Vervelendevragenstellers

WANNEER HIJ NU precies geboren is, daarover twisten de historici nog altijd, maar over de dag waarop het geboortekaartje van ‘de intellectueel’ verscheen bestaat geen twijfel. Honderd jaar geleden, op 13 januari 1898, publiceerde Emile Zola zijn open brief aan de Franse president onder de titel ‘J'accuse…!’ Dit artikel bracht niet alleen de reeds drie jaar slepende Dreyfus-affaire in een nieuwe en beslissende fase, maar zorgde er tevens voor dat geheel ‘denkend’ Frankrijk definitief in twee kampen werd gesplitst. Het ging hierbij niet alleen over de vraag of iemand pro- of anti-Dreyfus was, het ging ook en vooral over de vraag of men wel of niet tot de ‘intellectuelen’ gerekend wilde worden.

Begin 1898 was de kwestie of kapitein Alfred Dreyfus nu wel of niet schuldig was aan landverraad eigenlijk al niet interessant meer. Op het spel stonden het voortbestaan van de Derde Republiek en de tradities van de Verlichting. Waarheid en Gerechtigheid, met hoofdletters geschreven, daar ging het om. Een schoonheidsprijs verdiende de Derde Republiek allerminst, daarvoor waren er te veel schandalen en affaires, daarvoor maakte het Franse parlement een te krakkemikkige indruk. Maar het was wel een democratie en dat was nogal wat mensen een doorn in het oog. Heel nationalistisch, katholiek, militaristisch en antisemitisch Frankrijk was erop uit de Republiek de nek om te draaien, en mét haar ‘uitwassen’ als de vrijheid van meningsuiting, stemrecht, atheïsme, 'zedeloze’ kunst, de arbeidersbeweging en nog zo het een en ander.
Het was die dertiende januari niet de eerste keer dat Zola over de zaak-Dreyfus schreef, maar het was pas zijn open brief in L'Aurore - waarvoor Georges Clemenceau de pakkende kop verzon - die de aandacht trok. En welk een aandacht! Binnen enkele uren waren er in Parijs meer dan tweehonderdduizend exemplaren van de krant verkocht. Regering en parlement debatteerden koortsachtig over de vraag wat nu te doen. Voor iedereen die enige belangstelling voor de wereld om hem of haar heen toonde, was Zola’s artikel het gesprek van de dag. Bovendien was het geen vrijblijvend gesprek, maar moest men een keuze maken. Was men voor Dreyfus of voor het militaire establishment? Was men voor de republiek of voor de monarchie c.q. het keizerrijk? Was men voor de democratie of voor een klerikale, militaristische en ultranationalistische dictatuur? Was men voor tolerantie of voor xenofobie?
Gemakkelijk was die keuze veelal niet. Zo hadden bijvoorbeeld nogal wat socialisten, onder wie de later legendarische Jean Jaurès, lange tijd volgehouden dat de arbeidersklasse met deze affaire niets te maken had. Die Dreyfus was immers een militarist en bovendien een schatrijke joodse bourgeois. Het ging hier om een conflict tussen roomse en joodse kapitalisten, en daar had de Franse proletariër niets mee te maken. Jaurès en veel andere socialisten kwamen er echter spoedig achter dat het hier niet ging om de persoon van Dreyfus, maar om kostbare beginselen. Als de anti-dreyfusards het pleit wonnen, zou het er voor de arbeidersklasse zeer somber uitzien.
Na het artikel van Zola begon het protesten en petities te regenen. Reeds op 14 januari verscheen in L'Aurore een petitie waarin geprotesteerd werd tegen de rechtsverkrachting door de krijgsraad en waarin gevraagd werd om een revisie van het proces-Dreyfus. In zeventien afleveringen van dit protest werden de namen van meer dan duizend, bekende en onbekende, mensen afgedrukt, aangevoerd door Zola en Anatole France. Een van de dreyfusards die zich de benen uit het lijf liep om handtekeningen te verzamelen, was de jonge Marcel Proust. Overigens circuleerde er nog een petitie, die wat gematigder van toon was en die onder meer werd ondertekend door Octave Mirbeau, Jules Renard en de schilder Paul Signac. Tot slot was er nog een aparte, exclusief socialistische petitie. In totaal zetten meer dan drieduizend mensen hun handtekening.
Soms betekende dit familieruzies, het verbreken van zakelijke relaties of het einde van een vriendschap. Nadat hij op 22 januari de naam van André Gide te midden van de ondertekenaars van het eerste protest had zien staan, schreef Paul Valéry een woedende brief aan zijn vriend. Voor Valéry stond het steunen van Dreyfus gelijk aan landverraad, al beweren boze tongen dat hij vooral tegen het protest was omdat hij zo de pest had aan Anatole France. Een bedremmelde Gide schreef terug dat hij misschien niet getekend zou hebben als hij voor die tijd met zijn vriend Valéry had gesproken. Ook principes kennen hun grenzen.
NAAST HOGE OPLAGES voor de kranten en politieke en sociale onrust leverde de Dreyfus-affaire nog iets op: het begrip 'intellectueel’. Het woord was niet nieuw. In de monumentale Dictionnaire des intellectuels français (Seuil, 1996) kunnen we lezen dat het voor het eerst werd gebruikt door Saint-Simon, in 1821. Ook Ernest Renan heeft het woord, rond 1845, wel eens gebezigd. Maar zijn doorbraak beleefde het begrip intellectueel pas in 1898. Al op 15 januari van dat jaar, twee dagen na Zola’s open brief, sprak de literaire criticus en anti-dreyfusard Ferdinand Brunetière vol verachting over de 'intellectuelen’ die ten gunste van Dreyfus protesteerden. Kort daarop schreef de toen zeer succesvolle romanschrijver en nationalistische politicus Maurice Barrès een artikel getiteld 'Het protest der intellectuelen’. Hij walgde van 'deze personen die zich voor intellectuelen uitgeven’, maar die 'in feite deel uitmaken van het afval dat de samenleving produceert bij haar pogingen een elite te scheppen’. Het waren de vertegenwoordigers van een 'semi-cultuur die het instinct vernietigt zonder dit door een geweten te vervangen’. In zijn boek Scènes et doctrines du nationalisme (1902) gaf hij als definitie van een intellectueel: 'Een individu dat ervan overtuigd is dat de maatschappij op logica berust en er onkundig van is dat deze berust op noodzakelijkheden die ouder zijn en misschien vreemd zijn aan het menselijk verstand.’ 'Natie’, 'ras’, 'bloed’, de heilige grond van 'la France éternelle’ - dat waren de zaken waar het in de ogen van Barrès om draaide, en die door die verachtelijke 'logiciens de l'absolu’ niet werden begrepen. Barrès, die volgens Léautaud behoorde tot 'ces héros sans danger’, haatte de tradities van de Verlichting, en stelde tegenover het verstand de pure wilskracht. Op zijn briljante, droogkloterige wijze leverde Jules Renard in zijn dagboeken hierbij het commentaar: 'Barrès is professor in wilskracht zoals iemand professor in filosofie is: het is niet noodzakelijk wijs te zijn.’
Sinds dit artikel van Barrès liep er, parallel aan de kloof tussen links en rechts, een nieuwe scheidslijn door de culturele elite: die tussen de progressieve 'intellectuelen’ en intellectuelen die zichzelf niet zo wilden zien, die ronduit anti-intellectualistisch waren. Het begrip 'linkse intellectueel’ werd, zeker in de ogen van hen die het betrof, een pleonasme. Aan de hand van de term 'rechtse intellectueel’ daarentegen kon een onderwijzer uitleggen wat een contradictio in terminis was. Julien Benda sprak van 'deux races morales’, waarbij het 'ras’ der intellectuelen werd gekenmerkt door een niet te beteugelen hang naar vrijheid, terwijl de anti-intellectuelen, naar de woorden van de zestiende-eeuwse filosoof Etienne de la Boétie, kozen voor 'la servitude volontaire’. De geschiedenis van intellectuelen in de twintigste eeuw laat echter zien dat die waterscheiding tussen vrijheidslievende intellectuelen en voor vrijwillige slavernij kiezende anti-intellectuelen, niet altijd parallel liep aan de kloof tussen links en rechts.
'VOOR INTERESSANTE intellectuelen moet men in Frankrijk zijn’, schrijft Arnold Heumakers in zijn onlangs verschenen essaybundel De fatale cirkel. 'Het woord en ook het specimen zijn er min of meer uitgevonden en dat schept kennelijk verplichtingen, want nergens hebben méér intellectuelen rondgelopen dan in Frankrijk.’ En volgens de historicus H.L. Wesseling kent Engeland zijn geleerden, komt de onderzoeker uit de Verenigde Staten, is Duitsland het land van de professoren, maar is de intellectueel een exclusief Frans verschijnsel.
De Fransen zelf denken er, in alle bescheidenheid, net zo over. Eind 1996 publiceerde de Franse historicus Michel Winock, samen met Jacques Julliard, de al genoemde, meer dan twaalfhonderd bladzijden tellende Dictionnaire des intellectuels français. Een jaar later verscheen Winocks Le siècle des intellectuels. Wie nu dacht dat hij zich, na het naslagwerk over de Franse intellectuelen, nu gewaagd had aan een geschiedschrijving van de intellectuelen in het algemeen, kwam bedrogen uit. Voor Winock is blijkbaar ook het begrip 'Franse intellectueel’ een pleonasme, aangezien zijn imponerende en meeslepende boek is ingedeeld in drie 'tijdperken’: die van Barrès, Gide en Sartre.
Uiteraard bestaan er ook buiten Frankrijk intellectuelen, al hebben ze misschien nergens dezelfde status als ze in deze eeuw in Frankrijk hadden. Ook bestond de intellectueel al geruime tijd vóór 1898. Voltaire, Diderot, Rousseau, Goethe, Heine, Burke - hoe zou men ze anders moeten typeren dan als intellectuelen? Bovendien lieten de jaren veertig van de vorige eeuw de geboorte zien van de Russische intelligentsia. Nu mag volgens sommige historici de Russische intelligent niet worden gelijkgesteld aan de westerse intellectueel, aangezien de laatste voor alles gekenmerkt schijnt te worden door scepsis en een door en door kritische instelling. In de ogen van Isaiah Berlin werden de leden van de Russische intelligentsia niet alleen verbonden door hun ideeën, maar zagen ze zichzelf als 'onverzoenlijke orde, bijna zelfs als een wereldlijk priesterschap, toegewijd aan de verspreiding van een specifieke levenshouding, een soort evangelie’. De karaktertrekken van deze groep zijn ooit door Vladimir Nabokov omschreven als 'de geest van zelfopoffering, intense sympathie voor iedere underdog, fanatieke integriteit, tragisch onvermogen compromissen te sluiten, ware geest van internationale verantwoordelijkheid’. Nabokov wees erop dat we bij de Russische intelligentsia niet alleen moesten denken aan avant-garde-auteurs of andere artiesten, maar tevens aan artsen, advocaten en wetenschappers, zolang die maar gekenmerkt werden door bovengenoemde houding. Naast verregaande maatschappijkritiek behoorde ook een zekere mate van groepsconformisme tot de kenmerken van de intelligentsia. De politiek en sociaal vooruitstrevende intelligentsia was niet sceptisch maar geloofde heilig in haar idealen. Het engagement won het van de neiging tot het stellen van kritische vragen.
HOE ZIT DAT NU met de westerse intellectueel? Hoe kritisch is die, hoe ver gaat zijn engagement? Wat is nu eigenlijk precies een intellectueel? In zijn veelvuldig genoemde, maar vermoedelijk weinig gelezen boek La trahison des clercs (1927) omschreef ook Julien Benda de intellectuelen als een soort clerus, een geestelijke gemeenschap van hoogbegaafde denkers die het geweten van de wereld vormden. Volgens hem waren intellectuelen 'zij wier bezigheden juist niet bestaan uit het najagen van praktische doeleinden, al degenen die vreugde trachten te scheppen in de beoefening van een tak van kunst of wetenschap of metafysische beschouwingen, kortom in het bezit van immateriële voordelen, en die derhalve in zekere zin zeggen: “Mijn koninkrijk is niet van deze wereld”.’ In tegenstelling tot wat vaak wordt verondersteld, pleit Benda niet voor een ivorentorenbestaan. Echte intellectuelen bloeien pas op als ze corruptie, onrecht of onderdrukking aan de kaak stellen. Het verraad van de intellectuelen waartegen Benda tekeerging, bestond dan ook niet uit hun engagement maar uit het feit dat velen zich in dienst hadden gesteld van wat hij 'organisaties van collectieve passies’ noemde. Intellectuelen die hun moreel gezag gebruikten ten gunste van nationalisme, sektarisme, xenofobie of klassebelangen pleegden verraad aan hun roeping. De door Gramsci bezongen 'organische intellectueel’, die verbonden was met een maatschappelijke klasse of onderneming, werd door Benda dus veracht.
TALLOOS ZIJN INMIDDELS de definities van de intellectueel. Eindeloos wordt er in deze beschrijvingen gependeld tussen ivoren toren en sociale kritiek, tussen elitaire opvattingen en de roep om engagement. Opmerkelijk is dan ook de omschrijving van Isaiah Berlin, volgens wie 'een intellectueel iemand is die wil dat ideeën zo interessant mogelijk zijn’. Intellectuelen nemen geen genoegen met simpele oplossingen, met voor de hand liggende antwoorden. En waarvoor ze helemaal op hun hoede moeten zijn, zijn de zogenaamde 'totale’ of 'definitieve’ oplossingen. De maatschappelijke werkelijkheid is altijd zo complex, dat 'eenvoudige’ oplossingen alleen bestaan in de hoofden van wat Jacob Burckhardt noemde 'les terribles simplificateurs’. Voor de twee meest consequente onder hen, Adolf Hitler en Josif Stalin, bestond volgens Trotski de kortste weg tussen twee punten uit 'goed georganiseerd geweld’.
Het verraad der intellectuelen bestond uit het feit dat velen zich voor het karretje van deze gruwelijke vereenvoudigers hebben laten spannen. Zij waren niet langer op zoek naar interessante ideeën, naar een vruchtbare vraagstelling, maar naar eenduidige antwoorden. Vaak waren dit echter wat je zou kunnen omschrijven als 'intellectuelen met een kwaad geweten’. Mensen die op zoek waren naar een bepaalde 'binding’, die 'ergens bij’ wilden horen en die eigenlijk helemaal geen intellectueel wilden zijn. Zoals de intellectueel Barrès de oorlog verklaarde aan het intellectualisme en koos voor het nationalisme, zo verheerlijkte een dandy als Drieu la Rochelle de 'zweetgeur en bretels’ van arbeidersleider Jacques Doriot. Dat laatstgenoemde in enkele jaren van communist veranderde in nationaal-socialist speelde hierbij nauwelijks een rol. De man was een arbeider, een anti-intellectueel, en dat maakte hem voor tal van boeken verslindende bleekneusjes erg aantrekkelijk. Net zoals in de jaren zestig en zeventig tal van puisterige studenten wegdroomden bij de revolutiefilms van Eisenstein en voor de fabriekspoorten colporteerden met maoïstische krantjes. Je mocht dan veel brochures van uitgeverij Pegasus hebben gelezen, een gesprek met een heuse arbeider was echt wel andere koek.
WIE GEEN INTERESSANTE maar eenvoudige ideeën wil, is volgens Berlin geen intellectueel. Hij of zij heeft, in de woorden van Benda, verraad gepleegd. Maar wanneer kunnen we eigenlijk nog wél spreken van een echte intellectueel?
In zijn fraaie en scherpzinnige boekje Manifestaties van de intellectueel (Atlas, 1995) ziet Edward Said een intellectueel als 'een individu dat is begiftigd met het talent om een boodschap, een denkbeeld, een standpunt, filosofie of mening aan en namens een groep mensen duidelijk te maken, gestalte te geven en onder woorden te brengen’. Een intellectueel is dus een schrijver, journalist, kunstenaar of vertegenwoordiger van een andere beroepsgroep, die 'iets te vertellen heeft’. Uiteraard gaat het de Palestijnse balling Said niet om 'zomaar’ een boodschap of overtuiging. Het is in zijn ogen de taak van de intellectueel om juist 'pijnlijke vragen’ publiekelijk te stellen. Hij dient orthodoxie en dogmatisme te bestrijden en vooral op te komen voor al die mensen en kwesties die stelselmatig worden vergeten of verzwegen. De intellectueel is dus vooral een dwarsligger, een hinderlijke gast die de goede stemming bederft door aandacht te vragen voor dat wat iedereen het liefst vergeet. Lijnrecht tegen de kuddegeest in levert hij onophoudelijk kritiek, stelt hij het vanzelfsprekende ter discussie. Hij trekt niet alleen ten strijde tegen de leugen, maar tevens tegen halve waarheden en het meten met twee maten.
De intellectueel dient te beschikken over een grote mate van aangeboren dwarsheid. In een gezelschap van overwegend rechtse lieden zal hij de zelfgenoegzame zekerheden trachten te ondermijnen door linkse argumenten te hanteren. Te midden van linkse types zal hij wijzen op de gevaren van hun grootse ambities en abstracte idealen. Een intellectueel is per definitie een ongezellig mens. Hij is de pro-Deoadvocaat van de duivel, of, zoals de Brazilianen zeggen, 'de vriend van de panter’. In zijn boek De val heeft August Willemsen dat laatste begrip uitgelegd: 'Twee jagers lopen door de Sahara, vraagt de een aan de ander: als er nu een panter kwam, wat zou je dan doen? Ik zou hem doodschieten. Maar als je nu geen geweer had? Dan gaf ik hem een klap op z'n kop. Maar als je nu geen stuk hout had?’ En zo ging de ene jager maar door. Bij elke oplossing kwam hij met een nieuw probleem, totdat de ander vroeg: 'Godverdegodver, ben je míjn vriend of die van de panter?’
Als iemand een intellectueel is, duidt dat niet op een bepaalde status. Het is niet een na langdurige studie verkregen bevoegdheid, een diploma dat tot aan je dood geldig blijft. Een intellectueel vervult een bepaalde rol. Zo kan een autodidacte journalist best een intellectueel zijn, terwijl de filosoof die gepromoveerd is op het begrip 'substantie’ bij Spinoza dat niet per definitie is. Een intellectueel is de criticus, de steller van vervelende vragen, het hinderlijke figuur dat dwars door de feestelijke optocht loopt. Zo'n figuur kan best een tijdje een andere rol spelen, bijvoorbeeld als belangenbehartiger voor een bepaalde groep, of als politicus. Maar gedurende zo'n periode is hij géén intellectueel. Wie een specifiek belang behartigt, heeft immers aan bepaalde vragen absoluut geen behoefte. Uiteraard is het mogelijk om daarna weer de rol van intellectueel te gaan vervullen. Wie te vaak van rol wisselt, loopt echter gevaar. Een acteur die veelvuldig optreedt in platvloerse reclamespotjes nemen we op het laatst ook niet meer serieus als hij de rol van Hamlet vertolkt.
De intellectueel die zich in dienst van de politiek of van een maatschappelijke elite stelt, verliest zijn geloofwaardigheid. Said waarschuwt tegen de 'professionalisering’ van de intellectueel. De gevestigde academicus, de journalist die voorlichter wordt - ze zullen in de eerste plaats de status-quo verdedigen. Ze houden dus op intellectueel te zijn. Volgens Said is een intellectueel een typische amateur, een permanente buitenstaander. Het is volgens hem dan ook niet vreemd dat veel intellectuelen op de een of andere manier 'balling’ zijn, al is dat soms een zelfgekozen ballingschap. De intellectueel zoals Benda en Said hem zien, bewaart niet alleen een 'halsstarrige afstandelijkheid’ tot de machthebbers, maar tevens tot praktische oplossingen. Het is zijn taak niet om concrete, technische oplossingen aan te dragen. Daarvoor mist hij de deskundigheid. Maar hij is er wel om problemen op de agenda te zetten en kritisch te volgen hoe ze vervolgens wel of niet worden aangepakt. En in sommige gevallen zal hij de handen uit de mouwen moeten steken. Zola deed dat in 1898, volgens de redacteuren van Dictionnaire des intellectuels français doen de Artsen zonder Grenzen dat nu.
De periodiek opklinkende vraag of er nog wel intellectuelen zijn, is dus onzinnig. Wie zich blindstaart op geleerdheid en academische status, en verwacht dat uit die hoek de intellectuelen komen, zal wellicht tot de conclusie komen dat het een aflopende zaak is. Maar dwarse types die met ongemakkelijke vragen komen en dat per definitie op het verkeerde moment doen, zullen er altijd blijven. De twee grote totalitaire bewegingen van deze eeuw zijn er niet in geslaagd de intellectueel uit te roeien, de terreur van de massamedia zal hij dus ook wel overleven.