Briefwisseling over het onbehagen van de man

‘Verwekken is fijner dan baren’

Door de enorme aandacht voor het onbehagen van de vrouw is het welbehagen van de man erbij ingeschoten. Voor politicologen Sjoerdje van Heerden (26) en Meindert Fennema (62) is deze stelling het thema van een correspondentie – op het scherpst van de snede.

Beste Sjoerdje,

In 1967 publiceerde Joke Kool-Smit in het deftige tijdschrift De Gids het artikel Het onbehagen bij de vrouw. Dat Gids-nummer was helemaal gewijd aan onbehagen. Kool-Smit beschreef de frustratie van getrouwde vrouwen die meer wilden dan een bestaan als moeder en huisvrouw. Het stuk gaf aanleiding tot veel discussie, die ook wel de tweede feministische golf genoemd wordt.
Nu, 42 jaar later, is er opnieuw discussie in de media, maar nu over het onbehagen van de man. Mannen zouden onbehagen voelen over het succes van Joke Kool-Smit, dat zij beschrijven als de feminisering van onze cultuur. Nu heb ik wel eens onbehagen, maar dat heb ik meestal niet als man, dat wil zeggen ten opzichte van vrouwen. Ik heb misschien wel meer onbehagen als man bij mannen dan als man bij vrouwen.
Maar als ik over onbehagen begin, moet ik natuurlijk onderscheid maken tussen de binnenwereld en de buitenwereld, tussen de intimiteit van een seksuele gemeenschap van man en vrouw – waaromheen zich dan vaak een gezin vormt – en de formaliteit van de publieke ruimte, waarin men werkt en gezamenlijk tot besluiten komt. In de binnenwereld heerst de norm van ongelijkheid, daar doet het verschil er juist toe. Het biologische verschil bedoel ik, niet het culturele. Mannen verwekken kinderen, vrouwen baren ze. Verwekken is fijner dan baren… De ongelijkheid wordt versterkt doordat het gezin in onze maatschappij patriarchaal georganiseerd is. Vrouw en kinderen dragen de naam van de man, in ruil voor bescherming.
Maar in de buitenwereld van de burgerlijke maatschappij doet dat biologische verschil er juist niet toe, althans zou er niet toe moeten doen, vinden we. Daar heerst de formele gelijkheid van burgers en burgeressen, van werkgevers en werknemers (m/v). Daar heerst ook geen hiërarchische gemeenschap maar vrije concurrentie van individuen om macht en invloed en om de hoogte van het inkomen. Althans zo hebben we dat van Hegel geleerd.
Dit verschil tussen de binnenwereld en de buitenwereld is natuurlijk analytisch en abstract, het verschil is in de werkelijkheid niet scherp te trekken. In de buitenwereld spelen seksuele relaties ook een rol, dat hebben Bill Clinton en Monica Lewinsky de wereld laten zien. Die relaties zijn bovendien ook vaak hiërarchisch van aard, dat heeft Ruud Lubbers de wereld laten zien. In de binnenwereld dringt de norm van gelijkheid binnen. Wij vinden de norm van de koran, die zegt dat de vrouw altijd klaar moet liggen voor haar man, nu achterlijk, hoewel er mensen zijn die vinden dat je dat niet mag zeggen. De binnenwereld moet tegenwoordig voldoen aan allerlei civielrechtelijke regels die vroeger niet golden. In 1958 is de vrouw handelingsbekwaam geworden en sinds 1991 kan de vrouw juridisch gezien ook binnen het huwelijk verkracht worden, iets wat vijftig jaar geleden ondenkbaar was.
Langs deze lijnen zijn er twee soorten feminisme te onderkennen. Het feminisme van Ayaan Hirsi Ali richt zich vooral op de binnenwereld. Zij vindt de onderschikking van de vrouw aan de man niet meer passen in deze tijd en voert actie tegen de onmenselijke behandeling van de vrouw in de islamitische cultuur. En zij is ervaringsdeskundige: zelf is zij bijna doodgeslagen, haar geslachtsdelen zijn weggesneden en ze is door haar vader uitgehuwelijkt.
Het powerfeminisme van Neelie Kroes, Heleen Mees, Margriet van der Linden en vele anderen richt zich op de buitenwereld en strijdt tegen discriminatie van vrouwen die er officieel niet zou moeten zijn en die ook meestal onzichtbaar is. Vandaar dat men spreekt van een glazen plafond. Een plafond dat men niet ziet en er misschien ook wel niet is – zeggen de tegenstanders van dit feminisme voor de beter opgeleide vrouw.
Laat ik beginnen met de overeenkomsten tussen deze twee soorten van feminisme. Ze willen allebei het lot van vrouwen verbeteren en ze worden allebei gedragen door vrouwen die in acht van de tien gevallen geen kinderen hebben. Dat geldt voor drie van de vier dames die ik genoemd heb en voor vele anderen die ik zou kunnen noemen. Men kan in de buitenwereld kennelijk alleen slagen als men in de binnenwereld niet voor de kinderen hoeft te zorgen.
Een tweede relatie is de omgekeerde: vrouwen willen graag kinderen hebben, niet alleen uit een natuurlijke behoefte of omdat hun man dat wil, maar ook om de concurrentie om macht en inkomen in de buitenwereld niet aan te hoeven gaan. Zij verschuilen zich achter het feit dat zij kinderen hebben. Het gezin als schuilkelder voor de harde buitenwereld.
Beste Sjoerdje, laat ik je vertellen hoe ik hiermee te maken heb en heb gehad. Hoewel mijn eerste huwelijk kinderloos was, voldeed het geheel aan de laatste stelling. Mijn vrouw was hippie en schilderes – althans zij had een tekenacademie doorlopen – en zij kon of wilde zich in de harde buitenwereld niet vertonen en zocht dekking in een huwelijk met mij. Ik was dus als student-assistent al kostwinner. Omdat zij buitenlandse was en geen zelfstandige verblijfstitel had, was zij des te afhankelijker van mij. Het baantje op een reclamebureau – waarmee ze vrijwel niets verdiende – gaf ze op toen bleek dat haar werkgever meer in haar lichaam dan in haar tekenwerk geïnteresseerd was. Mijn vrouw was natuurlijk een ‘staunch feminist’ en ik had toen als man veel onbehagen, maar wist niet goed waarom.
Ik begreep niet wat zij eigenlijk te klagen had, want behalve dat ik kostwinner was, deed ik ook het huishouden omdat zij vaak in een apathische lethargie verzonken was. Maar zij was beeldschoon en artistiek, dus in de buitenwereld kon ik met haar voor de dag komen. Pas later besefte ik dat zij leed aan een zware vorm van het onbehagen van de vrouw. Haar gebrek aan succes in de buitenwereld projecteerde ze op mij en op mannen in het algemeen. Zij kreeg ten slotte een verhouding met de eigenaar van een snackbar om de hoek die meer dan mijn hele salaris aan de UvA in haar garderobe investeerde. Allemaal uit liefde. Toen ik haar twintig jaar later sprak was ze teruggegaan naar het land van herkomst en daar gescheiden met twee kinderen. Van een carrière als schilderes was niets terechtgekomen.
Mijn laatste huwelijk – ik laat de tussenliggende 23 jaar kortheidshalve onbesproken – lijkt een spiegelbeeld van mijn eerste huwelijk te zijn. Toen ik mijn huidige vrouw ontmoette had zij een hoge functie op het ministerie van Buitenlandse Zaken en zij was, ook al was zij zwanger van een kind dat zeer gewenst was, niet van plan die baan op te geven. Zij vond ook niet dat ik de plicht op mij moest nemen om haar kind mee op te voeden, want het was haar kind en niet het mijne. Zij wilde zowel in de binnenwereld als in de buitenwereld autonoom zijn, en zij is daarin geslaagd, want ze heeft haar eigen bedrijf opgericht, Worldgranny, dat uitstekend floreert. In de binnenwereld is zij misschien niet zo volledig de baas als in Worldgranny, maar omdat ik geen kostwinner ben en we bovendien in háár huis wonen is mijn leverage in de binnenwereld beperkt. Leidt dit tot onbehagen? Voorlopig niet, want het onbehagen van de man is in mijn beleving vooral een afgeleide van het onbehagen van de vrouw.
Ik ben benieuwd wat jij vindt van deze zelfanalyse. Ik geef hem graag voor een betere.

Meindert

Beste Meindert,

Als ik het goed begrijp heb jij over het algemeen dus niet zo veel last gehad van de mannelijke variant van het gevoel van onbehagen. Alleen in de tijd dat jouw eerste vrouw langdurig verveeld thuis zat, sloeg haar gevoel van onbehagen over op jou. Dit gevoel is afwezig tijdens je tweede huwelijk waarbinnen jouw vrouw tijd noch reden heeft om onbestemd uit het raam te staren. Dit verklaart jouw stelling dat het gevoel van onbehagen bij de man staat of valt bij gratie van het onbehagen van de vrouw. Maar wat uit deze zelfanalyse niet duidelijk wordt, is waarom je ook stelt dat je eerder onbehagen voelt als man bij mannen, dan als man bij vrouwen.
Seksegoeroe Tijn van Ewijk zou dit onbehagen vermoedelijk toch toeschrijven aan de problematische rol van de man in onze huidige maatschappij. In zijn ogen hebben vrouwen de laatste veertig jaar met hun strijd voor emancipatie het maatschappelijk debat overheerst, waardoor het mannelijk belang is overspoeld. Hierdoor zijn mannen verwijderd geraakt van hun mannelijke kern. Het zijn mietjes geworden: onzeker en overgevoelig. Door de enorme aandacht voor het onbehagen van de vrouw is het welbehagen van de man erbij ingeschoten. Op dit moment weet de gemiddelde man niet meer wanneer hij met zijn vuist op tafel moet slaan en of dat überhaupt nog wel mag. Om deze reden organiseert Van Ewijk heuse ‘remancipeer!’-cursussen, waar de man weer leert om man te zijn.
Van Ewijk is trouwens niet de enige die aandacht besteedt aan de verondersteld zorgelijke feminisering van onze samenleving. Michael van Eekeren heeft inmiddels de website www.ondraaglijkefeminisering.nl in het leven geroepen. Onder het kopje ‘missie’ beschrijft hij dat onze obsessie met gelijkheid en mededogen een verlammend effect heeft gehad op de samenleving. Mannen worden niet meer gestimuleerd in hun deugden zoals competitieve oriëntatie op (daad)kracht of kwalitatief leiderschap in crisissituaties. Op deze manier gaat de feminisering niet alleen ten koste van de man zelf maar ook ten koste van de kwaliteit van ons bestuur. Hoewel de hele westerse samenleving ten prooi is gevallen aan deze scheefgroei heeft het proces zich zo geleidelijk voltrokken dat de meeste mannen zich niet eens van hun zorgelijke staat bewust zijn. Als we Van Ewijk mogen geloven is de situatie dus ernstig: we hebben niet alleen te maken met een serieus onbehagen van de man, maar ook met een sluier van onwetendheid.
Ook Dylan van Rijsbergen pikte de trend van mannelijk onbehagen op en schreef er onlangs een boek over: Het onbehagen van de man. Van Rijsbergen heeft net als jij niet zo veel last van dit onbehagen, hij stelt dat de mannelijke rol juist ten onrechte wordt gekoppeld aan stereotypen als de cowboy, viking of jager. Volgens Van Rijsbergen berusten deze typeringen niet alleen op slecht gefundeerde mythen, maar doen ze ook onrecht aan de veelvormigheid van de man. Of de auteur nog wakker geschud moet worden of dat hij oprecht zijn vrouwelijke kanten omarmt, valt, met dank aan Van Ewijk, nog maar moeilijk te bepalen.
Het zou trouwens een misverstand zijn om te denken dat alleen mannen last hebben van de feminisering van de samenleving. Volgens de kenners zijn ook vrouwen de dupe. Zij vinden namelijk geen leuke mannen meer. Ja, wel om mee te praten, maar daar houdt het dan ook mee op. Vrouwen willen als puntje bij paaltje komt gewoon de stoerste van de apenrots. Op de boekpresentatie van Dylan van Rijsbergen riep een man verontwaardigd uit dat heus niet alle mannen zich willen meten aan de rol van de klassieke man. De man in kwestie bleek de website www.huismannen.nl te vertegenwoordigen en bezwoer het publiek daarom dat hij genoeg mannen kende die er net zo over dachten. De gezworen aartsvijand van de vrouwelijke man, professor Andreas Kinneging, beet hem vervolgens toe dat het prima was dat meneer graag wasjes draaide en ramen lapte, zolang hij maar niet de illusie koesterde dat hij zo voor vrouwen seksueel aantrekkelijk was. Waarop de vriendin die naast mij zat schuldbewust fluisterde: ‘Tja, dat is wel waar.’
Daarmee is meteen de volgende slachtoffergroep aangewezen: de homo’s. Doordat de man zich steeds vrouwelijker gaat gedragen en kleden (denk aan mannendecolletés, skinny jeans en sieraden) zou het verschil tussen hetero en homo steeds moeilijker te bepalen zijn. Voorbeeld van zo’n verwarrende man is knuffelchristen Arie Boomsma, die misschien wel daarom was uitgekozen om het eerste exemplaar van Van Rijsbergens boek in ontvangst te nemen.
Ten slotte, en dit heb ik zelf niet bedacht, zou de feminisering van de maatschappij in verband gebracht moeten worden met de opkomst van Wilders, evenals met die van de Partij voor de Dieren. Wilders omdat Nederland (al dan niet bewust) zo langzamerhand hunkert naar een daadkrachtige brulaap, de PVDD omdat we overgevoelig zijn geworden.
Kortom, we weten zo langzamerhand niet meer waar we het zoeken moeten. Terug naar de jaren vijftig dan maar? Toen was de rol van de man nog lekker duidelijk, zoals werd bezongen in het liedje Op een mooie pinksterdag: ‘Papa is er enkel en alleen maar voor de centen en de rest is flauwekul.’
Beste Meindert, ik neem aan dat jij uit mijn licht cynische ondertoon hebt kunnen opmaken dat ik het onbehagen van de man, zoals geformuleerd door Van Ewijk en Van Eekeren, eigenlijk maar een beetje keutelachtig vind. Dat zij in de privé-sfeer aan hun mannelijkheid willen werken is prima, maar om er een dringend maatschappelijk probleem van te maken lijkt me behoorlijk overdreven. Zij lijken terug te willen in de tijd. Terug naar toen zij nog onmiskenbaar de norm waren: een soort eerherstel van het patriarchaat. Dat daarmee de prille verbetering in de positie van de vrouw weer in het gedrang komt lijkt me duidelijk. Straks krijgen we nog het onbehagen van het blanke ras.

Hartelijke groet,
Sjoerdje

Beste Sjoerdje,

Verongelijkte reacties van mannen op de afkalving van hun machtsposities zijn niet nieuw. Die waren er dertig jaar geleden bijvoorbeeld in de vorm van een mannenbeweging, bekend onder de naam Dolle Manus, die zich op onze subfaculteit politicologie de floeperbeweging noemde. Het was in diezelfde tijd dat mijn Antilliaanse schoonvader voorstelde een afwaswedstrijd te organiseren tussen zijn twee kersverse Hollandse schoonzonen.
Floepers hadden het niet over huishoudelijke taken, maar over hun gevoelens die zij als man niet konden uiten omdat ze dat nooit geleerd hadden. Daar waren ze heel verdrietig over. Ik vond destijds dat zij hun gevoelens juist heel goed konden uiten: de heren van de mannenbeweging voerden het hoogste woord, ze huilden graag en knuffelden elkaar. De herenliefde kreeg in het souterrain van het Instituut voor de Wetenschap der Politiek een nieuwe maatschappelijke betekenis.
Als ik jou goed begrijp is die mannelijke sensitiviteit nu veralgemeniseerd en is er een kleine groep voorhoedestrijders opgestaan die probeert dit kwaad terug te draaien. Of zij de zwijgende achterban mee zal krijgen is nog maar de vraag, maar in ieder geval krijgt het onbehagen van de man veel aandacht in de media. Dat wijst erop dat journalisten deze boodschap graag onder de aandacht brengen. In het boek van Van Rijsbergen lees ik dat de mannen met name op hun achterste benen gaan staan wanneer de vrouwen hun nu ook nog de porno afhandig maken. En Max Pam meldde in Buitenhof dat hij graag meehelpt met het afwenden van een milieuramp door duurzamer te leven onder de voorwaarde dat hij mag blijven vliegen en zijn snelle sportauto mag houden. Mannen blijven geile jagers, maar ze jagen tegenwoordig per auto of vliegtuig en komen klaar voor de televisie.
Wat ik daar leuk aan vind is dat de biologie weer binnengebracht wordt. Vroeger mocht je daar in mijn kringen niet over spreken, dan was je ongelooflijk seksistisch. Nu mag je de vraag weer opwerpen of het biologische verschil tussen mannen en vrouwen niet ook hun maatschappelijke positie beïnvloedt, of zelfs hun partnerkeuze en hun paargedrag. In het Volkskrant Magazine werden drie bekende mannen geïnterviewd over hun beleving van seks met vrouwen. Allemaal zijn ze wat in het defensief en een van hen verwoordt dat heel mooi door te zeggen: ‘Vrouwen zouden eens één dag met de hoeveelheid testosteron moeten leven waarmee jongens altijd rondlopen.’
Leven met ongelijkheid, dat lijkt het probleem van vandaag. Sommige mannen willen onder leiding van Tijn van Ewijk vrije seks op de apenrots. Anderen, zoals Andreas Kinneging, vestigen hun hoop op de traditie om hun overvloed aan testosteron in beschaafde banen te leiden. Je hebt Kinneging in levende lijve gezien, dus je kunt je een voorstelling maken hoe moeilijk hij het moet hebben in onze gefeminiseerde, egalitaire maatschappij. Datzelfde geldt voor de Aziatische Naema Tahir, met wie Kinneging in de Volkskrant vorig jaar een briefwisseling voerde. Tahir wil niet dat mannen en vrouwen op elkaar gaan lijken: ‘Het nieuwe feminisme zal vooral gaan over de vraag of een vrouw de man wil nadoen, of zichzelf wil blijven.’ Het is fijn om jezelf te zijn, maar toch, ik zou graag willen dat het onderscheid dat ik in mijn eerste brief maakte tussen de binnenwereld en de buitenwereld enigszins gerespecteerd wordt. In de binnenwereld mogen Andreas en Naema doen wat ze willen, dus ook als vrouw zichzelf blijven en/of zich in een patriarchale traditie voegen. Maar in de buitenwereld dóen wij alsof we allemaal gelijk zijn, hoewel natuurlijk iedereen weet dat man en vrouw, Kaukasiër en Aziaat, niet gelijk zijn.
Onlangs logeerde ik in een strandhotel in de Dominicaanse Republiek om daar te werken aan mijn boek over Wilders. Ik ontmoette in dat hotel een Bulgaarse concertpianiste van mijn leeftijd, getrouwd met een Dominicaanse man die twintig jaar jonger was. Dominicaanse mannen houden wel van jagen maar niet van wandelen, dus dat deed ze graag met mij. Op de eerste ochtend dat wij om zes uur op het strand hadden afgesproken, kwam ze te laat. Binnen twee minuten stond er een Dominicaans meisje voor me van jouw leeftijd, dat mij vroeg of ze mij ergens mee van dienst kon zijn. Zij wilde wat graag met mij wandelen en ook andere dingen met mij doen die ik fijn vond. Het onbehagen van de man? Hou toch op!

Meindert

Beste Meindert,

Het verbaast mij dat je uitgerekend jouw ervaring met een prostituee in de Dominicaanse Republiek als voorbeeld hebt gekozen om aan te geven dat het met het welbehagen van de man wel goed zit. Dat was niet bepaald het antwoord dat ik had verwacht. Het valt trouwens te betwijfelen in hoeverre dit voorval daadwerkelijk aangeeft dat de man niets te klagen heeft. Als een vrouw van jouw leeftijd morgen op het vliegtuig naar Ghana stapt, staat er ook in no time een jonge Afrikaan naast haar op het strand. Dat zegt helemaal niets over een gevoel van onbehagen, maar meer over de armzalige situatie in sommige ontwikkelingslanden.
Daarnaast denk ik dat Naema Tahir gelijk heeft wanneer zij concludeert dat het nieuwe feminisme zich vooral zal bezighouden met de vraag of de vrouw de man wil nadoen of dat zij zichzelf wil blijven. Dit dilemma heb ik in de praktijk al mogen ervaren en toevalligerwijs ook nog eens met jou. Toen jij een paar maanden geleden nog afdelingsvoorzitter was, stapte jij op een ochtend de kamer binnen met de constatering dat de vrouwen binnen de afdeling inderdaad te kampen hadden met een achterstand. Daarom konden wij het beste op een educatieve cursus gaan waar ons zou worden geleerd om lager te praten, minder te (glim)lachen en meer ruimte in te nemen. Met andere woorden: wij kippen moesten maar eens haan worden. Ik was door dit voorstel met stomheid geslagen. Waarom zou ik mij mannelijker moeten gedragen? Daar heb ik helemaal geen zin in. Bovendien, waarom gaan mijn mannelijke collega’s niet op een cursus meer lachen en minder ruimte innemen?
Bij nader inzien was mijn verongelijktheid misschien niet helemaal terecht. Jij vroeg mij natuurlijk niet om mannelijker te worden, maar om mij verder te ontwikkelen op de heersende normen voor zakelijk succes. Die associatie met de man maakte ik zelf. Maar wat raar blijft, is dat deze cursus alleen voor vrouwen is. Er lopen namelijk ook mannen rond op onze afdeling voor wie wat bijscholing in zakelijkheid geen kwaad zou kunnen. Op deze manier lijkt het er toch op dat mannelijkheid per definitie zakelijkheid is. Dat neigt naar seksisme.
Het vereenzelvigen van zakelijke kwaliteiten met stereotiepe mannelijkheid blijkt ook voor powervrouwen moeilijk te weerstaan – vaak door juist de beperking van deze zakelijkheid/mannelijkheid aan te tonen. Ines Balkema, de eerste brandweervrouw in Rotterdam en verdienstelijk feministe, stelde in Rondom tien dat met de (bescheiden) komst van vrouwen bij de brandweer er meer aandacht is gekomen voor nazorg. Heel nuttig natuurlijk, maar we hoeven de opkomst van vrouwen op de arbeidsmarkt toch niet te rechtvaardigen met het zogenaamde surplus dat wordt binnengebracht? Dit kon nog wel eens een gevaarlijk uitgangspunt blijken waarmee je zo weer terug bij af bent. Dan zouden vrouwen in theorie dus ook maar beter weg kunnen blijven waar zorgzaamheid niet van toegevoegde waarde blijkt.
Verder las ik dat Neelie Kroes in haar begeleidende tekst op de lijst van de honderd invloedrijkste vrouwen in Opzij stelt dat wanneer Lehman Brothers Lehman Sisters had geheten de crisis anders zou zijn gelopen. Vrouwen kunnen over het algemeen beter luisteren en neigen er minder naar om de know-it-all uit te hangen. Volgens ‘Steely Neelie’ zijn vrouwen ook betere teamspelers en hebben ze een minder groot ego. Waarom nou per se het verschil benadrukken op basis van enkele oppervlakkige generalisaties? Hoewel het verleidelijk is om dergelijke vleiende kanten te benadrukken als mannen de mist in gaan, legitimeer je daarmee ook de zo gewraakte negatieve generalisaties: vrouwen zijn irrationeel, overgevoelig en snel overstuur. Dit doet denken aan een grap van Hans Teeuwen: sommige mensen zijn nu eenmaal goed in hardlopen en ritmes en andere in leidinggeven. Een slechte leidraad om de maatschappij mee in te richten.
De precieze inbreng van vrouwen valt juist zeer moeilijk te definiëren. Generalisaties zetten mij alleen maar op het verkeerde been. Als ik bijvoorbeeld een column van Heleen Mees zou lezen zonder vermelding van auteur, zou ik aannemen dat deze door een man was geschreven. Het zou toch raar zijn als ik hierom zou denken dat Heleen Mees niet goed op haar plek zit. Maar als je niet oppast, gebeurt dat wel. Veelzeggend is in dit geval de uitspraak van Heleen van Royen in het krantje van mijn zorgverzekeraar: uitgerekend haar dochter vindt het niet kloppen dat haar moeder thuis de kostwinner is.
De vrouw ‘als toegevoegde waarde’ staat een gezonde emancipatie van de vrouw in de weg. Ik wil niet aangenomen worden omdat ik een minder groot ego heb, maar omdat ik mijn vak versta. Vrouwen zijn niet complementair, maar op geestelijk niveau in potentie gewoon hetzelfde. Deze stelling wordt door Van Ewijk betwist met het argument dat de natuur meer experimenteert met mannen omdat juist zij de twee uitersten binnen onze maatschappij bezetten, die van genieën enerzijds en kanslozen anderzijds. Dendert de feminisering door, dan raken we volgens Van Ewijk onze geniale hoogtepunten kwijt. Dit lijkt mij volkomen onzin. Ik geloof niet dat vrouwen vanwege een biologische beperking niet in staat zijn om intellectueel uit te blinken of af te zakken tot een zwerversbestaan. Voorzover mannen inderdaad deze uitersten bezetten, komt dat gewoon voort uit onze maatschappelijke structuur: het ontwikkelingsspectrum van de vrouw is lange tijd veel beperkter geweest en nu nog steeds niet optimaal, en dat zie je terug.
Daarnaast staan generalisaties ook de man in de weg. Zie Van Rijsbergen. Juist het verankeren van stereotypen leidt dus tot een gevoel van onbehagen bij zowel de man als bij de vrouw, maar wel met het belangrijke verschil dat mannen maatschappelijk wat te verliezen hebben en vrouwen wat te winnen.
Frank de Zwart is het hier waarschijnlijk niet mee eens: hij schreef in de Volkskrant dat witte mannen aan het begin van hun carrière inmiddels de dupe zijn van de positieve discriminatie van vrouwen. Ook zij hebben dus wat te verliezen. Blijkt dit waar te zijn, dan is dit een vorm van mannelijk onbehagen die wel serieus moet worden genomen. Zelf ben ik overigens geen voorstander van een quota in het bedrijfsleven, hoewel ik de discussie die erover gevoerd wordt erg nuttig vind. Door dit soort problemen aan de kaak te stellen komt de samenleving waarbinnen niet wordt gediscrimineerd en iedereen gelijke kansen heeft om zich te ontwikkelen misschien een stapje dichterbij. Is dat geen fijne kerstgedachte?

Hartelijke groet,
Sjoerdje