Op een mooie zomerochtend toog ik naar het sportfondsenbad Erica Terpstra in mijn geboortestad Nijmegen. This summer I went swimming, zongen Kate en Anna McGarrigle in mijn oortjes. This summer I might have drowned. Kate McGarrigle was niet verdronken maar wel overleden aan kanker, ik kon niet naar dat liedje luisteren zonder daaraan te denken.

Er is daar soms een heel vervelende man, had mijn moeder gezegd, die zwemt dwars door iedereen heen en trekt zich nergens wat van aan.

De vervelende man was er niet, iedereen die ochtend in het Erica Terpstra-bad had een uitstekend humeur, niemand verdronk en zelfs de badmeesters waren vrolijk. Denkend aan Femke Heemskerk, Arno Kamminga en Sharon van Rouwendaal gleed ik door het water. Ik heb het nog in me, sms’te ik M, zelfs in de snelle baan lig ik nog prima op koers. Je bent een competitieve trut, sms’te ze terug.

In John Cheevers korte verhaal The Swimmer komt een man, rondhangend aan de rand van het zwembad van vrienden, op het lumineuze idee om terug naar huis te zwemmen via allerhande zwembaden. Het is zo’n acht mijl, hij ziet de keten van zwembaden voor zijn geestesoog verschijnen, zwembaden in tuinen van vrienden en kennissen, een publiek zwembad – een symbolische rivier die hem terug naar huis moet voeren. Hij gaat goedgemutst op pad: het is een prachtige dag, zijn plan is ingenieus, hij is niet jong meer maar wel atletisch gebouwd, hij heeft een vrouw en vier mooie dochters die hem thuis opwachten.

Bij de eerste paar zwembaden die hij aandoet wordt hij warm onthaald. De Grahams bieden hem een drankje aan, bij de Bunkers is er een feestje gaande waar hij door Jan en alleman wordt aangesproken. In de verte hoort hij onweer, maar hij is dol op onweer – het enige dat een beetje onaangenaam voelt is het grind onder zijn blote voeten. Bij de Levy’s is niemand thuis, hij heeft geen idee hoe laat het inmiddels is, maar dat geeft niet, hij is bijna halverwege zijn tocht terug naar huis: ‘He felt tired, clean, and pleased at that moment to be alone; pleased with everything.’

Je trapt nu al voor de tweede keer tegen me aan, zei hij. Onder mijn zwembril werd ik heet van schaamte

Ik ga weer naar het Erica Terpstra-bad, zei ik de volgende ochtend tegen mijn moeder. Ik wilde opnieuw de berg op fietsen met Anna en Kate McGarrigle, de badmeesters groeten, mijn zwembril opzetten en me in de snelle zwemmersbaan laten glijden, warm douchen, kleedhok in, natte haren kammen voor de spiegel.

De snelle zwemmersbaan lag deze keer vol met daadwerkelijk snelle zwemmers. Ze droegen niet alleen Speedo’s maar ook strakke zwemmutsen en ze keerden professioneel – iets wat ik lang geleden ook eens had geleerd, het kwam allemaal aan op precies de juiste timing, maar ik durfde het niet meer, zoals ik ook niet meer pootje-over durfde te schaatsen in de bocht. En dus liet ik me in de naastgelegen baan glijden, de baan voor doorzwemmers, een trapje lager in de hiërarchie, maar dat was wel wat ik was: een doorzwemmer.

Het probleem was dat anderen dit ook van zichzelf vonden, ondanks het feit dat ze het niet waren. Traag als tanks zwommen ze in de doorzwembaan, zich van geen kwaad bewust, voor hen was doorzwemmen slechts een gebrek aan stoppen met zwemmen. En dus was ik alleen nog bezig met inhouden, inhalen, voor een paar baantjes borstcrawl de snelle baan in glippen, weer terug naar de doorzwembaan die geen doorzwembaan was.

Wil je even uitkijken, zei een man in de doorzwembaan tegen me, je trapt nu al voor de tweede keer tegen me aan. Onder mijn zwembril werd ik heet van schaamte en het plotselinge besef dat ik het was: ik was de vervelende man voor wie mijn moeder me de vorige dag had gewaarschuwd.

Dat het met John Cheevers zwemmer niet erg goed afloopt, is na dat gedonder in de verte geen verrassing. Hij wordt steeds minder warm onthaald, en het gebrek aan warmte slaat op den duur om in regelrechte vijandigheid. De zomer lijkt in herfst te veranderen, mensen op wie hij neerkeek kijken nu neer op hem, een vroegere minnares maakt hem uit voor bedelaar. Er is iets gebeurd, er is meer tijd verstreken dan een onschuldige zomermiddag, de zwemmer voelt zich moe en oud en bekeken. Als hij uiteindelijk thuiskomt is het donker en leeg, alle deuren zitten op slot, zijn hele leven is weggevaagd. This summer I swam in the ocean, and I swam in a swimming pool, zingen Anna en Kate. Salt my wounds, chlorined my eyes, I’m a self-destructive fool.