Opheffer

Vervelende boeken beschaven ons

Je zou het «de literaire paradox» kunnen noemen. Zodra lieden zich gaan verenigen rond een boek gaat het mis. Het boek heet bijbel, koran, thora, het Communistisch Manifest, Mein Kampf, het Rode Boekje — en voordat je het weet, stoppen de leden van de vereniging niet-leden in de gevangenis, of in een massagraf.

Je hebt het ook met «mindere» boeken. Ik verzamel bijvoorbeeld bijzondere uitgaven van Gerard Reve. Er zijn veel mensen die dit doen. Dat zijn allemaal gevaarlijke gekken. (En ik weet dat zij mij ook een gevaarlijke gek vinden.)

Het gevaarlijke zit hem in het fanatisme dat ze uitdragen. Voor een selecte groep gestoorden moest ik onlangs een lezing over Reve houden. Na de lezing kwamen er vragen. Die gaan zelden over de lezing, maar altijd over de fouten, of vermeende fouten die je hebt gemaakt («U citeerde Gerard veertien keer, waarvan vier keer verkeerd en drie keer onvolledig…»). En over interpretatie.

Dat laatste is altijd interessant. Twee revianen lezen hetzelfde boek, De avonden, en halen er volstrekt tegengestelde betekenissen uit. Die interpretaties zijn zo belangrijk dat mensen daar ruzie over riskeren. Zo kwam de vraag aan de orde: «Gaat De avonden al over Reves homofilie?» («En nu wil ik wel eens weten wat onze spreker daarvan vindt!») Ik vond het een onzinvraag. Volgens mij, zeker in vergelijking met Reves andere boeken, ging De avonden niet over homoseksualiteit.

Dit had ik fout gezien. Sterker, het feit dat ik «weigerde» De avonden te zien als een homoseksueel boek rechtvaardigde, vond iemand, de gedachte dat ik homofoob zou zijn. Hij had daar ook andere bewijzen voor. Zo had ik eens in een column, twintig jaar geleden, geschreven: «Een mens heeft z’n reet om te kakken, en nergens anders voor!», wat toch duidelijk homofoob genoemd kon worden. Hoewel ik zelf bereid was, voor de lieve vrede, alles te erkennen of te ontkennen, namen anderen het zogenaamd voor mij op, en werd de man die mij van homofobie had beschuldigd zelf naar het gekkenhuis, afdeling paranoïden verwezen. En ongeveer een half uur na de vraag verliet één onzer het pand.

Dit ging over Reve. Ik dacht aan bijbel, koran, Communistisch Manifest. Wat een ruzies moeten daarover niet zijn ontstaan.

Mijn vader vertelde me dat er in het Multatuli-genootschap vroeger ook zulke hoogoplopende ruzies waren (onder meer over de vraag: «Wie heeft de as van Douwes Dekker?»). Zelf heb ik nog ruzies meegemaakt, uitmondend in handgemeen, in de zogenaamde Carmiggelt-kring («Wij zijn de echte Carmiggelt-club!»).

De volgende stelling lijkt gerechtvaardigd: rond elk boek van belang ontstaat een gevaarlijke splitsing. En de paradox is dat we die boeken juist lezen en ermee leven om ons te beschaven. De gevaarlijke splitsing wordt veroorzaakt door interpretatieverschillen. Maar het zijn juist die interpretatieverschillen waardoor we ons kunnen beschaven.

Wittgenstein en Popper, twee Weense joden, de een rijk en de ander arm, denken bijna hetzelfde over de filosofie, maar toch krijgen ze in Cambridge, in een huis kamer, ruzie om iets dat eigenlijk niet is uit te leggen. De ruzie is zo erg dat ze, zo beweren omstanders later, elkaar met een pook te lijf willen gaan. Nu wordt deze versie alweer door verschillende filosofen bestreden.

De dubbele paradox is nu dat de boeken die ertoe doen en ons beschaven meestal slechte boeken zijn. De bijbel en de koran zijn stomvervelend. Evenals het Communistisch Manifest of het Rode Boekje. En eigenlijk bestaat wat wij Belangrijke literatuur noemen vaak uit boeken die maar één generatie meegaan. Kortom, onze beschaving wordt gestut door vervelende, gedateerde literatuur waarover altijd ruzie ontstaat.