Verwarrende tijden

Otto’s grootvader was slaaf in Suriname. Nu is hij oud in Rotterdam. Vrouw dood. ‘Ze is 120 geworden… kilo.’ Hij lacht. ‘Het hart kon het niet aan.’ Otto lacht veel voor een man wiens huis is gesloopt, die de verantwoordelijke ‘deelraden en herindelers’ ritueel vervloekt en die slaapt in een lege kerk.

Tot ook die plaats moet maken voor een ‘multi-etnische’ ruimte waarin onder meer moskee. De oude Marokkaan neemt al een voorschot door er de koran te lezen. Van hem mag Otto daar eigenlijk niet slapen. Toch stuurt hij zijn kleinzoontje met matras, slaapzak en eten. In de nacht klimt Otto naar het dak en hoort de saxofoon van Nosmo King. Hij gaat bij Nosmo, garagehouder, ruwe bolster, langs. Die wil hem in een bejaardenhuis onder dak helpen, mede omdat ze nog samen gehonkbald hebben.
Op dit punt zal de kijker de wenkbrauwen hebben gefronst. Otto en Nosmo gehonkbald? Slaat de auteur niet op hol? Niet Beukenkamp: ik wed dat Hans 'Nosmo’ Dulfer het zelf ingevoegd heeft. Omdat hij inderdaad met Otto (Sterman) heeft gehonkbald. Ik trouwens ook. In ABC. Vreemde club: half kak, want zusje van de sjieke AFC-voetballers; half 'gewoon’ - jongens uit onze buurt. Hans zo volks van taal dat de ballotagecommissie (jawel) waarschijnlijk geaarzeld heeft, maar hij raakte de bal goed en dat is ook wat waard. Zijn lidmaatschap van de harmonie was ook al weinig 'ABC’. Dat het de noodzakelijke omweg naar de jazz was, wist ik (we ruilden 45-toerenplaten van Parker en Mulligan) maar geloven in zijn aangekondigde succes deed ik niet. Niet onaardig, Hans, maar een beetje grote muil.
Otto heel ander geval: generatie ouder; Bekende Nederlander; van de AFC-kant; en zwart. Bouwde zijn sportcarriere af en belandde zelfs in mijn lage negental. Gemengd genoegen. Charmante man maar allemachtig, wat vond hij dat zelf ook. En de toneelstukjes die hij tijdens wedstrijden opvoerde! Je schaamde je dood tegenover de tegenstander. Maar die vond het meestal leuk, net als het publiek. Te pijnlijker omdat ik dacht dat er een soort racisme meespeelde. Het plezier om Otto’s merkwaardige slagrituelen en rollende ogen, z'n dansende bewegingen en z'n vrolijke opmerkingen tegen de werper van de tegenpartij leek op de lol die mensen hadden om Albert Mol: 'Wat stelt dat soort zich toch aan.’ Nu kan ik er ook anders naar kijken. Otto was niet alleen ijdeltuit maar ook vrolijk, extravert en er- wat-van-makend. Surinaams wellicht. Terwijl ik gewoon al gek genoeg vond. Maak ik ons toch nog tot cliches. Cliches die Nosmo King wilde vermijden.
Overigens, de drama-Otto valt uiteindelijk van de kerktoren. Opgejaagd door mensen die het goede voor hem willen. Hekje sneuvelt door achterstallig onderhoud. Gevolg van deconfessionalisering. We leven in verwarrende tijden. Daarover ging Nosmo King: zeven delen NPS- drama over leven in de grote stad met legio huidskleuren en culturen. Voorbij aan politieke correctheid; voorbij aan dialogendrama zonder aandacht voor het beeld. Geen meesterwerk. Wel over nagedacht en, soms, om over na te denken.