Film

Verveling op de dijk

Pieter-Rim de Koon en Maarten de Kroon

Hollands licht

Het beroemde Hollands licht bestaat niet meer. Dat werd eind jaren zeventig beweerd door de Duitse kunstenaar Joseph Beuys. Hij redeneerde dat sinds grote delen van het IJsselmeer zijn gedempt, er een einde is gekomen aan het glorieuze licht dat schilders in de zeventiende eeuw al boven Holland hadden waargenomen. Hij zag het IJsselmeer als een groot oog dat door de inpoldering zijn reflectie verloor, waarmee een einde kwam aan Nederlands unieke visuele cultuur.

Deze vernietigende uitspraak zette de makers van de film Hollands licht ertoe aan op zoek te gaan naar specifiek Hollands licht. Ze beloven de bezoeker maar liefst: «Kijken wordt een nieuwe ervaring.» Jan Dibbets vertelt van achter een reflecterend witte tafel op zijn Amsterdamse woonboot welke rol licht heeft gespeeld in de schilderkunst, en hoe dierbaar hem de aanwezigheid van het altijd veranderende licht is. Voor hem is licht bijna tastbaar. En dat lijkt bij Dibbets niet per se aan Nederland gebonden. Hij signaleert dat wat Hollands licht werd genoemd door Turner, die er spe ciaal voor naar Dordrecht kwam om te kijken wat Albert Cuyp daar aan licht gezien moest hebben, in feite Italiaans licht was, zoals Cuyp dat had gekopieerd van de Italiaanse meesters.

Een prachtig moment in de film is wanneer astrofysicus Vincent Icke een experiment uitvoert in een glazen bak gevuld met water. Uit een plastic bekertje laat hij met een melkachtige substantie wolken in het water vloeien. Een kleine spiegel die hij op de bodem legt noemt hij het IJsselmeer. Icke laat zien hoe groot de invloed van het reflecterende oppervlak is op de hoeveelheid en intensiteit van het licht erboven, en hij lijkt daarmee Beuys gelijk te geven.

Ook wordt een aantal vrachtwagenchauffeurs aan het woord gelaten over de luchten die ze tijdens hun lange reizen waarnemen. Een Deense trucker constateert dat je de Hollandse lucht eenvoudigweg anders ervaart omdat er zo veel plat land is, waardoor je meer ziet dan wanneer je de bergen tegemoet gaat. Jammer genoeg worden de vrachtwagenchauffeurs alleen als intermezzo ingezet, wat suggereert dat ze er eigenlijk niet toe doen. Een gemiste kans, want hoewel elke gelegenheid in de film wordt aangegrepen om de kijker met wolkenpartijen te overdonderen, is dit juist een van de zeldzame momenten dat je het idee krijgt dat er echt gekeken is.

Het is jammer dat de makers zelf niet tot een oorspronkelijke manier van kijken komen. Ze ondervragen weliswaar de meest uiteen lopende kenners over licht en kunst en wat beide met elkaar te maken hebben, toch blijven ze met hun beelden hangen bij wat ze op de doeken van schilders als Weissenbruch al hadden gezien. Het kader van het schilderij is het filmdoek geworden. Maar ze gaan volledig voorbij aan het besef dat het materiaal waarmee ze werken bestaat bij de gratie van licht. Ze werken weliswaar met het onderwerp licht als thema, maar geven zelfs niet de illusie dat ze het, zoals Dibbets, binnen handbereik hadden.

De gefilmde luchten spatten van het doek, begeleid door muziek die even bombastisch is als de wolkpartijen. En dat zou allemaal te verdragen zijn geweest als de voice-over van Thom Hoffman niet vanuit de woeste luchten neerdaalde. «Wij denken aan Nescio», zegt hij bij een zoveelste luchtpartij. Aan die lucht ontbreekt niets. Je zou graag ongestoord naar de voorbijtrekkende wolken kijken. Maar voordat je ook maar de kans krijgt, zwenkt de camera al in een 360 graden voortslepend panorama, of Thom Hoffman haalt adem om alweer een vergezicht in te kleuren met zijn stem.

De filmmakers hebben een vast observatiepunt gekozen aan het IJsselmeer, om het licht boven Holland op verschillende dagen en in wisselende seizoenen te kunnen vergelijken. Een smalle weg met aan weerszijden water verdwijnt aan de horizon, met daarboven spectaculaire luchten. Maar het is alsof het steeds drukker wordt op het vaste observatiepunt. Alsof ze zich uiteindelijk te pletter verveelden op die dijk, en elke mogelijke afleiding van dat alles overheersende licht aangrepen en er geen uitzicht meer mogelijk was zonder dat er toevallig net een racefietser, een scooter, of een in klederdracht gestoken blazersensemble aankwam. De film krijgt daardoor niet de rust die het onderwerp verdient.

Hoffman besluit: «We kijken nog één keer naar het licht. Altijd hetzelfde en altijd anders…» Je zou hem de mond willen snoeren en toebijten: Stil, ik probeer naar een mooie film te kijken.