Verzamelde restaurantrecensies

‘Ik zou stand-up comedian moeten worden om de mensen over de dood te vertellen’, zei de dame. Ze praatte hard, ze overstemde zelfs de pianist.
‘Ja’, zei ik, ‘een goed idee.’

Het was Valentijnsdag. De restaurants in New York zaten vol met stelletjes. Iedereen die verliefd was, of de herinnering aan een verliefdheid van jaren geleden op een laag pitje wilde houden, moest en zou vanavond uit eten. Ik had mijn toevlucht genomen tot de bar van het Carlyle Hotel. Eerlijksheidshalve moet ik zeggen dat ik ook wel eens mijn toevlucht neem tot deze bar als het geen Valentijnsdag is.
De dame had een grote bril met rood montuur die ze op en af zette.
‘Ik weet er veel van’, zei ze.
Onduidelijk was of ze stand-up comedians bedoelde of de dood.
'Ja’, zei ik, en nam nog wat chips.
Chips en nootjes zijn een behoorlijk alternatief voor avondeten, al waren de chips deze avond uitgedroogd en smaakten de nootjes alsof ze twee jaar onder het stof hadden gezeten.
'Jouw gezicht’, zei de dame, en zette haar bril voor de zoveelste keer op, 'jouw gezicht komt me bekend voor, maar dat zul je wel vaker gehoord hebben.’
Ik ben Sidney Brochstein, restaurantrecensent. De mensen die weten wie ik geweest ben heb ik uit mijn leven verwijderd. Verwijderd, dat is eigenlijk te actief. Ze zijn geleidelijk uit mijn leven verdwenen. Veel hoef je er niet voor te doen. Telefoontjes onbeantwoord laten, ook niet op brieven en faxen reageren, verjaardagen ongemerkt voorbij laten gaan, en sneller dan je denkt verdwijnen de mensen om nooit meer terug te keren.
'Op wie lijk jij?’ vroeg de dame.
'Op mijzelf’, zei ik.
De bar was praktisch leeg. Iedereen vierde in restaurants de verliefdheid alsof het een nieuw soort religie was. Ook zij die al jarenlang niets meer tegen elkaar te zeggen hadden.
Ik doe de restaurants tot 25 dollar voor een driegangenmenu, exclusief drank, cafetaria’s doe ik ook en als er wat ruimte over is op de culinaire pagina’s word ik naar een wijnproeverij gestuurd. In november was ik een week in Istanboel, maar dat is uitzonderlijk.
'Nee, jij lijkt niet op jezelf.’
Ze had lange witte haren en een grote neus met poriën die wijd open stonden, alsof haar neus dringend lucht nodig had.
Onderzoek heeft uitgewezen dat mensen steeds meer over voedsel willen lezen. Dus ik zit de komende jaren wel goed.
Ze doen voortdurend onderzoek naar wat de mensen willen lezen. Bij de krant. Maar uit alle onderzoeken blijkt dat de mensen het zelf ook niet meer weten. Wel wordt de culinaire bijlage steeds dikker.
Ik deed eigenlijk stadsnieuws, maar de vorige restaurantrecensent had zich doodgedronken en toen vroeg de hoofdredacteur: 'Is dat niet wat voor jou, restaurantrecensent. Jij houdt toch zo van lekker eten?’
'Ja’, zei ik, 'ik houd van lekker eten.’
Zo ben ik restaurantrecensent geworden.
Een echtpaar had plaatsgenomen aan de bar. De man droeg een kostuum dat hem iets te klein was geworden.
'Nou daar zitten we dan’, zei hij, 'midden in de nacht. Zonder Bob.’
Ik was gevreesd. Vroeger. Je zou het niet zeggen als je me die avond had gezien daar in de bar van het Carlyle, maar het is een feit. Mensen spraken vol ontzag over me. Niet zoals ze nu over me spreken, gesteld dat ze überhaupt nog over me spreken. Soms krijg ik de indruk dat mijn eigen hoofdredacteur niet eens meer weet dat ik besta. Dat hij denkt dat de restaurantrecensies tot 25 dollar geschreven zijn door een geest of door een computer.
'Heb jij niet vroeger boeken geschreven?’ vroeg een meisje dat ze hadden aangenomen om over onderwijs te schrijven. We stonden samen in de lift.
Toen de hoofdredacteur haar eerste stukken had gelezen zei hij tegen haar: 'Sommige baby’s worden lelijk geboren maar knappen na verloop van tijd nog wel op.’ Ik ben blij dat mijn eigen ambities in de categorie jeugdzonde vallen.
Maar toen ik met dat meisje in de lift stond en ik mij wanhopig afvroeg hoe ze nog alweer heette, viel het woord 'jeugdzonde’ mij opeens zwaar. Alsof het de lading niet dekte. Of misschien juist wel te goed. Daarom zei ik iets aardigs over haar stukjes, zonder ze ooit gelezen te hebben.
'Ik ben hier nu twee maanden en jij bent de eerste die iets leuks tegen me zegt’, zei ze.
Ik vluchtte de lift uit, bang voor nog meer ontboezemingen. Vroeger leefde ik van andermans ontboezemingen, tegenwoordig probeer ik ze te vermijden.
Ik was meer dan gevreesd. Ik werd de opvolger van Saul Bellow genoemd. Zelf heb ik Saul Bellow altijd een oude zeur gevonden die proza schreef voor andere oude zeuren, maar we hebben het wel over een Nobelprijswinnaar, dus voor mijn familie was het leuk. Ik had toen nog familie. Of beter gezegd, ik had toen nog familie die met me wilde spreken.
'Ik zou stand-up comedian moeten worden om de mensen over de dood te vertellen’, zei de dame tegen het echtpaar. Maar het echtpaar reageerde niet. Alleen de man zuchtte heel even toen het woord 'dood’ viel, alsof het een familielid was dat hij hoopte vanavond niet tegen te komen.
Ik heb, wat men noemt, een uitzonderlijke carrière achter de rug. In vijf jaar tijd klom ik op van medewerker bij een transportbedrijf tot opvolger van Saul Bellow, en in iets minder dan achttien maanden klauterde ik weer naar beneden, en veranderde van opvolger van Saul Bellow in restaurantrecensent van restaurants en cafetaria’s tot 25 dollar.
'Nu moet je me toch echt zeggen op wie je lijkt’, zei de dame, 'mijn geheugen werkt niet meer zo goed.’
Het transportbedrijf waar ik werkte heette Josef, voor al uw verzendingen.
Josef is mijn vader. Zijn werk is zijn leven en omgekeerd. Voor hem is de hele wereld één groot transportbedrijf en in de loop der jaren is hij mensen ook steeds meer gaan zien als pakjes die verzonden moeten worden. Of als pakjes die om onverklaarbare redenen onbestelbaar bleken te zijn. Zoals mijn moeder. (Zo begon ook mijn eerste roman: 'Mijn vader beschouwde mijn moeder als een onbestelbaar pakje dat hij in huis tolereerde, omdat hij niet van rompslomp hield.’ Maar dit terzijde. Geen literatuur. Nooit meer literatuur. Ik verdien mijn geld met het afscheiden van routineus proza en dat is een keuze waarover lang is nagedacht. De desserts vielen wat tegen, al moet ik misschien een uitzondering maken voor de zelfgemaakte abrikozentaart, geserveerd met slagroom en vanilleijs. Ik heb tienduizenden van dit soort zinnen getypt en ik zal er nog tienduizenden typen, ik kan ze slapend typen.)
Toen hij in de krant las dat ik met Bellow werd vergeleken, informeerde mijn vader bij de buren wie die Bellow nu eigenlijk was. Daarna zei hij tegen me: 'Dus je wordt met Bellow vergeleken, dan moet je maar eens nieuwe schoenen kopen.’
'Ik wil niet meer bewonderd worden, of gemist, of bemind’, zei de dame, 'ik wil begeerd worden. Als mensen je missen, begeren ze je al niet meer, wist je dat? Ja daar moet je maar eens over nadenken.’
Ik keek haar aan. De pianist speelde steeds zachter.
In korte tijd schreef ik drie boeken, ontving twee prijzen, en kwam voor op verschillende bestsellerlijsten. Sidney Brochstein werd een begrip. In bepaalde kringen natuurlijk en voor wat begrippen in die kringen waard zijn.
Ik nam een ander brilmontuur, ging groter wonen, en scheidde van mijn vrouw. Dat laatste was een formaliteit, want we leefden allang gescheiden.
Ik kreeg brieven als: 'Uw boek Altijd moe heeft me aangegrepen.’ Hoe meer mensen aangegrepen waren, hoe minder ze ervan begrepen, merkte ik. Soms kreeg ik zelfs brieven over boeken die ik niet geschreven had.
Het was zo rustig deze Valentijnsavond dat zelfs de barkeeper was verdwenen. De dame klapte nu al twee minuten tevergeefs in haar handen, omdat ze nog een Long Island Ice Tea wilde.
Ik raakte verwikkeld in verscheidene correspondenties, ontmoette mensen die besloten hadden mij interessant te vinden, en ik deed mijn uiterste best interessant te zijn, op zijn minst interessant te lijken.
'Ken ik je misschien van een film?’ vroeg de dame.
'Nee’, zei ik, 'ik heb nooit in films gespeeld.’
Mijn ouders begonnen zich voor literatuur te interesseren. Ze kochten zelfs boeken van Saul Bellow die ze nooit lazen, maar wel door het huis lieten slingeren als er gasten waren. Met mijn eigen boeken deden ze hetzelfde.
Ik dacht, als ik dit allemaal kan bereiken met drie boeken waarvan ik zelf wel het bedrog inzag, maar ik was een van de weinigen, wat is de volgende stap? Waar houdt het op?
Het was niet dat ik ontevreden was over mijn inkomsten of mijn reputatie, maar op een ochtend werd ik wakker en ik zei tegen mezelf: 'Ik word de nieuwe Stephen King.’
Het was geen hebzucht, noch verveling. Hoewel ik me meer dan eens op de krant zit te vervelen en ook de hebzucht mij nog wel eens overvalt op regenachtige dagen. Vooral ’s middags na de lunch. Het meisje dat over onderwijs schrijft komt na die ontmoeting in de lift geregeld even langs mijn bureau. 'Hoe vond je mijn stuk van gisteren?’ vraagt ze dan.
'Uitstekend’, zeg ik, 'hoeveel jij weet te zeggen met weinig woorden.’
Vervelend alleen dat ik haar naam steeds weer vergeet. Ik heb hem al drie keer op een briefje geschreven, maar ik raak die briefjes steeds kwijt.
'Die wil met je naar bed’, zei een freelancer die een groot stuk over druiven had geschreven. Een nieuw soort druiven. Anderhalve pagina in de culinaire bijlage. De mensen willen dat lezen, heeft onderzoek uitgewezen.
'Nee’, zei ik, 'die wil horen dat ze veel zegt met weinig woorden.’
Ik heb mijn vingers gebrand, ik brand ze niet nog een keer.
De freelancer die over druiven had geschreven kwam vlak voor me staan. 'Gaan wij nog wat drinken?’ vroeg hij.
Ik kon hem ruiken. Dat is eigenlijk het enige wat ik nog vraag. Dat ik mijn collega’s niet hoef te ruiken. Dat ik ze hoor en dat ik ze zie, daaraan ben ik nu gewend geraakt. Maar ik wil ze niet ruiken.
'Een belangrijke afspraak’, mompelde ik.
Tijdens de vergadering die vrijdag, een van de vele onontkoombare formaliteiten in mijn leven, deed ik voor het eerst in een jaar mijn mond open. 'Ik stel voor’, zei ik, 'voorlopig niets meer over druiven te publiceren. Die druivenspecialist die jullie hebben ingehuurd die deugt niet. Hij mag dan veel van druiven weten, maar hij kan er niet over schrijven.’
Iedereen keek verbaasd mijn kant uit. Sidney Brochstein zei iets. Een wereldwonder. Ik had meteen spijt en verdiepte mij weer in de tekeningen op mijn kladblok.
'Daar zitten we dan, midden in de nacht, zonder Bob’, zei de man in het te kleine pak. Een glas viel om. Maar niemand deed iets.
'Het is avond’, zei zijn vrouw. Maar ook zij raapte het glas niet op. Rode wijn liep van de bar op de broek van de man. Niemand nam er aanstoot aan, de man zelf ook niet. Misschien had hij gelijk, misschien is een beetje rode wijn op je broek ook niet echt iets om voor in beweging te komen.
Al een paar keer had ik luidkeels verkondigd dat Bellow een oude zeur was die proza schreef voor andere oude zeuren, dus dat maakte de overstap van literatuur naar thrillers nog makkelijker. Je hoeft de mensen maar tien minuten te bestuderen om voor altijd te weten hoe je je onmogelijk moet maken.
Ik had zelfs al een contract getekend voor een thriller. Bij een pulpuitgeverij. Het horrorgenre lonkte als de Lorelei.
De uitgever was een vlotte meneer die uitsluitend cola-light dronk en een paar keer zei: 'Sidney Brochstein, dat wij elkaar ontmoet hebben is het begin van iets heel groots.’ Hij wilde mijn manager worden. Hij vroeg: 'Heb je wel eens nagedacht over carrièreplanning?’
'Nee’, zei ik, 'daar heb ik nog nooit over nagedacht.’
'Precies’, zei de uitgever triomfantelijk, 'en daar gaan wij vanaf nu samen over nadenken. Jij hebt geen agent meer nodig. Jij hebt mij.’
'Een baseballspeler misschien?’ vroeg de dame.
Ik schudde mijn hoofd.
Ze wees op mijn handen.
'Gaat het wel goed?’
'Oh’, zei ik, 'die trillen altijd.’
Al vanaf de tijd dat ik vermoedde dat mijn ouders mij wilden vergiftigen had moord mijn interesse. Om preciezer te zijn, moord die geen sporen zou achterlaten, moord waarvoor niet eens een moordwapen nodig was. Vele moordenaars, en vele mensen die nog nooit gemoord hebben en dat ook nooit zullen doen, delen deze fascinatie met mij. Het is eigenlijk net zo gewoon als postzegels verzamelen.
Tientallen hoofdstukken uit mijn literaire werk gaan ook over niets anders dan de fantasieën van een elfjarige die in de veronderstelling verkeert dat zijn ouders hem proberen te vergiftigen. Met koekjes, biefstukjes, zelf ingelegde komkommers, uitgeperste citroensap. En over zijn fantasieën om zijn ouders, zijn zus en zijn twee broers daarom maar eerst te vergiftigen.
'Sidney Brochsteins universum laat zich nog het beste vergelijken met een kafkaëske nachtmerrie’, heb ik moeten lezen naar aanleiding van die hoofdstukken. Ik dacht, jullie willen een kafkaëske nachtmerrie. Jullie kunnen er een krijgen. En wat voor een, eentje die ervoor zal zorgen dat jullie je in de toekomst wel drie keer bedenken voor jullie weer beginnen over kafkaëske nachtmerries.
Ik vroeg me af hoe ver de macht van taal reikte, of beter gezegd hoe ver de macht van mijn taal reikte.
Kun je met brieven iemand vermoorden, kunnen woorden een moordwapen zijn? Kan dat?
Het antwoord is: ja het is mogelijk. Het is zelfs heel eenvoudig.
De grens tussen passie en obsessie is moeilijk te trekken. Er bestaan tussen die twee tenslotte nogal wat overeenkomsten.
De brief als moordwapen begon bij mij als passie en eindigde als obsessie.
'Nu weet ik het’, zei de dame, 'een talkshow op televisie. Presentator.’
Uit alle brieven die ik kreeg koos ik die van Anna. Of beter gezegd, zij koos mij. Al vanaf de eerste brief die ze me schreef leek ze geobsedeerd. Ik ontving er soms drie op een dag, later liep dat op tot acht.
Haar brieven hadden wat sommige recensenten zouden noemen: 'een intrigerende kwaliteit’. Natuurlijk, iedereen wordt vroeg of laat saai, de meeste mensen vroeg, maar haar brieven verveelden me nooit. In het begin adviseerde ik haar die brieven om te werken tot korte verhalen, maar nadat ik in de gaten kreeg dat zij bijzonder geschikt was om mee te doen aan mijn klein taalkundig experiment, ben ik natuurlijk niet meer op dat advies teruggekomen.
Ze was intelligent en labiel, precies de combinatie die ik zocht.
In Italië had ze een cursus pottenbakken gevolgd. Verder had ze Russisch gestudeerd. Toergenjev was haar grote liefde.
Haar ouders waren rijk en onverschillig en stelden beleefd zwijgen in elke denkbare situatie boven schreeuwen en ruzie. Het omgekeerde van mijn ouders, die in elke denkbare situatie schreeuwen boven beleefd zwijgen stelden. Zelfs op begrafenissen schreeuwden ze.
Ik begon Anna net zo geobsedeerd te schrijven als zij mij. Na een kleine veertig brieven ontmoetten wij elkaar voor een weekje in Florida. Geheel op mijn kosten naturlijk. De macht van taal reikt nog veel verder als zij gelardeerd is met kortstondige fysieke intimiteit. Met de nadruk op kortstondig.
'Een schrijver misschien?’ vroeg de dame, ze bood me een sigaret aan.
Ik schudde mijn hoofd. Het was onduidelijk op welke vraag ik antwoord gaf en dat moest maar zo blijven.
Anna was iemand die onderdook in levens van anderen. Haar eigen leven was een onbewoonbaar huis, in ieder geval een onbetrouwbaar onderduikadres.
Halve brieven van haar schreef ik over en publiceerde ik onder mijn eigen naam. Ze scheen het niet erg te vinden, integendeel, ze leek zich vereerd te voelen.
Het werk aan mijn thriller vorderde. Ik voelde me als een marathonloper die de finish ruikt. Ik dacht dat ik pas als schrijver serieus te nemen was als mijn woorden konden doden.
Kennissen vroegen wel eens: 'Ga je niet wat te ver?’ Of: 'Wat vindt zij hier nou allemaal van?’
Dergelijke vragen wimpelde ik weg. 'Het is spel’, zei ik, 'de betrokkenen kennen de regels.’
Of: 'Het is een taalkundig experiment.’
Want dat klinkt nog beter.
Een vriend schreef: 'Elk glas wijn dat jij aanbiedt is een gifbeker.’ Ik liet de brief onbeantwoord.
Ik loog op de gruwelijkste manier waarop je kan liegen: ik blufte met de waarheid. Tegen Anna zei ik: 'Ik ben de pers en jij de citroen, ik pers nog even door, want er zit nog wat sap in de citroen.’
Ze lachte, dacht dat ze te maken had met een van mijn vele grapjes.
Een keer schreef Anna me: 'Fictie bestaat bij jou helemaal niet. Op zijn best is het gecamoufleerde werkelijkheid.’
Ik dacht, dat is een goede zin, die moet ik gebruiken.
Het aantal brieven dat ze mij per dag schreef nam toe, het aantal brieven dat ik schreef nam af. Ik reduceerde mijn aandacht, zoals je het geluid van de radio langzaam zachter zet. Om het ten slotte helemaal uit te draaien.
Het werk aan mijn thriller vorderde.
Ik was een blij mens.
'Ben je misschien een komiek?’ vroeg de dame, 'net als ik?’
De dag ervoor had Anna samen met haar vader nog een lamp gekocht.
Niemand had iets aan haar gemerkt. Niemand heeft ooit iets aan haar gemerkt, dus waarom zouden ze uitgerekend die dag wel iets aan haar gemerkt moeten hebben?
Mijn brieven zijn natuurlijk gevonden.
Ze zijn nog bij me langs geweest, maar juridisch konden ze me niets maken. Juridisch.
Ik heb nooit meer iets gepubliceerd. Ja, restaurantrecensies, stukken over wijnproeverijen. Routineus proza waaraan niemand zijn vingers kan branden. Ik zal wel tot het eind van mijn leven bezig zijn het voorschot terug te betalen dat ik voor mijn thriller heb gekregen, maar dat is het minste. Dat is echt het minste.
Haar zuster is nog bij me langs geweest. Ze wilde uitleg. Dat zou het allemaal makkelijker maken. Maar er viel niets uit te leggen.
Wat kon ik uitleggen?
Elk woord zou een leugen zijn. Ook mijn zwijgen was een leugen, maar het was een leugen die te prefereren was boven alle andere leugens die zoveel lawaai zouden veroorzaken. Zelfs mijn restaurantrecensies zijn leugens. Er staat niet wat er moet staan, en wat er moet staan zal er nooit staan.
'Neem de brieven van Anna mee’, zei ik. Dat was het minste wat ik kon aanbieden. Dacht ik.
Maar ze wilde ze niet hebben. 'Houd maar’, zei ze.
Bij het afscheid vroeg ze nog een keer: 'Waarom?’
Alsof ik me bedacht zou hebben, plotseling de uitleg zou kunnen geven waarnaar ze zo verlangd had.
Ik schudde mijn hoofd, lachte schaapachtig, begon aan een zin over dat wie woorden als moordwapen gebruikt de taal voor altijd verlaat, maar maakte de zin niet af. Het was me allemaal veel te banaal.
'Nog wat gin?’ vroeg ik.
Het ergste vond ik dat ze niet boos was.
Ik schrijf al mijn restaurantrecensies terwijl ik luister naar Perfect Day van Lou Reed. Ik ben nog altijd een beetje monomaan.
Ze hebben nog wel geprobeerd mijn verzamelde restaurantrecensies uit te geven, maar dat werd een flop. Wie wil verzamelde restaurantrecensies lezen?
Een vriend schreef: 'Het ergste is nu wel voorbij.’
Maar het ergste moet nog komen. Het ergste komt nog. Elke dag opnieuw.
Ik kwam op een avond thuis van de bioscoop, het was een warme herfstdag geweest, en opeens wist ik hoe ik mijn laatste brief moest schrijven. Zoals je opeens kan weten hoe je roman moet eindigen. Welke zinnen je nog nodig hebt en welke niet meer.
Het was een korte brief. Er hoefde niets bij en er kon niets af. Ik heb hem diezelfde avond nog gepost.
'Lieve Anna’, schreef ik. 'Ik hoop je nooit meer in levenden lijve tegen te komen, maar in mijn herinneringen ben je welkom.’