Vervagingsthese

In zijn Kleine encyclopedie schetst Herman Vuijsje nieuwe inzichten over Nederland aan de hand van neologismen. Deze week de vervagingsthese: God is een ouwe soldaat.

Klein, intiem en persoonlijk – dat is de uitvoering van de Matthäus Passion door Tango Extremo op basis van de hertaling door Jan Rot. In zuivere overeenstemming met de boodschap van het lijdensverhaal. En in alles het tegendeel van het The Passion-geweld in Enschede.

‘Ik heb het bewust zo hertaald dat het zowel gelovigen als ongelovigen kan aanspreken’, vertelt Jan Rot aan het begin van de voorstelling. Daarmee maakt hij expliciet welke betekenis de Matthäus in ons land heeft gekregen: een spirituele belevenis die het onderscheid tussen wel en niet religieus voorbij is.

De Nederlandse _Matthäus-_traditie logenstraft de felle discussies over de vraag of God wel of niet bestaat en of we hem terug moeten toveren of moeten dansen op zijn graf. Dat debat dateert al van het begin van de vorige eeuw, toen sociale wetenschappers de ‘secularisatiethese’ poneerden. Naarmate de modernisering vorderde, doorliep de mensheid een natuurlijke opeenvolging van religieuze fasen: van animisme en pantheïsme via polytheïsme naar monotheïsme. Uiteindelijk legde ook die ene, almachtige God het loodje en leefden de mensen verder zonder goden. De theorie spitste zich toe op het Westen, maar was volgens sommigen ook elders van toepassing: atheïsme was wereldwijd het eindstation.

Zo voorspelde de toonaangevende godsdienstsocioloog Peter Berger dat in de 21ste eeuw alleen nog kleine plukjes gelovigen zouden resteren, die sektegewijs probeerden te overleven in een wereldwijde seculiere cultuur. Dat was in 1968, maar dertig jaar later kwam Berger tot inkeer. Verrast door de taaiheid van de religieuze materie maakte hij een draai van honderdtachtig graden. Foutje! Sindsdien predikt hij de ‘desecularisatiethese’: religie rukt juist weer op in de wereld.

Jammer dat hij mijn oude tante Jopie niet kende, dan zou dit droeve gedraai hem bespaard zijn gebleven. Tante Jopie was het grootste deel van haar leven fervent communist, maar ze sloeg het gekibbel over het bestaan, het afschaffen, het verdwijnen of het in ere herstellen van God hoofdschuddend gade. ‘Ik heb wel eens geprobeerd de ontwikkelingen in de fysica te volgen’, zei ze, ‘maar het antwoord op iedere vraag werpt alleen maar nieuwe vragen op. Er zijn nu eenmaal dingen die de menselijke denkkracht te boven gaan. Zijn we echt zoveel verder dan “In den beginne schiep God hemel en aarde” als we zeggen: “Eerst was er de Big Bang?”’

Tante Jopie kreeg gelijk. Met het wegvallen van algemeen aanvaarde noties over het bovennatuurlijke verliest het onderscheid tussen wel en geen God simpelweg zijn betekenis. God en religie verdwijnen niet, maar terugkomen doen ze evenmin. In plaats daarvan wordt de grens tussen wel en niet religieus steeds minder duidelijk. Daarom kunnen we in plaats van een secularisatiethese of een desecularisatiethese beter een ‘vervagingsthese’ opperen. Het christendom is daarin ‘gidsgeloof’, een gidsrol die vooralsnog vooral in West-Europa duidelijk wordt. De God van Nederland en West-Europa is een ouwe soldaat – hij sterft niet, maar vervaagt.

Toekomstige generaties zullen waarschijnlijk met verbazing terugzien op de verbeten strijd tussen atheïstische zeloten als Richard Dawkins, Daniel Dennett en in Nederland Herman Philipse en Paul Cliteur en hun tegenstanders uit het orthodox-religieuze kamp. Dezelfde verbazing die wij nu voelen over de scholastieke haarkloverijen en schisma’s rond de predestinatie en de vraag of de slang gesproken heeft. En over het verschil, als we daar al iets van snappen, tussen sjiitische en soennitische geloofsopvattingen.

De religieuze grensvervaging kent ook een ruimtelijke pendant. Godsdienstige gevoelens en rituelen zijn steeds minder gebonden aan specifieke sacrale plekken, zoals tempels en kerken. Ook ‘de natuur’ kan als altaar fungeren. De zonsondergang. Of de pelgrimsroute naar Santiago de Compostela. Vroeger moest je als pelgrim voorgeschreven heilige plaatsen bezoeken om de daar gekoesterde relikwieën te vereren. Nu is de route zelf het decor van sacrale ervaringen geworden, met als enige relikwieën de zweetdruppeltjes van de miljoenen pelgrims die voorgingen.

Niet alleen voor dominees en priesters vormt deze grensvervaging een existentiële bedreiging, maar ook voor godsdienstsociologen: hun onderzoeksgebied dreigt in de mist te verdwijnen. Zij bestuderen het vaagste wat er is – beelden van het bovennatuurlijke – en hebben de pech dat die beelden zelf nu ook nog eens aan vervaging ten prooi zijn. Metafysische beelden zijn niet meer ‘digitaal’ maar ‘analoog’, zou je kunnen zeggen.

Onderzoekers weten daardoor nauwelijks meer wat ze eigenlijk meten als ze mensen naar hun religieuze ideeën vragen. Alle begrippen die daarbij te pas komen, hebben hun eenduidige betekenis verloren. Tegenwoordig maakt ieder voor zich wel uit wat God, geloof of gebed voor hem inhoudt. Kwesties van algemene geldigheid en objectieve waarheid spelen daarbij geen rol meer: de vraag of er al dan niet een God en een bovennatuur ‘bestaat’, wordt van onbelang.

Enquêtes naar religieuze opvattingen worden daarmee notoir onbetrouwbaar. Hetzelfde geldt voor uitspraken over secularisatie en desecularisatie. Een voorbeeld is de stelling van scp-onderzoeker Joep de Hart dat er weliswaar ‘minder kerk’ komt, maar buiten de kerken juist ‘meer geloof’. Een hartenkreet, geslaakt de profundis – vanuit de diepten, waar alles duister en onbestemd is.