Verwondering

Christopher Nolans film Interstellar problematiseert de oude vraag over de geloofwaardigheid van sciencefiction: is het mogelijk dit genre serieus te nemen, in de cinematografie, maar ook in de literatuur?

De vraag is relevant in het kader van deze bespreking, die evenwel geen bespreking zal zijn. De reden: ik zag Interstellar samen met andere journalisten in een zaaltje met een scherm dat relatief gesproken net iets groter is dan mijn plasmatelevisie. Wat betekende dat ik de film niet echt heb gezien, in ieder geval niet volgens Nolans bedoeling. Namelijk: op het grootst mogelijke Imax-scherm, het liefst geprojecteerd door een 70mm Imax-projector, dus niet digitaal. Anders dan in Londen en Parijs zijn deze condities bij ons niet haalbaar, heb ik mij laten vertellen. Wel hebben we een Imax-bioscoop in Amsterdam: na mijn bezoek komend weekend meer Interstellar op de website van De Groene.

Voor nu, de kwestie sciencefiction. Interstellar vertelt een verhaal dat onder de noemer hard sciencefiction valt, wat betekent dat het uitgangspunt geloofwaardig is terwijl de afwikkeling dat juist niet is. De film begint met het idee van de aarde die op sterven na dood is. Binnen enkele generaties zal er niets meer te eten zijn en zullen de mensen langzaam stikken wegens gebrek aan zuurstof. Als de laatste overblijvende wetenschappers van Nasa een wormgat ontdekken, ontstaat er een plan voor een reis naar een ander sterrenstelsel om een planeet te vinden waar de mensheid zou kunnen voortbestaan. Ex-astronaut Cooper (Matthew McConaughey), die na de dood van zijn echtgenote met zijn twee kinderen op een boerderij woont, komt voor een dilemma te staan: laat hij zijn kinderen op aarde achter om deel te nemen aan de missie? Dat zou betekenen dat hij hen nooit weer zal zien. Of gaat hij mee, waardoor zij in ieder geval de mogelijkheid van een toekomst krijgen?

Dit gegeven is eerder behandeld, in een van Isaac Asimovs laatste romans, Nemesis, waarin aardbewoners een soortgelijke ruimtereis om dezelfde redenen ondernemen. Het probleem in dit soort verhalen is dat personages, het menselijke, ondergeschikt blijven aan de wetenschappelijke ontwikkelingen. Het narratief hapert daardoor. Vooral dat laatste is aan de orde in Interstellar. Op een gegeven moment is er bijvoorbeeld sprake van het ontdekken van buitenaards leven, een plot point waaraan verder géén aandacht wordt besteed. Pas laat in het verhaal blijkt waarom, maar dan is het kwaad al geschied: de vertelling is te geconstrueerd.

Toch kan het anders. In zijn bespreking van de nieuwe roman van Michel Faber, getiteld The Book of Strange New Things, schrijft de recensent van The New York Times een paar dagen geleden dat het boek dit soort literatuur ‘nieuw aanzien’ kan geven. Faber laat namelijk zien dat er naast de ‘literatuur van authenticiteit’ ook de ‘literatuur van de verwondering’ bestaat. Deze boeken nodigen de lezer uit deel te nemen aan het ‘niet-echte’ om te ontwaken uit de ‘droom van de realiteit’, aldus het stuk, zodat het onverklaarbare en het vergankelijke aan het leven op aarde duidelijk worden. Speculative fiction van het soort dat Faber en ook bijvoorbeeld Margaret Atwood schrijft, is dus iets anders dan de ‘sciencefiction’ van Isaac Asimov of Arthur C. Clarke. Interstellar maakt de dichotomie nog complexer. Misschien ligt het geheim van ‘literaire sciencefiction’ in het geval van film dan toch in het beeld zelf, in het gevoel van verwondering veroorzaakt door die overdonderende kijkervaring. Kan dát dan ‘literair’ zijn?


Vanaf 6 november te zien

Beeld: Interstellar (Warner Bros. Pictures)