijeenkomst van rechts. Zonder Bloedrivier geen onversaagd volk. Aan de muur van het kantoor van AWB-leider Eugene Terre’Blanche hangt een kopie van een schilderij van W.H. Coetzer dat in het Voortrekkermuseum in Pietermaritzburg (de voormalige Geloftekerk) te bewonderen is. Het perspectief is van bovenaf. We zien schietende commando’s op paarden die in het felgroene gras vluchtende Zoeloes neermaaien. De bovenrand van de verder lichtblauwe rivier is dieprood. Toeval of niet, maar het is dezelfde beladen prent die scholieren krijgen voorgelegd in hun geschiedenisboekje, met de opdracht om te beschrijven vanuit wiens perspectief dit is geschilderd, en met de vraag hoe realistisch en accuraat het plaatje is.