Verwarring op het kerkhof

Daniela Hodrova, Het Olsany-rijk. Uit het Tsjechisch vertaald door Edgar de Bruin, uitgeverij De Geus, 203 blz., f 37,90
Wat de omwenteling in Oost-Europainhoudelijk voor de literatuur zal betekenen, staat nog te bezien. Te denken geven alvast de veranderingen opde boekenmarkt. Voor de Tsjechische literatuur stelt de in Nederland woonachtige Magda Hublova (in Raster 65, ‘Vertaald proza’) vast dat een groot deel van het lezerspubliek na1989 op pulp en religieuze literatuur is overgestapt.

Uitgevers verkeren in grote moeilijkheden en schrijvers zien zich van hun bijzondere status beroofd. Het is nu normaal geworden, dat wil zeggen: dringen om aandacht. Op afstand is dat net zo, al is voorlopig het toegenomen aantal vertalingen van Oosteuropese schrijvers alleenmaar gunstig. Vooral kleinere uitgeverijen als de Wereldbibliotheek en DeGeus doen hier veel aan. Voordat de verzadiging toeslaat, wil ik op z'n minst de aandacht vestigen op een bijzondere titel onder de vertalingen van jongere Tsjechische auteurs als Tereza Bouckova, Zuzana Brabcova, Karol Sidon, Drago Jancar. Ik heb het over Het Olsany-rijk van de literatuurwetenschapper Daniela Hodrova (1946),dat oorspronkelijk in 1989 uitkwam als eerste deel van een trilogie, Stadder smarten, waarvan de twee andere delen Poppen en Theta heten.
Vroeger was het Olsany-kerkhof in Praag een wijngaard geweest, zodat de doden zich in een toestand van een soort eeuwige dronkenschap bevinden. Voor sommigen verzacht dat de misschien veel ergere omstandigheid dat ze zich als doden nog te midden van de levenden ophouden; niet alleen moeten ze werkeloos toezien bij alles wat er in de wereld van de levenden gebeurt, ook met hun eigen verleden zijn ze nog niet klaar. Om de andere dag houdt huismeester Dornik meneer Disl aan, de stille heer van de derde verdieping, als hij naar meneer Turk sluipt, de jood die zich verborgen houdt. Jan Paskal, ooit om persoonlijke redenen van katholiek pastoor evangelisch pastoor geworden en later vilder, woont op de vijfde verdieping, waar voorheen de rechtsbode Hergesell huisde, door hem vermoord toen dat voor een heldendaad kon doorgaan, de Duitser die eerder weer de etage in bezit had genomenna het verdwijnen van de joodse familie Davidovic. Maar ze zijn niet weg: opa en oma hokken nog in een kamertje en de kleindochter is weliswaar ooit uit het raam gesprongen, maar zoekt nog steeds haar geliefde Pavel, van wie ze een kind tegoed heeft. En zo kruisen zich dagelijks de levens van doden en levenden, waarbij ook nog eens meerdere generaties en een geschiedenis vanaf de Eerste Wereldoorlog in het spel zijn. Een enkeling onder de levenden is het gegeven in het domein van de doden door te dringen, zoals de onechte zoon van Paskal, Divis, die zich op zekere dag in de lichtkoker waagt, het revier van de levende doden. Divis zet zelfs zijn zinnen op Alice; zij van haar kant ziet verder dan de andere doden, omdat zij zich niet lijdzaam onderwerpt aan de algemene apathie en bereid is in de wereld van andere mensen te stappen.
Het is dus een wereld van overgangen, oneindige metamorfosen en reincarnaties. Maar Hodrova houdt die wondere wereld met haar wirwar aan personen en al even levenslustige dingen goed in de hand, door haar laconieke stijl en door de compositie van korte hoofdstukken, waarin ze telkens enkele figuren dichterbij haalt of de dingen voor zichzelf laat spreken.‘Ik ben het Olsany-kerkhof’, 'Ik ben het kamertje van opstanding’, 'Ik ben de huid’, 'Ik ben de revolutie’, 'Ik ben het volk’, 'Ik ben de mof’, 'We zijn de zielen.'De dingen hebben even veel recht van spreken als de mensen, en ze hebben weet van de levenden en doden. Het klinkt sprookjesachtig, maar in feite heft Hodrova voor de duur van haar boek alleen maar de bijziendheid voor de schaduwwereld op. Zie maar eens hoe de doden zich in 1968 gedragenals het hervormingsproces ook het kerkhof in beroering brengt: meteen wordt er weer een drijfjacht op een volksverrader geopend. Daarna verschijnen de pestlieden met hun tanks, verwarring ook op het kerkhof.