Vervreemding tot de tweede macht

Het begin van Korbes; unne mèns tekst: Tankred Dorst, regie: Anny van Hoof is van een overrompelende schoonheid. We zitten op een tribune in het natuurgebied Fort Crèvecoeur (omgeving Den Bosch, de voorstelling maakt deel uit van het festival Boulevard). Voor ons ligt een weids landschap van gras, onkruid, bossen, struiken. Overal zijn deuren neergezet, die in de loop van de avond feeëriek worden belicht. Dicht bij de publiekstribune staan drie podia, op het linkerpodium een badkuip, op het rechter- een tafel met glazen.

Het middelste podium is hoger en heeft een eerste verdieping. Daarop een bed met een levenloos lichaam: de tweede vrouw van meneer Korbes, zojuist gestorven, met bloemen opgebaard. Van heel ver komen spelende kinderen. Ze naderen het huis van meneer Korbes, de moedigste van hen klimmen naar de eerste verdieping, kruipen onder het bed van de opgebaarde vrouw, rammelen aan het matras, doen de dode weer bewegen. We horen muziek, uit een passie van Penderecki. Links van de tribunes zit een oude man op een verhoging. Hij spreekt statig teksten uit de bijbel, meestal uit het lijdensverhaal van Jezus Christus. Door het gras dwaalt een in het wit gekleed kind met een boek. Ze spreekt teksten over waar we zijn en wie wat doet (regieaanwijzingen?). Precies in het midden van het middelste podium zit Korbes. Het is nog licht, in de verte bleekt al een halve maan. Theatermiddelen in gevecht met de natuur.
Korbes; unne mèns gaat over een koppige man die net zijn tweede vrouw heeft verloren en meteen aanpapt met zijn buurvrouw, een verhouding die met lichte verbazing wordt bekeken door de tijdelijk opgewekte dode vrouw, die daarna verdwijnt in het landschap. Korbes veracht en verstoot zijn dochter en schoonzoon. Hij is, om in het Brabants dialect van de voorstelling te spreken: ‘unne hàrde’, een koppig manneke van het platteland. Met de dood van zijn tweede vrouw begint zijn lijdensverhaal, zijn passiespel. Hij wordt bestolen, hij wordt belogen, door een speling van het noodlot wordt hij blind, uiteindelijk houdt hij alleen nog zijn dochter over. God laat andere mensen slapen, Korbes wordt steeds wakker, en steeds in een andere waanzin. Het maakt hem koppiger. En het helpt hem niet. Zijn wereld wordt leger en verliest haar glans. Maar hij moet door.
Ik kende het stuk niet, en eerlijk gezegd riep deze voorstelling in de Brabantse openlucht weinig verlangens op naar een nadere kennismaking met de tekst van Tankred Dorst. De natuur en het erin gebouwde, prachtige decor (Jan van Hoof) hielden me twee uur lang aardig bij de les, maar echt boeien deed het stuk me niet. Het blijft steken in een tamelijk eenduidig verteld verhaal over een harde man die zichzelf naar de filistijnen martelt. Dries Smits (Korbes) en enkele bijfiguren (bijvoorbeeld de hard en scherp gespeelde buurvrouw van Helen Juurlink) trekken alle expressie die ze in huis hebben (en dat is veel) uit de kast, maar het stuk wil maar niet opschieten. De gekozen middelen, met name de via zendmicrofoons versterkte stemmen, plus het Brabantse dialect, en vooral de brede gebaren in het spel, het werkte op den duur allemaal tegen: de kwadratuur van vervreemding in een weids landschap dat in de loop van die lange avond almaar mooier werd, mooier in ieder geval dan het stuk. Ik bespeurde een misverstand over 'locatietheater’: fascinatie over het gevecht tussen heftige afdrukken van de lijdende mens en de onweerstaanbare schoonheid van de natuur, waarbij de mens (de acteur) hier het loodje legt. Ik betrapte me erop dat ik in de loop van de avond steeds vaker op die evangelist op zijn wrakkige tennisscheidsrechtersstoel ging letten, en vertederd luisterde naar het dolende meisje met haar zware tekstboek.(Het lot van Korbes interesseerde me toen allang niet meer.
Het slot was weer geweldig. Korbes’ dochter trekt de gebroken man in een rolstoel zuchtend en kreunend achterwaarts het verduisterde landschap in. We voelden aan ons water dat het nu eindelijk afgelopen was. En eerlijk gezegd: dat was een gevoel van bevrijding en opluchting. Of zoals iemand in de overvolle bus terug naar Den Bosch zei: locatietheater is een vak apart.