China heeft één eeuwige vijand: Japan

Verwarring onder de zon

In China is de scheidslijn tussen nationalisten en dissidenten soms erg vaag. Over één vijand is men het eens: Japan.

Soms weet de 29-jarige kunstenaar Wang zelf ook niet of hij nu een ijzervretende nationalist is of toch liever een radicale politieke dissident. Niet dat de twee elkaar noodzakelijkerwijs zouden uitsluiten, denkt hij. Maar het is meer omdat hij zich ervan bewust is dat zijn positie zich moeilijk laat uitleggen aan buitenstaanders. «Ik hou zielsveel van dit land maar ik walg van de regering», zegt hij. «Als er op dezelfde dag hier zowel een democratische opstand als ook oorlog met Japan zou uit breken, dan zou ik twijfelen. Want waarom zou ik me als patriot automatisch achter die kliek van Peking opstellen?»

China’s dictatoriale leiders zullen daar op z’n zachtst gezegd niet blij mee zijn. Te meer omdat ze zich realiseren dat deze kunstenaar niet de enige is binnen de fanatieke patriottische jongerenbeweging die er zo over denkt. «Hoeveel het er zijn weet niemand precies, maar Peking zal met deze vrijgevochten individuen steeds meer rekening moeten houden», zegt George Wei, een in Shanghai geboren Amerikaanse geschiedenisprofessor die twee boeken schreef over het Chinese nationalisme: «Hier en daar lijkt het alsof de dissidenten- en de patriottenbewegingen steeds meer in elkaar schuiven.»

Daar heeft de wereld tot nu toe dan wel heel weinig van gemerkt. Volgens de buitenlandse media staan de Chinese nationalisten tot op de man achter hun regering. Maar die over simplificatie is misschien ook wel begrijpelijk, want inderdaad houdt het overgrote deel van de beweging (in ieder geval in het openbaar) er een uiterst overzichtelijke wereldvisie op na: bij internationale spanningen en conflicten nu en in het (verre) verleden hebben andere landen het altijd en immer gedaan. Peking wordt angstvallig buiten schot gehouden. Behalve Amerika krijgt vooral eeuwige vijand Japan er ongenadig van langs. Die zou met sinistere complotten China zijn rechtvaardige plaats onder de zon onthouden. Oude stereotypen sterven overal misschien wel langzaam, maar in het Rijk van het Midden lijken ze nu eenmaal het eeuwige leven te hebben. De meeste jongeren hier verklaarden in een recente opinie peiling van de China Youth Daily «anti-Japans» te zijn, en 56 procent kenschetste de overburen zelfs als «wreed». Een verbijsterende mening als je bedenkt dat zelfs de ouders van deze jongeren de gruwelen van de oorlog niet eens aan den lijve hebben ondervonden.

Hoe onwerkelijk dat misschien ook mag zijn, mensen als Lu Yunfei bouwen hun hele persoonlijkheid rond deze zienswijze. Tegen alles wat ook maar in de verte met Japan te maken heeft, komt deze broodmagere dertigjarige softwareontwerper in opstand. Openbare demonstraties zijn in China maar zeldzaam, maar hij en zijn medestanders betoogden in het afgelopen jaar niet minder dan acht keer voor de poort van de Japanse ambassade in Peking. Dat ging over Tokio’s poging een permanente zetel in de VN-Veiligheidsraad te bemachtigen, en over de resten mosterdgas die door het Japanse leger na de Tweede Wereldoorlog zijn achtergelaten en soms door onfortuinlijke Chinese arbeiders worden opgegraven. Andere protesten betroffen premier Koizumi’s regelmatige bezoeken aan de gehate Yasukuni-tempel, waar Japanse oorlogsmisdadigers begraven liggen, en autofabrikant Toyota, die het Volksbevrijdingsleger willens en wetens met een advertentiecampagne zou hebben beledigd.

Dat ging – zoals dat nu eenmaal hier werkt – met duidelijke instemming en zelfs stilzwijgende dank van Peking. «De autoriteiten geven de patriotten ruimte om wat onvrede en stoom af te blazen, en tegelijkertijd blijken ze altijd handig in het onder druk zetten van andere landen als dat via gewone diplomatieke kanalen misschien niet zo opportuun is», zegt Yu Shicun, een onderzoeker voor de liberale en onafhankelijke Strategie en Management Associatie in Peking.

Maar die regeringszegen was dan wel ver te zoeken bij het hoogtepunt van Lu’s protestcarrière in 2003. Met niet minder dan tachtig duizend handtekeningen verzameld in slechts tien dagen dwong Lu het Chinese ministerie van Spoorwegen een contract van veertien miljard euro te heroverwegen voor de bouw van een hogesnelheidstrein tussen Peking en Shanghai. Dat was uitbesteed aan een Japans consortium. Die actie ging Peking duidelijk een flinke stap te ver. Daarmee voelden de starre autoriteiten zich in hun hemd gezet. Om te voorkomen dat dat nog eens zou gebeuren, werd Lu’s razend populaire patriottenwebsite afgesloten. Een maatregel die volgens iedere China-kenner te verwachten was. «Iedereen die de overheid om welke reden dan ook dwars zit, wordt nu eenmaal met de harde hand terechtgewezen», zegt de onderzoeker Yu Shicun: «Dat weet iedere Chinees.» Patriot Lu heeft echter helemaal geen spijt van zijn ongesanctioneerde actie. «De patriottische zaak is voor ons van het allergrootste belang», zegt hij achter een cappuccino in een vestiging van de ook bij Chinese yuppies uiterst populaire Amerikaanse coffeeshopketen Starbucks: «Veel te belangrijk om alleen aan de overheid toe te vertrouwen.»

Maar als die meestal brave patriot Lu Yunfei de autoriteiten al zo blijkt te kunnen tergen, wat moeten we dan niet verwachten van de veel wildere variëteit zoals de kunstenaar Wang? Of de popmuzikant Lizi? Die doet in patriottische felheid zeker niet onder voor Lu. Sterker nog, hij hoopt op een onmiddellijke bloedige oorlog met Japan. Maar met diezelfde onstuimigheid roept hij interessant genoeg ook op tot ingrijpende democratische veranderingen naar het voorbeeld van… jawel, Taiwan. En dat laat hij niet bij woorden alleen: de hele maand juni van vorig jaar zat hij bewaakt door vier agenten in burger in huisarrest omdat hij ter gelegenheid van de vijftiende verjaardag van het bloedbad op het Plein van de Hemelse Vrede pro-democratische herdenkingsacties wilde ondernemen. «China zal moeten ontploffen», zegt hij: «Werkelijke politieke veranderingen zijn in China nog nooit van bovenaf ingevoerd. Dingen kunnen hier nu eenmaal alleen bewegen in revolutionaire gigantische golven.» Opvallend genoeg is Lizi’s website (www.lizi.cc) vooralsnog open, maar dat is alleen omdat de inhoud daarvan volgens hem keurig de officiële patriottische lijn volgt: «Daar ben ik voorzichtig genoeg voor. Mijn pro-democratische activiteiten zijn daarop niet te vinden.»

Waarschijnlijk kan Lizi dan nog worden omschreven als patriot die zich ontwikkelt tot dissident, maar je hebt ook nog dissidenten die zich soms simpelweg profileren als patriot.

Neem bijvoorbeeld Hu Jia. Bekend in binnen- en buitenland door zijn ondergrondse onderzoeken naar de gigantische aids- epidemie op het Chinese platteland en zijn onophoudelijke antiregeringsacties. Al jarenlang ligt hij met de overheid overhoop. Talloze malen werd hij gearresteerd, maar dat weerhoudt hem er niet van zich soms toch opvallend en overduidelijk pro-Chinees uit te laten. «Get the fuck off our Diaoyu islands», stond er met reuzenletters op zijn T-shirt toen hij onlangs uit het vliegtuig in Tokio stapte bij een tussenlanding op weg naar een aids-conferentie in de Verenigde Staten. Die provocatie werd hem door de douane niet in dank afgenomen. De Diaoyu-eilanden zijn de inzet van een felle territoriale strijd tussen beide landen en Hu werd een paar uur vastgehouden. «Hu Jia denkt niet in die simpele termen van patriottisch of anti-Peking», zegt zijn vriend Zhou Xingping: «Hij zegt gewoon wat hij ergens van vindt zonder te bedenken wie daar aanstoot aan neemt.»

Met zo’n vage scheidslijn tussen de nationalisten en de dissidenten is het dus niet onbegrijpelijk dat Peking de patriottische beweging met argwaan bekijkt. «Nationalisme is voor de regering een tweesnijdend zwaard», zegt George Wei, de geschiedenisprofessor. «Enerzijds is het keihard nodig om in deze postcommunistische tijden eenheid onder de bevolking te smeden, maar anderzijds keert het zich maar al te gemakkelijk tegen het zittende gezag. Dat gebeurt zeker als de patriotten vinden dat de landsbelangen onvoldoende worden behartigd.» Een dilemma dat volgens Wei echter zeker niet nieuw is: «Al in de Qing-dynastie en onder de Kwo-min-tang bleken de patriotten vaak onzekere bondgenoten.»