Verveeeeeling

Trek? Een tussendoortje… Slaap? Een serestaatje… Moe? Een uppertje… Nerveus? Een betablokkertje… Bang? Een stil alarmpje… Langzaam? Een TGV-tje… Dorst? Een smartdrankje… Vuil? Een allochtoontje… Snel? Een stilteweekendje… Koud? Een combiketeltje… Voorspelbaar? Een survivaltochtje… Beschadigd? Een prothesetje… Saai? Een housepartijtje… Kleine wereld? Internetje… Enzovoort en nog veel verder.

Hij wilde al lange tijd dood zijn, ten hemel varen, zijn aanspraak op eeuwige vrede eindelijk gestand doen. Ach, het was wel lekker hoor, die verworvenheden der consumptiemaatschappij, dat grote genieten dat eindeloos doorging. Prima dat het einde der dialectiek zo langzamerheid een voldongen feit was en de meest schrijnende beelden van elders konden worden geneutraliseerd door een prachtige metamediatheorie van de representatie. Fijn ook dat solidariteit was ontmaskerd als verzinsel van het materialistisch collectivisme en rood en blauw samen best paars konden worden. Maar toch…
Het bleef ellendig, die jetlags, als je terugkwam van een gesubsidieerde orientatiereis naar Las Vegas of Orlando of Tokio. En vervelend ook, die kwaaltjes die nog steeds niet te voorkomen waren. Verkoudheidje, immuniteitsprobleempje, je liep het zo op. De ingredienten van het paradijs waren dan wel in het ondermaanse geimporteerd, de uiteindelijke bereiding van het perfecte bleef toch voorbehouden aan het koninkrijk der hemelen. Daar moest toch iets beters bestaan dan het eeuwige zappen van het ene naar het andere genoegen: een volledig transparante interface tussen alle soorten orgasme.
Zijn vrienden, voor zover nog als zodanig te benoemen, maakten zich zorgen. Zo jong nog, en nu al levensmoe. Alles hebben, en toch blijven verlangen naar de vervulling, een apotheose. Dus verzonnen zij een list.
’s Anderendaags ontwaakte hij in een onbekende kamer. Hij lag op een hemelbed, onder een prachtig velum. Er lag geen erwt onder welk kussen dan ook, zijn lichaam leek gewichtloos op het dons te deinen. Aan het baldakijn hing een koord. Hij belde. Weldra kwam een lakei de kamer binnen die vroeg wat mijnheer wenste. ‘Een breakfast special graag, met alles d'rop en d'raan.’ In een ommezien stond het bijzettafeltje vol met heerlijkheden. Terwijl hij zich te goed deed aan de nectar en ambrozijn, genoot hij van het schalmeienspel der engelen, van sirenen die zongen zoals geen sterveling ooit had gehoord.
Zo lag hij aan, ononderbroken voorzien van uitgelezen wijnen, de fraaiste spijzen. Zijn lichaam voelde hij niet, het ontbrak hem aan niets. ’s Avonds kwam de lakei wederom met alles wat zijn hartje begeerde. Wanneer hij aan iets moois dacht, kwam onmiddellijk een stoet met al het moois dat denkbaar was voorbij. Dacht hij aan geliefden en vrienden, ze waren in zijn onmiddellijke nabijheid. Ten slotte was alles om hem heen nog slechts de voortdurende bevrediging van zijn gedachten. Toen hield het denken op.
Zo ging het door, dag in dag uit. Het leven in het paradijs kreeg een bekend patroon. De overtreffende trap van al wat mooi en goed is, werd erg herkenbaar. Na dagen van godenspijs kreeg hij door wat de standaardisering van de perfectie betekende. Niets was nog relatief. Zodra een verlangen door de bevrediging van een ander verlangen dreigde te worden vergeten, was het dat verlangen dat stante pede werd vervuld. Gek werd hij ervan. Wanneer hij expres zijn eten weigerde om weer honger te kunnen voelen, bleek dat hij alleen maar at voor de lekkerte. Net toen hij zijn eten weigerde om gebrek te hebben aan lekkerte, bleek dat hij alleen maar at uit gewoonte.
Uit: Nox C: Chloroform: een samenleving onder narcose. Uitgeverij Duizend & Een. 159 blz.
Totdat de lakei aan zijn bed kwam en zei: mijnheer, er is een fout gemaakt, u bent niet dood. U zult terug moeten keren naar onze onvolmaakte dependance op aarde. Sterkte met de buikloop. Zo werd hij uit de hemel getrapt. Het deed geen pijn. Het was de laatste trap die geen pijn deed. Vanaf nu kon de pijn beginnen. Uit: Nox D: Djihad (nog te verschijnen)