Verwerking van een koude eeuw

IN ZIJN NIEUWSTE boek, De verloren beschaving (1997), komt Alain Finkielkraut terug op het thema van zijn voorlaatste werk, Zinloze herinnering (1989). Dat thema is ‘de paradox van de twintigste eeuw’: hoe is het mogelijk dat onze eeuw, die zoveel lippendienst heeft bewezen aan de gelijkheidsgedachte, tegelijk de uitroeiingskampen van de nazi’s voortbracht? De sleutel ligt volgens de auteur in de notie van een universele mensheid, die eerst vergeten en ten slotte aan andere beginselen geofferd werd.

Het boek opent met een zoektocht naar de oorsprong van het universele-mensheidsidee. Het heeft eeuwen geduurd voordat de mens ertoe kwam om anderen dan zijn eigen stamgenoten tot de eigen soort te rekenen. De eerste mensengroepen, schrijft Finkielkraut, noemen enkel de leden van hun eigen stam ‘mensen’. Buitenstaanders horen er niet bij, ook al zien ze er eender uit.
Die denkwijze verandert door de komst van de bijbel. 'Het monotheïsme schenkt de mensen het idee van de eenheid van het mensdom’, citeert hij zijn leermeester Emmanuel Levinas. De gewoonte om ook vreemdelingen tot de mensheid te rekenen, is in de Middeleeuwen gemeengoed. Toch blijven de mensen in een verticaal geordende maatschappij fundamenteel ongelijk. Daar komt pas verandering in met de Verlichtingsfilosofen, bij uitstek pleitbezorgers van de gelijkheidsgedachte.
Finkielkraut omschrijft de Verlichting als de gevoelsmatige herkenning van de ene mens door de andere: 'De gelijkheid van de mensen komt tot uiting in een grenzeloos medeleven, in een gevoelsmatig deelhebben aan de rampspoed die het mensengeslacht treft.’ Deze wederzijdse emotionele herkenning bestaat volgens de auteur ook tijdens de Eerste Wereldoorlog nog. Hij illustreert dit met het relaas van een Italiaanse officier die de Oostenrijkse vijand bespiedt. Op het moment dat hij de Oostenrijkers een alledaags gebaar ziet maken - ze drinken een kop koffie - roept hij uit: 'Ik had een mens voor me, een mens!’
Pas in de Tweede Wereldoorlog is de ene mens niet meer in staat de andere als zodanig te herkennen, zo blijkt uit een bekende passage van Primo Levi waarin deze zich in Auschwitz moest laten onderzoeken door dokter Pannwitz. De blik die Pannwitz op Levi wierp, was 'geen blik tussen twee mensen, maar een blik als door een aquariumruit gewisseld tussen twee wezens die verschillende elementen bewonen’.
IN FINKIELKRAUTS De verloren beschaving dient deze 'aquariumblik’ van Pannwitz als metafoor voor de geestesgesteldheid van het Derde Rijk. Finkielkraut: 'Die blik symboliseert het ontbreken van haat. Primo Levi zou niet van het “mysterie van het Derde Rijk” hebben gesproken als hij haat of vijandigheid had gevoeld. De twintigste eeuw wordt gekenmerkt door een extreme koude. Het probleem met Pannwitz is niet dat hij Primo Levi als een of ander exotisch dier ziet - dat zou nog enigszins normaal geweest zijn, want het probleem van de vreemdeling is van alle tijden. Er is iets anders aan de hand. Pannwitz en Levi hebben hetzelfde opleidingsniveau, spreken dezelfde taal en hebben dezelfde uiterlijke verschijning. Pannwitz staat dus tegenover een gelijke, en toch is het alsof ze van verschillende planeten komen. Levi is geschokt omdat de man geen enkele emotie toont. Pannwitz is een rationeel en intelligent mens en toch trekt hij die muur op. Dat is het mysterie van de twintigste eeuw: de neiging om de medemens te reduceren tot een soort afval.
Mijn titel De verloren beschaving geeft de huidige toestand van ons geheugen weer. We bevinden ons nu in een periode van recapitulatie. In al onze politieke acties doen we alsof we rekening houden met de gruwelen van onze eeuw. Maar we hebben er geen lering uit getrokken. Eigenlijk komen we uit deze eeuw tevoorschijn met een tweevoudig principe: humanitaire gevoeligheid en antinationalisme. Als ik dat dubbele discours vergelijk met de realiteit van deze eeuw, luidt mijn conclusie dat ons geheugen niet goed functioneert.’
Wat valt het antinationalisme te verwijten?
'Mensen verfoeien het begrip “nationalisme” omdat het gelijk zou staan aan oorlog. Dat is onder meer verdedigd door François Mitterrand. Ik heb geen sympathie voor het nationalisme en ik besef dat sommige vormen van nationalisme ondemocratisch zijn, maar de natie-staat is wel het kader waarin de moderne democratie functioneert. Of we ooit een ander kader kunnen bedenken, moeten we maar afwachten. Mijn eerste stelling is dus dat het nationalisme in staat is de democratie te vernietigen, maar dat de democratie niet zonder natie-staat kan functioneren.
Mijn tweede stelling is dat de Tweede Wereldoorlog niet kan worden gereduceerd tot een vlaag van nationalisme. Hitler had een raciaal uitgangspunt en streefde naar een verenigd Europa onder Duits bewind. Zij die tegen Hitler streden, zetten zich in voor het behoud van de natie-staat. Wie het nationalisme misdadig noemt op grond van de Tweede Wereldoorlog, heeft er niets van begrepen. Om Hitler te verslaan was een geloof in de natie-staat nodig zoals dat onder meer bij De Gaulle leefde. Ik weet wel dat Hitler allerlei nationale sentimenten heeft bespeeld om in Slowakije en Kroatië zijn stromannen aan de macht te brengen. Toch geloof ik dat je rekening moet houden met het nationale element in het verzet tegen Hitler.’
WAT HEBT U tegen op de humanitaire gevoeligheid van tegenwoordig?
'Vandaag overheerst de ideologie van het medelijden, alsof men zich wil afzetten tegen het cynisme van deze eeuw. We hebben bijna uitsluitend belangstelling voor de mens in zijn hoedanigheid van slachtoffer. De westerse ideologie van het medelijden verzet zich tegen elke vorm van berekening. Het uitgangspunt is dat elk slachtoffer het waard is geholpen te worden. Ik vind dat legitiem, maar ik stel vast dat de grenzen snel zijn bereikt omdat de mens als slachtoffer zijn specificiteit verliest. Als slachtoffers zijn mensen onderling inwisselbaar. Een van de gevolgen is dat de hulpverlening geen onderscheid meer maakt tussen soorten catastrofen. Of het nu gaat om een natuurramp of een politieke ramp, in beide gevallen gaan we de slachtoffers helpen. Ik vind dat je onderscheid moet maken: bezorgdheid mag niet worden herleid tot medelijden.’
U ziet dus ook nadelen aan het universele-menselijkheidsidee?
'Het Franse woord humanité verwijst naar het idee van de gelijke en de gelijkende, dat vandaag gemeengoed is. Het betekent tevens dat we één groep zijn: de mensheid. In mijn boek spreek ik me niet uit voor of tegen die gedachte, ik wil nagaan waarom die gedachte in de vergetelheid is geraakt terwijl ze cruciaal was voor de ontwikkeling van Europa.
Ik constateer dat het idee van menselijkheid vergankelijk is in twee opzichten. Om te beginnen kan ze worden vergeten. Maar dat is niet het hele verhaal. Als het idee van universele menselijkheid de vorm aanneemt van een eenheid van alle mensen of van vooruitgang in de geschiedenis, wordt de individuele mens gereduceerd tot een onderdeel daarvan. Het enige wat dan nog telt is de mensheid als geheel. Het is volgens mij noodzakelijk om de individuele mens zijn bestaansrecht terug te geven. We moeten ons ervan bewust zijn dat de gedachte van humanité sterfelijk kan zijn en tegelijk moorddadig, dat ze kan verdwijnen en kan doen verdwijnen. Dat is de dubbele les van de twintigste eeuw.’
WAAROM GEEFT de internationale gemeenschap zo weinig om Algerije?
'We mogen niet te snel oordelen. De situatie in Algerije is tragisch. Je kunt haar niet vergelijken met bijvoorbeeld Bosnië-Herzegovina, waar Servische militairen burgers ombrachten. Dat was geen tragedie, maar een schandaal. Algerije heeft een dictatoriale regering, maar ook een oppositiebeweging die de meest barbaarse is uit de hele geschiedenis. Nooit heeft er zo'neselijk terrorisme bestaan, terrorisme dat de staat wil verzwakken door op de bevolking te schieten, kinderen te wurgen en vrouwen te verkrachten.
Wat te doen in zo'n situatie? Het grote publiek is vervuld van afschuw maar weet geen oplossing. en dat geldt ook voor de internationale gemeenschap. Moeten we blauwhelmen sturen? Wat kunnen zij in Algerije uitrichten? Zich laten verminken door de GIA, meer niet. Ik ben minder geschokt door de passieve houding van de internationale gemeenschap dan door de kranten die de verantwoordelijkheid op de Algerijnse staat afschuiven. Elke dag verschijnen er artikelen in Franse kranten die beweren dat de moorden worden begaan door de Algerijnse regering.’
Is dat dan uit te sluiten?
'Misschien zijn er militairen die om onduidelijke redenen deze kaart trekken. Dat neemt niet weg dat het discours van sommige kranten pure desinformatie is. Volgens die berichten zou alles in orde komen als de Algerijnse staat maar met het Fis en de GIA onderhandelde. Dat is absurd. Stel dat het Fis na onderhandelingen aan de macht komt, dan zullen de schuldigen aan alle gruwelen wellicht tevreden zijn, maar Algerije wordt dan wel uitgeleverd aan zijn beulen. Deze logica houdt geen rekening met het bestaan van een volksbeweging die verwerpelijker is dan de staat waartegen ze zich richt.
Dat druist weliswaar in tegen ons gevoel voor politieke romantiek, dat zegt dat de staat altijd schuldiger is dan diegenen die zich tegen haar verzetten. Maar in Algerije is het omgekeerd. Tegenover de overheid die mogelijk dictatoriaal of corrupt is, staat een oppositie die pure misdaden tegen de menselijkheid pleegt. Wie niet gelooft, moet sterven. Wie gaat stemmen, moet sterven. Met zulke mensen kun je niet om de tafel gaan zitten.
Als ik zie dat er verontschuldigingen voor die barbarij worden aangedragen, word ik bang. Niet de verlamming van de internationale organisaties boezemt me angst in, maar het begrip voor de GIA.’
IS DE TERM 'misdaden tegen de menselijkheid’ ook van toepassing op Papon?
'Dat proces wordt gekenmerkt door een structureel probleem. De oorlogsmisdadiger Papon wordt vijftig jaar na de feiten voor de rechtbank gedaagd. Hij is de enige die nog kan getuigen, zijn meerderen zijn dood. Dat maakt de mogelijkheid van juridische waarheidsvinding een stuk kleiner.
Een ander probleem is van conjuncturele aard. Huidige generaties zijn niet meer in staat het gebeuren in te schatten. Dit is niet het proces van een individu, maar van een tijdperk.
De Tweede Wereldoorlog is al vaak veroordeeld, onder meer in de overvloedige en overigens terechte geschiedschrijving over het Vichy-tijdperk. De vraag die we zouden moeten stellen, is of Papon een misdadiger was in een misdadig tijdperk. Vandaag kan niemand die vraag nog beantwoorden. In de jaren zestig, toen het proces van Eichmann werd gehouden, kon dat nog wel. Er waren nog veel getuigen en Eichmann was een ander soort verdachte. Hij had een hoge functie.
Hoe meer tijd er verstreken is, hoe moeilijker het wordt om zulke tribunalen te houden. Dat bewijst het proces tegen Demjanjuk, de Oekraïener die werd herkend als de beul van Treblinka. Uiteindelijk bleek hij iemand anders te zijn. Dat moet ons tot nadenken stemmen over de moeilijkheid om processen te voeren over een tijdperk dat steeds verder van ons af staat. Ik vind dat justitie zich moet bezighouden met gerechtigheid; ze moet geen pedagogisch instrument worden of geschiedenislessen geven.’
KUNNEN DE NIEUWE media die in uw boek ter sprake komen, bijvoorbeeld het Internet, bijdragen tot meer menselijkheid?
'De nieuwe media kunnen de menselijkheid bevorderen, maar we moeten ons hoeden voor fetisjisme. De techniek heeft ons van de magie bevrijd, maar ondertussen is de techniek onze nieuwe magie geworden. De overtuiging dat het Web zal resulteren in een pacificatie van de menselijke verhoudingen, is een terugval in het meest absurde fetisjisme. Toch lijkt het me eerder belachelijk dan gevaarlijk.
Wel gevaarlijk acht ik het ontstaan van een elite die een ongelooflijke verachting aan de dag legt voor al diegenen die geen toegang tot de nieuwe media hebben. De kloof tussen die twee is groot. Bovendien is de elite niet geneigd die kloof te dichten, eerder om hem te vergroten. Degenen die vertrouwd zijn met de nieuwe media leven in een elitaire, kosmopolitische wereld. Degenen die er niets van weten, blijven nog als vanouds aan hun woonplaats gebonden.
De elite van het Web situeert zichzelf in de linkse hoek en beschouwt de rest als reactionair. Het feit dat hele sociale groepen zomaar aan hun lot worden overgelaten, is gevaarlijk. Ik zie dan ook weinig heil in het obsessieve antiracisme van tegenwoordig. Het berust volgens mij op een fundamenteel gebrek aan belangstelling voor de gewone man, in naam van een nieuwe wereld zonder grenzen. In plaats van het lijden van die onderklasse ernstig te nemen, dweept men met een abstracte voorstelling van de geïmmigreerde. Dat schept een politiek gevaar dat de nationalistische partijen kunnen uitbuiten. Als het volk door de elite in de steek wordt gelaten, is de vlucht in het nationalisme onvermijdelijk.’
Is het dan terecht dat men u een rechtse filosoof noemt?
'In Frankrijk vinden velen me rechts omdat ik me niet profileer als obsessioneel antiracist en omdat ik waarschuw voor de kloof tussen elite en massa. Dat is belachelijk. Ik geloof niet in de categorieën links en rechts. Ik ben er juist van overtuigd dat mijn filosofie waardevol is omdat ze zich aan dat onderscheid onttrekt.’