Kingsley Amis in Swansea, Engeland, 1958 © Slim Aarons / Getty Images

Iedereen kent wel het gezicht dat Jim Dixon trekt aan het begin van Kingsley Amis’ Lucky Jim. Het is de blik die hoort bij dat moment waarop je, zonder geluid proberen te maken, langs het kantoor van de baas loopt aan het einde van de middag en toch nog even binnen wordt geroepen. Of bij die keren dat je thuis naar de voordeur sluipt, in de hoop ongemerkt naar buiten te glippen. Hoor je, met de klink in je hand, toch je naam, dan knijp je je ogen dicht en druk je je tanden op elkaar. Het ‘ik-ben-zojuist-in-de-rug-geschoten-gezicht’, zo omschrijft Amis het.

In het geval van de flodderige mediëvist Jim Dixon, hoofdfiguur van de Britse campussatire bij uitstek, is het professor Welch, vakgroephoofd van een provinciale universiteit, die het rugschot lost. Welch herinnert Dixon aan zijn toezegging het grote eindejaarscollege te verzorgen (wat kan er misgaan?), graag over het onderwerp ‘merrie England’. O, en hoe staat het met dat artikel dat nog steeds niet af is, over scheepsbouwtechnieken van 1480 tot 1485? Het is begin jaren vijftig en Dixon is in de greep van ‘echte, allesoverheersende, orgiastische verveling en diens broertje, diepe haat’.

Uit verveling voortgevloeide haat was de emotie waarmee Amis, samen met een aantal andere jonge schrijvers, kleur aanbracht in het grijze naoorlogse Engeland. De herinnering aan de blitz was op dat moment nog niet verdrongen door de swinging sixties, de glans van imperiale trots was dof geworden en het leven leek vooral te bestaan uit je plek innemen en voorgeschreven taken verrichten. ‘De steden waren nog steeds door bombardementen verwoest, de huisbazen inhalig, het openbaar vervoer smoezelig en rantsoenering nog steeds van kracht’, zo vatte schrijver Malcolm Bradbury de situatie samen.

Jeugd in opstand

Steeds nadrukkelijker lijkt de jeugd tegenover de oudere generaties te staan – als het gaat om coronamaatregelen, de huizen- en arbeidsmarkt, liefde en seks. Of is die kloof van alle tijden? Deze zomer herleest De Groene boeken waarin de jeugd rebelleert, zoals De avonden, The Catcher in the Rye, Die Leiden des jungen Werthers en Red ons, Maria Montanelli.

Lucky Jim (1954) was het boek waaraan de komst van een nieuw tijdperk werd opgehangen. Recensenten vonden het moment rijp om de generatiekaart te trekken. Orwell was vier jaar dood, het fijnzinnige experimentele proza van de Bloomsbury Group was passé. Er was ruimte kortom om een aantal romanciers, toneelschrijvers en dichters die hun afkomst uit de perifere steden en de (lagere) middenklasse deelden, te groeperen als herauten van een nieuw elan.

Met onder anderen Amis, Philip Larkin en John Wain kwam er, aldus The Spectator destijds, een einde aan ‘miezerige discussies over “hoe een schrijver hoort te leven”’. ‘“De Beweging”’, zoals het tijdschrift concludeerde, was ‘anti-kunstmatig, anti-slapheid, sceptisch, robuust, ironisch en bereid zo comfortabel te leven als maar mogelijk is.’ Voorbij was de tijd van zorgvuldig gecultiveerd literair bohemienisme. De nieuwe schrijver nam de grote bek van zijn sociale milieu mee naar de hoge cultuur en was prima bereid er rijk mee te worden. Deze ‘Beweging’, waar geen van de genoemden zichzelf echt graag tot liet rekenen, overlapte met de ‘Angry Young Men’, een ander generatie-etiket dat de ronde deed. Amis’ naam werd geschaard onder beide categorieën en was daarmee het voornaamste gezicht van een culturele breuk.

Van het hedendaagse gesteggel over onderscheid tussen schrijver en personage was bij deze lichting geen sprake. Niemand maakte zich enige illusie over de overlap tussen Amis, zoon van een klerk in de Colman’s-mosterdfabrieken in Clapham, werkzaam aan Swansea University, en de duidelijke niet-upper class Jim Dixon, die spaarzaam met zijn sigaretten moet omgaan omdat zijn volgende loonstrookje nog een week op zich laat wachten en die woont in scharrig pension.

Voor een boek dat zijn oorsprong heeft in woede en verzet tegen een verstarde burgerlijke samenleving, is Lucky Jim bijzonder luchthartig. Behalve in schrijven en dichten was Amis goed in het nadoen van typetjes, kwaliteiten die samenkomen in een vlotte roman met drie wezenlijke scènes – een saai weekend in het plattelandshuis van Welch en zijn vrouw, de gevraagde eindejaarslezing en Dixons ontsnapping uit zijn knellende bestaan bij een busstation.

Tot aan dat moment bestaat Dixons lot uit confrontaties met een reeks slaapverwekkende provinciale cultuurminnaars, hun onuitstaanbaar pretentieuze nageslacht dat zich opzettelijk zo ingewikkeld mogelijk uitdrukt om distinctie te suggereren, en zo nog wat stiffs. De jobstijding wordt compleet gemaakt door een manipulatieve vrouwelijke collega waarmee geen lol te beleven valt, maar met wie Dixon niettemin dreigt een relatie te moeten aanknopen.

Het handelsmerk van de lichting van Kingsley Amis was een volledig ontbreken van de schroom om anderen te beledigen

Dixons omgangsstrategie is geveinsde vriendelijkheid – zijn inkomen is immers afhankelijk van de boven hem geplaatsten – en eindeloos creatieve uitdrukkingen van innerlijke wanhoop en ergernis. De stem van professor Welch is voldoende om ‘razernij te doen oplaaien als brood dat is vergeten in het rooster’. Komt zijn weinig dynamische vakgebied ter sprake, concludeert Dixon voor zichzelf dat ‘de waterstofbom, de Zuid-Afrikaanse regering, Chiang Kai-shek en senator McCarthy hemzelf een milde prijs zijn om niet langer in de Middeleeuwen te hoeven leven’.

En Dixon heeft zijn eindeloze reeks gezichten, als stil commentaar op iedere situatie die hem niet bevalt, die hij trekt achter iemands rug, in het donker, of verscholen achter een krant. Zo is er ‘het citroenzuig-gezicht’, het ‘help-de-marsmannetjes-vallen-aan-gezicht’, het ‘debiele boertje’, en zo nog wat. Dixon verzet zich verder tegen een bestaan van kamerconcerten, middelmatige studenten met een overheidsbeurs en waarin geslachtelijk verkeer een uitgestelde belofte is met mild subversieve handelingen. De peuk en het glas zijn de voornaamste wapens. Lucky Jim, passend bij zijn geestelijk vader, die zijn leven inrichtte rondom het innemen van copieuze hoeveelheden drank, is archetypisch Engels in de zin dat horribly drunk worden geldt als een passend antwoord op vrijwel iedere situatie.

Vervolgens is het dan de kater die de plot kan voortdrijven. Er komen brandgaten in de lakens en ‘het goedkope-maar-duur-uitziende tapijt’ van de Welch’s. De voordracht over ‘merrie England’ eindigt in een schandaal wanneer Dixon bezopen ineenstort op het podium en vervolgens zijn baan kwijtraakt.

Het is dat smakelijk mislukken dat Lucky Jim tot een tijdloze underdog-roman maakt, geschikt voor iedereen die aan het begin van het volwassen leven opziet tegen jaren van instemmend knikken en plichtplegen of die op enig moment wil terugblikken op de hoeveelheid onzin, palaver en pretentie die een mens te verstouwen krijgt in de omgang met anderen.

Met Jim, die zijn bijnaam ontleent aan een negentiende-eeuws Engels lied over twee mannen die strijden om dezelfde vrouw waarbij de een eindigt als geluks- en de ander als pechvogel, komt het uiteraard goed. Niet door zijn eigen toedoen (welbeschouwd is Dixon een luie uitvreter die ‘van elk boek zo min mogelijk lezen’ als academische filosofie heeft), maar door een rijke schoonvader. Een juiste verovering biedt gelegenheid de benauwende provincie en het miserabele salaris in te ruilen voor Londen en een baan als privé-secretaris van een magnaat. Amis rekende tijdig af met het meritocratisch ideaal van zijn tijd.

Goed kwam het ook met Amis zelf, voor wie Lucky Jim het startschot bleek van een loopbaan als succesvol schrijver en arbiter van het publieke leven door middel van essays, radioprogramma’s en krantenartikelen. Het iconoclasme van zijn jonge jaren (‘Weet je wie ik pas echt haat? T.S. Eliot, die haat ik’, schreef hij in een brief aan Larkin) plus de bewieroking door anderen als stem van een nieuwe generatie bleek het ideale opstapje om zelf plaats te nemen op de troon.

Het handelsmerk van de lichting waartoe Amis behoorde, was een volledig ontbreken van de schroom om anderen te beledigen, een houding die regelmatig omsloeg in het duivels genoegen gewoonweg een dikke middelvinger op te steken en dat te zien als bewijs van de eigen gevatheid. ‘Fuck off. No, Fuck off a lot’, was Amis’ reactie op een scribent die zich afvroeg waarom hij altijd zo onaangenaam deed. ‘Aanstoot geven is een zeldzame sport geworden’, schreef criticus Stefan Collini in 2006 in de London Review of Books toen er een biografie van Amis verscheen. ‘Maar Kingsley Amis was een van de grootste kampioenen ooit.’

Amis was van het slag mannen waar niet alleen Engeland zijn aandeel van kreeg. Overal wisten columnisten, cabaretiers en andere bewoners van het publieke domein het afbranden van anderen tot hun handelsmerk en inkomstenbron te maken. Het fulmineren dat Jim Dixon nog binnensmonds deed, trad op een gegeven moment naar buiten. Wat door de grote bekken werd gezien als trotse anti-burgerlijkheid vormde een belangrijke bijdrage aan sociale verruwing en de opmars van de dikke ik.

Lucky Jim markeert ook een politieke transformatie. Jim Dixon is een linkse jongen, die vanuit zijn arbeideristische milieu een diep ingesleten weerzin heeft tegen alles wat ook maar zweemt naar elitarisme. Het geklaag over de verzorgingsstaat dat hij te horen krijgt op de cultuurweekendjes bij het gezin Welch doet hem pijn aan de oren. Toch komt ook hij tot de slotsom dat het verruimen van toegang tot de universiteit, motor van sociale verheffing, het intellectueel en cultureel niveau van de samenleving omlaag haalt. Hier spiegelt zich Amis, die met een beurs naar Oxford mocht en jong en links was, maar daarna pamfletten schreef waarin hij het beleid van Labour om het hoger onderwijs te ontsluiten met de grond gelijk maakte. De ladder waar hij zelf gebruik van mocht maken, moest gauw worden opgetrokken.

Dit tekent het Verenigd Koninkrijk, waar de arbeiderspartij zijn achterban is kwijtgeraakt en waar een opmerkelijk brede groep zich berust in de conclusie dat hogerop komen eerder het gevolg is van een opkontje en de juiste connecties dan van talent en inzet. Spitsvondig zijn helpt daarbij. Het is die Englishness die Jim Dixon tot een cultheld maakt die helpt begrijpen waarom iemand als Boris Johnson zonder al te veel moeite premier wordt. Lucky Jim kan verklaren waarom de boodschap dat er tegen de schenen van elites geschopt mocht worden voldoende argument was om het Brexit-referendum te winnen.

In 2016, het jaar waarin Groot-Brittannië (een land waar al tijden niet zoveel gebeurde en dat zich misschien wel verveelt) mocht stemmen over zijn politieke toekomst, zou Jim Dixon in het bejaardentehuis hebben gezeten. Achter de dagelijkse prak zou hij zich hebben geërgerd aan een samenleving waarin roken, drinken en uitvreten niet langer als hilarische deugden gevierd worden. Ik gok dat hij leave gestemd zou hebben, een van de weinig overgebleven manieren om fuck off te zeggen tegen het idee dat anderen zijn leven kunnen bepalen.