Verwoord

Het is zo’n dag waarop je denkt dat de lente begonnen is. Een blauwe hemel, bomen vol zingende vogels en overal frisgroen blad. Mijn zoon en ik wandelen van school naar huis. We nemen de lange route, door het oude gedeelte van de wijk, waar de mooie huizen staan. Mijn zoon vertelt enthousiast over Sebastiaan, een jongetje uit zijn klas. Die is al zes en heeft een echte telefoon. ‘Een echte’, zegt hij verlangend. ‘Hij kan écht zijn mama bellen!’ Ik wil hem vragen waarover Sebastiaan zijn moeder dan belt, maar hij draait zich plotseling om en loopt een stukje terug. Dan gaat hij op zijn hurken zitten en kijkt naar de stoep. Aan de manier waarop zijn mond beweegt kan ik zien dat hij iets leest. ‘Verwoord’, zegt hij dan. ‘Wat is verwoord?’ Ik loop naar hem toe. Op de tegels zijn twee kleine, koperen plaatjes bevestigd. Er staan namen op. Een mannennaam en een vrouwennaam. Het gaat om een echtpaar dat hier ooit woonde, begrijp ik. Onder beide namen staat ‘vermoord in Sobibor’. Ik kijk naar het huis, dat er niet anders uitziet dan de andere huizen in de straat. Er hangen keurige gordijnen en er staat een vaas met bloemen voor het raam. Een kinderfietsje leunt tegen het tuinhek. Zijn die plaatjes recent aangebracht of heb ik nooit goed gekeken? ‘Wat is verwoord?’ vraagt mijn zoon weer. Hij glijdt met zijn wijsvinger over het reliëf van de letters. ‘Er staat vermoord’, zeg ik. ‘Moord. Met de m van…’ Ik zoek even naar een passend woord. ‘Makkelijk!’ roept mijn zoon. ‘De m van makkelijk.’ Ik knik. ‘Is er iemand doodgemaakt?’ vraagt hij. ‘Ja’, zeg ik. ‘Lang geleden.’ Terwijl we verder lopen probeer ik het uit te leggen. Ik zoek naar een versie van de oorlog die geschikt is voor een vijfjarige. Het gaat moeizaam. Toch lijkt hij zich een beeld te vormen. ‘Ze konden zeker niemand bellen om te helpen hè?’ vraagt hij. Ik schud mijn hoofd. ‘Zelfs niet hun mama?’ Zelfs die niet. Hij zucht. We vinden het, om verschillende redenen waarschijnlijk, een droevig verhaal.