Sport

Verveling

Niet alle mysterieuze krachten in de sport zijn van positieve aard. Bij mysterieuze krachten denken we meteen aan de spiritueel aandoende momenten waarop de sporter boven zichzelf uitstijgt, of onvermoede macht ergens onder uit zijn tenen weet te halen, maar er is ook een mysterieuze kracht die de sporter flink dwars kan zitten.

Je hoort er nooit iemand over, maar het is een serieus probleem: verveling. Het geldt vooral voor de duursporter, de lange-afstands rijder of -loper. Niet echt voor sprinters.

Op het Olympisch Kwalificatie Toernooi voor de schaatsers, dat vorige week werd verreden, illustreerde Bob de Jong beter dan wat of wie ook welk een zware hindernis wordt gevormd door de verveling.

De Jong begon zijn rit op de tien kilometer sterk, wist zelfs te versnellen na een paar kilometer, maar op tweederde van de race zagen we de eerste verschijnselen. Hij begon te haperen. Zijn slag verloor souplesse, het ging op harken lijken. In de bocht wist hij zijn snelheid niet op te voeren, niet elke klap was meer raak.

Was Bob aan het verzuren? Nu al? Zou hij te hard begonnen zijn? Zichzelf weer eens overschat hebben? Waar moest dit naartoe.

Bij het uitkomen van de zoveelste buitenbocht, na de zoveelste kilometer, na weer zo’n voorspelbare bocht zonder verrassingen, kwam Bob overeind. Dat zie je niet vaak. Hij kwam geheel overeind, rechtte de rug, keek eens om zich heen, en besloot na een paar gemiste slagen toch weer in elkaar te kruipen en verder te schaatsen. Aan de overkant viel de mond van zijn coach, Ingrid Paul open. Wat doet Bob nu?

Vervolgens wist hij een onvermoede energievoorraad aan te boren, en bleef rondjes onder de 33 rijden, terwijl het er eigenlijk niet uitzag. Hij finishte nog net voor Romme en Ritsma en stelde zijn deelname aan Turijn zeker.

Na afloop verklaarde De Jong: «Ik kwam overeind, omdat ik effe iets anders in mijn kop moest hebben.»

Iets anders in zijn kop dan de hele tijd: zo, dat was weer een rondje, nu nog maar 21. Zo, nu nog maar 20. Een reclamebord: Unit4 Agresso. Een spandoek: Ronald van Slooten geeft ze op hun kl… Nog maar achttien rondjes. Ik moet de vakantiefoto’s nog inplakken. Zit mijn haar eigenlijk wel goed?

Vooral als het goed gaat, dwalen de gedachten makkelijk af. Als elke klap raak is, de grip goed, als er versneld kan worden in de bochten, dan verplaatst de aandacht zich van de voeten naar het hoofd. Heb ik mijn kerstkaarten wel op tijd verstuurd? Rintje is een jonge god. Nog twaalf, over de helft. Zo.

Er ligt geen wereldrecord in het verschiet, daar is de baan niet goed genoeg voor. De eerste plaats is buiten bereik. Die kwalificatie, die gaat lukken met twee vingers in de neus. Zo, nog maar acht. Jezus, nog acht van die kl… rondjes.

Effe iets anders in die kop.

De monotonie van de tien kilometer verklaart de trance-achtige toestand waarin topschaatsers kunnen belanden. Hilbert van der Duim reed destijds een rondje te weinig op de tien kilometer die hem de wereldtitel moest brengen («Hilbert, je moet nog een rondje!»). Sven Kramer reed een ronde te veel, nou ja, een halve, voordat hij werd tegengehouden door zijn coach («Sven, je bent er al!»).

Een fijn boek mee onderweg is een goede oplossing. Een audio-boek. Op de koptelefoon. Als je een beetje spannend verhaal hoort tijdens de rit vliegt die voorbij, en ben je klaar voor je het weet. Alan Sillitoe’s The Loneliness of the Long Distance Runner of zoiets. Om effe iets anders in de kop te hebben.