Marek van der Jagt: Gstaad 95-98

Verwoestende tocht

Marek van der Jagt

Gstaad 95-98

Uitg. De Geus, 316 blz., € 22,50

Van der Jagts nieuwe roman Gstaad 95-98 bevat vooral de eerste honderd bladzijden een ware stortvloed aan spreuken en gezegden die het verhaal begeleiden, accentueren, uitleggen en ook ondersneeuwen. Op pagina 12 en 13 vinden we bijvoorbeeld: «Voor sommigen is de naam een straf, voor anderen een genade.» «Geluk moet je afdwingen.» «Het verleden is een onuitputtelijk domein en toch lijkt het alsof het nooit werkelijk bestaan heeft.» «Haar ideologie was overleven, de enige ideologie die ik respecteer, de enige die je tenminste niet wijsmaakt dat je niet met lege handen zult achterblijven zolang je maar gehoorzaamt.» Dit soort algemeenheden omcirkelen dit verder in niets algemene verhaal over François Lepeltier die met zijn moeder een verwoestende tocht langs en door hotelkamers, stadjes en steden onderneemt. Het lijkt erop dat Van der Jagt zijn verhaal niet helemaal vertrouwde en er de bedoelingen bijgeleverd heeft.

Er is meer dat daarop wijst. Van der Jagt werkt in zijn roman met de veel beproefde stijlfiguur van de omkering. Cervantes’ Don Quichot is erop gebaseerd, Voltaire paste hem toe in Candide, Salinger in zijn hele oeuvre en ook Nabokov werkt bijvoorbeeld in Lolita met de figuur van de omgekeerde wereld. Dit is natuurlijk de motor van alle grote literatuur, maar Van der Jagt laat de motor af en toe te hard loeien, de omkering wordt ons erg vaak ingepeperd. Steeds probeert zijn hoofdpersonage er ons van te overtuigen dat er veel goedheid en schoonheid op de wereld is, terwijl je als lezer verrekte goed beseft dat hij ons een stortvloed aan verschrikkingen voorzet, verschrikkingen van grote schoonheid soms, maar toch: verschrikkingen. En na de tiende of twintigste oproep toch overal de schoonheid van in te zien, werkte het bij mij niet meer. Ik kreeg hetzelfde gevoel dat ik ooit had bij mijn eerste bezoek aan het spookhuis op de kermis. Het eerste spook, ja, dat was schrikken, ik gilde het uit, bij het tweede viel het ook nog niet mee, maar bij het tiende was een geeuw nauwelijks meer te onderdrukken: ach kijk, ja hoor, een spook met drie koppen.

Waarom deze nadrukkelijke uitleggerigheid? In dit meer dan eens krankzinnig tedere boek? Waarom alles bedekt onder bijgeleverde verklaringen? Ik hoef dit natuurlijk allemaal niet te weten, maar zeker is dat Van der Jagts bezorgdheid goed te worden begrepen, die zich vertaalt in explicitering van de bedoelingen, hoort bij zijn schrijvende hand, en bij die van Grunberg natuurlijk. Zie al het vorige werk. Maar waarom niet alleen het verhaal verteld? Dit prachtige verhaal van een moederbinding? Met scènes die je nooit meer vergeet. Neem bijvoorbeeld die over het echtpaar Ceccherelli. Grunberg laat hier zien dat hij doodgewoon een prachtige schrijver is die op geen enkele manier de socioloog, betweter of maatschappijhervormer uithangt; hij zoekt het dus niet in algemeenheden, maar in gedetailleerde wanhoop, in precisie en adembenemende humor. Literatuur schrijven, daar gaat het om en daar hoor je niks bij uit te leggen en dat doet hij hier dus ook niet. Hij neemt ons mee naar binnen, naar wat er te zien is en hoe het is, hoe mensen illusies in stand houden en hoe ze die van elkaar vernietigen. En hoe ze sterven. De schoonheid van het verschrikkelijke beschrijven, en het omgekeerde, het verschrikkelijke van de schoonheid, liefst gelijktijdig, dat levert grote literatuur op, en Grunberg laat verschillende keren in dit boek zien hoe goed hij daarin is. De dood van Mevrouw Ceccherelli: zo te kunnen schrijven! Of neem de geschiedenis van de kleine François, die deelname aan de wereld probeert af te dwingen door zijn anus open te knippen. Ik heb er heel stil bij zitten lezen, prachtig en verschrikkelijk tegelijk, zo mooi als literatuur moet zijn, ook omdat hier de uitleg ontbreekt. Of de scènes waarin de hoofdfiguur zijn anale fixatie uitleeft op oudere dames in een hotel in Gstaad. Alle elementen uit de roman komen hier samen: de moeder obsessie, de herhalingsdwang en de dubbelzinnige onderwerping aan de dood. «Waar ik ben is het riool niet ver weg.»

We hoeven gelukkig niet meer moeilijk te doen of Grunberg Van der Jagt is; vermoeiend was dat allemaal wel. Je moest blind zijn om niet te zien dat dit identiek werk is: de stijl, de woordkeus, de zinsbouw, de problematiek, de humor, de zwarte romantiek. Tot en met die raadselachtige explicitering van de bedoelingen die het werk begeleidt. Grunberg heeft blijkbaar mystificaties nodig, ook als ze zeer doorzichtig zijn, ze zullen zijn werk blijven begeleiden, daar durf ik heel wat onder te verwedden. Het heeft iets te maken met de paradoxale inzet van zijn schrijverschap. Aan de ene kant volgt hij in zijn werk hardnekkig de weg van het zwijgen, de omweg, de onbenoeming van het verschrikkelijke, hij laat het zien en fluistert eromheen, zoals dat hoort in de traditie van de zwarte romantiek waarbinnen hij een belangrijke plaats inneemt. Aan de andere kant is er de niet te stoppen behoefte zichzelf zo open mogelijk te maken. Binnen deze tegenstelling bloeit zijn schrijverschap.