Verzen

Herman Gorters Verzen zijn opnieuw bezorgd, met een lyrisch nawoord van Kees ‘t Hart. Het is opvallend hoe modern en toegankelijk deze gedichten uit 1890 zijn. 'Hè ik wou jij was de lucht/ dat ik je ademen kon/ en je zien in het hooge licht/ en door je gaan kon.’ Het is krachtig eenvoudige taal, die na 120 jaar nog even fris overkomt: ‘dat rondom dauwig gevoel/ mijn hoofd is zo lekker koel’. En er is iets raars met het rijm aan de hand, dat nooit helemaal sluitend is en het werk licht houdt. Het heeft een aanstekelijke onhandigheid, dat rijm. ‘En je neus en je mond en je haar/ en je oogen en je hals waar/ je kraagje zit en je oor/ met je haar ervoor’. Het is poëzie om vrolijk van te worden - en dat doet Kees ‘t Hart dan ook in zijn nawoord.

Verzen publiceerde Herman Gorter pal na zijn driedelige epische gedicht Mei. Ook daarin viel het rijm op: Willem Wilmink telde in zijn inleiding een halfrijm, daarna een rijm door gewoon hetzelfde woord te herhalen (het zgn. rime riche), het oogrijm, dat wel leesbaar maar niet hoorbaar rijmt (spel-drempel), een gedempt rijm dat niet valt op de lettergreep die beklemtoond wordt en vervolgens een hoofdaccent dat rijmt op een bij-accent (mijmering-ding). Het is een ingewikkelde omschrijving van iets dat heel erg simpel oogt: gevoelige, gewaagde gedichten geschreven in een wat onbeholpen en bijna naïeve taal. Ook Leopold, leerling van Gorter, zou later opvallende en brekende rijmen schrijven, maar zijn werk is constanter en net anders van toon.

Het is niet ongebruikelijk om de moderne poëzie bij Herman Gorter te laten beginnen. Hij schrijft veel minder omfloerst dan de Tachtigers die hem in De Nieuwe Gids laten debuteren. ‘Zie je ik wou graag zijn/ jou, maar het kan niet zijn,/ het licht is om je, je bent/ nu toch wat je eenmaal bent.’ Het liegt er niet om en is in zijn eenvoud nog steeds onthutsend. Verzen is een mooie kennismaking met Gorters werk: anders dan het epische gedicht Pan of de hele Mei zijn de gedichten kordaat en overzichtelijk.

Hij speelde graag cricket, Gorter. Dat is een gegeven waar ‘t Hart in zijn nawoord vrolijke passages aan wijdt, de sportman met zijn bebopkop die niet in de verste verte op een dichter leek en waar de dandy Kloos zich aanvankelijk rot van schrok. Gorters voornaamste bron van invloed was de vroeg-negentiende-eeuwse dichter Shelley. 'Voor ik schrijf, wacht ik tot het klinkt in mijn ooren, en als ik ophou is het omdat mijn ooren òp zijn’, was het credo van Gorter. Het noopt Kees ‘t Hart opnieuw tot euforie: 'Prachtig, voor ik schrijf wacht ik! Credo van dichterschap: wachten wachten wachten.’

Dat komt me bekend voor. Ook Henk van der Waal komt tot de definitie ‘dichten is wachten’, op basis van een uitspraak van Hans Faverey, die in een interview ongedurig uitlegde dat je gewoon een velletje in de tikmachine moest draaien en wachten tot het kwam. ‘Dat kan wel even duren’, klinkt het dan olijk. Het is duidelijk waarom ‘t Hart het in zijn nawoord aanhaalt. Poëzie is geen maakwerk, geen leerboeken, geen logica, geen Homerus lezen en dan aan de slag gaan. 'Geen causaliteit’, schrijft Kees ‘t Hart en daarmee kun je het alleen maar eens zijn. Maar is wachten wel het hele eieren eten? Je kunt zoals het bekende spreekwoord luidt wachten tot je een ons weegt, maar is poëzie ook niet juist durven, jezelf verrassen, onverwachte dingen maken? Ja, inderdaad, met het nodige geduld tot het juiste moment daar is. Maar niet alleen wachtend. Ook ijsberend, op de tafel trommelend, aanvallend.

Voor Gorter was een bundel maken een uitputtingsslag. De zintuiglijkheid eiste zijn tol. Het was een sportprestatie. Opvallend zijn de kenteringsmomenten in zijn biografie en zijn schrijven, zijn dichterschap, waar de promovendus Johan Sonnenschein onderzoek naar doet. De overtuiging waarmee Gorter zich eerst tot Spinoza bekeert, vervolgens tot het socialisme. Feitelijk was het een man van paradoxen, niet van eenvoudige komaf maar wel in armoede opgegroeid. Oprichter van de CPN en later na de revolutie van 1917 in Rusland lachend weggezet als 'een wijsgeer - en dan ook nog eens een dichter’.

Tijdens Poetry International, dat dit jaar opvallend genoeg over proza zal gaan, komt er een programma rond Herman Gorter, georganiseerd door Sonnenschein. Eerder schreef hij voor het tijdschrift Nieuw Zuid opvallend helder en feitelijk over poëzie. Het is iets om naar uit te zien: hoe dichters uit andere landen op Gorter zullen reageren. Bij zijn leven werden eerder zijn politieke teksten vertaald (Het historisch materialisme voor arbeiders verklaard) dan zijn gedichten. Opvallend genoeg wordt in de Franse vertalingen die er van Gorters werk bestaan, van Henri Deluy en Saskia Deluy, het rijm niet gerespecteerd. Ik vraag me af of zoiets noodzakelijk is, of het rijm in het Frans niet voor een totaal ander ritme zorgt en de cadans van Gorters regels verstoort. Het is tevens een kwestie van een ander metrum. Het sprankelende van Gorters Verzen is die mooie lichtheid, zo onverbloemd vergeleken met de Tachtigers.

Kees ‘t Hart schrijft in zijn nawoord dat Gorter bijvoorbeeld in drie regels van Mei vier keer het woord 'door’ schrijft, iets wat compleet ongehoord is in poëzie in die tijd. Dat mag helemaal niet, al is het de vraag volgens wie precies, en toch doet Gorter het, vol overtuiging. Ook verheugt ‘t Hart zich over een pleonasme als 'zwemvisch’. Gorter ‘stond zichzelf toe om het laten staan’. En gelukkig maar. Het is van een zingende en zinderende eenvoud:

_ Waar zijn je armen en je handen_

_ en die witte overschoone landen_

_ van je schouders en schijnende borst -_

_ ik heb zoo'n honger en dorst._

Herman Gorter, Verzen. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 126 blz., € 19,95

Poetry International wordt dit jaar gehouden van 12 tot en met 18 juni in de Rotterdamse Schouwburg