Onnodige voorzichtigheid

Verwey-Jonker Instituut: «Pardon, we hebben iets verzwegen»

«Sorry, ik ben te voorzichtig geweest. Dat had niet gemoeten.» Dr. Rally Rijkschroeff, directeur onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut, verontschuldigt zich vele malen voor zijn omissie tijdens het gesprek vorige week met De Groene Amsterdammer over het omstreden bronnenonderzoek Integratiebeleid. Hij stelde zich te terughoudend op, en dat kwam, zegt hij precies een week later, door alle commotie in de media: «Daar word je nerveus van. Te voorzichtig, uit angst dingen te zeggen die kunnen leiden tot nieuwe consternatie.»

Het instituut, dat onder vuur ligt wegens vermeende belangenverstrengeling van beleidsmakers en onderzoekers, lijkt een continuing story te worden. Wat is er aan de hand?

Tijdens het interview kreeg Rally Rijkschroeff de vraag voorgelegd waarom de bronnenstudie zich niet had gericht op die deel gebieden waarop de resultaten van integratiebeleid óók gemeten hadden kunnen worden. Zoals de mate van participatie aan algemene instellingen en het sociale verkeer buiten de eigen allochtone groep. Of de emancipatie van de allochtone vrouw en de hoeveelheid groepsoverlast voor de directe leefomgeving. Op deze deelterreinen doet het integratievraagstuk zich immers sterk voelen. Het antwoord luidde: «Dit viel allemaal niet onder ons vooronderzoek.» Op de vervolgvraag wie dit dan wel onderzoekt, was zijn hermetische antwoord: «Dat is een zaak van de tijdelijke commissie Integratiebeleid. Ik heb geen overzicht wie wat verder onderzoekt.»

Daarmee was de kous af. Het Verwey-Jonker Instituut had zich keurig aan de gestelde opdracht gehouden en iedere schijn van subjectiviteit leek te kunnen worden ontzenuwd. Wel maakte Rijkschroeff duidelijk dat de wetenschappers zich erg volgzaam hadden opgesteld en geen vragen opperden over mogelijke hiaten in het onderzoeksperspectief van de opdrachtgever, de onderzoekscommissie.

Het zou mooi zijn geweest als er een punt gezet had kunnen worden achter de discussie over de positie van het Verwey-Jonker Instituut. Al die aandacht leidt af van waar het werkelijk om draait: wat heeft het integratiebeleid van de overheid de afgelopen dertig jaar opgeleverd, en wat kunnen we daar, zonder continu te vervallen in een loopgravenoorlog, van leren?

Maar het interview kreeg een staartje. Want inderdaad vindt er momenteel vervolgonderzoek plaats naar enkele van de hierboven gemiste deelterreinen waarvan Rijkschroeff had aangegeven dat hij niet wist of en door wie het werd uitgevoerd. In middels is dit duidelijk. Hij en zijn team — inclusief dr. Jan-Willem Duyvendak als toegevoegd onderzoeker — zijn belast met vier vervolgstudies, en wel naar de emancipatie van allochtone vrouwen, de zelforganisaties, «doel en samenhang deel terrein onderwijs» en de zogeheten SPVA-cijfers (afkorting van survey Sociale Positie en Voorzieningengebruik Allochtonen) die arbeidsmarkt en inkomenspositie in kaart hebben gebracht.

Twee andere vervolgstudies — naar de rol van overheden in landen van herkomst en naar relevante buitenlandse ervaringen met onderwijs — zijn gegund aan het bureau QA+. Maar deze studies lijken minder belangrijk omdat ze geen directe betrekking hebben op het Nederlandse overheidsbeleid en dus mogelijk minder politiek gevoelig zijn. Het besluit hierover heeft de onderzoekscommissie genomen in mei naar aanleiding van een tussenrapportage over de eerste «positieve resultaten» van het bronnenonderzoek door het Verwey-Jonker Instituut.

Wat valt hierover te zeggen?

Te constateren is dat Rijkschroeff tijdens het interview op z’n minst buitengewoon onhandig heeft geopereerd. Niet door niks te zeggen (passief jokken), maar door op de herhaaldelijk gestelde vraag te blijven ontkennen dat hij iets afwist van de vervolgonderzoeken. Hij excuseert zich nu voor zijn «onnodige voorzichtigheid». Dat hij daarmee de schijnwerpers op zichzelf richt, vindt hij «heel jammer». Hij vindt het overigens geen probleem dat Duyvendak, die sinds kort niet meer als directeur werkt bij het Verwey-Jonker Instituut, bij het onderzoek deels betrokken blijft, want «hij heeft als geen ander de expertise in huis». En nee, nu verzwijgt hij echt niets meer, verzekert Rijkschroeff.

Is er dan toch sprake van een zelfonderzoek met een onvermijdelijk gewenst zelfbevestigend resultaat, zoals de veelgehoorde kritiek luidt? Rijkschroeff wordt bij het horen van deze vraag een beetje boos: «Er is juist géén politieke vooringenomenheid. We houden ons keurig aan de opdracht.» Want: ze willen niet sturend zijn, niet meewaaien met de tegenwind.