Claudio Magris

Verzet als rode draad

Claudio Magris
Blindelings
Uit het Italiaans (Alle Cieca, 2005) vertaald door Anton Haakman en Linda Pennings
De Bezige Bij, 346 blz., € 19,90

Claudio Magris (1937) is vooral bekend door zijn zojuist heruitgegeven reisboek Donau. Na enkele novellen is dit de eerste grote roman die lijkt aan te sluiten bij een essaybundel uit de jaren tachtig, Der Ring der Clarisse. Hierin demonstreert hij het verdwijnen van de grote stijl aan de hand van het werk van Musil, Canetti, Hofmannsthal en anderen. Heeft moderne literatuur nog greep op grotere gehelen? Dat is ook de vraag van deze roman over niet minder dan twee eeuwen geschiedenis. Blindelings lijkt een echo van De dood van Vergilius, waarin Hermann Broch een doodzieke Vergilius aan het woord liet. In zijn niet minder doorwrochte roman geeft Magris het woord aan een oude verzetsheld, Cippico, die (waarschijnlijk) in een inrichting bij Triëst voor een psychiater zijn bewogen leven reconstrueert: antifascist, militant communist, Spaanse Burgeroorlog, Dachau, in Joegoslavië medewerker bij de opbouw van het socialisme, door Tito als spion naar de Goelag op het Naakte Eiland (Goli Otok) afgevoerd, in 1951 geëmigreerd naar Australië.

Dat is een lijnrechte levensgeschiedenis in een kronkelige politieke geschiedenis (onder meer die van communistische partijen) die van verraad aan elkaar hangt. De verteller vertelt niet alleen meerdere verhalen, en ook niet voor zichzelf alleen, meerstemmig bovendien. Hij voelt zich de kloon van Jorgen Jorgenson, een Deense avonturier uit de negentiende eeuw, die één dag koning van IJsland is geweest en ook naar Tasmanië verbannen werd, waar hij getuige was van de uitroeiing van de bevolking. In die vermenigvuldigde geschiedenis van geweld én verzet duikt ook nog de schim van Jason en de Argonauten op. Het Gulden Vlies is nu de rode vlag, die soms danig van kleur verschiet. De val van de Muur is in dit boek de Val van Idealen, de rode draad die van het Verzet: de geschiedenis lijkt zich in vergelijkbare situaties, soms op dezelfde plaatsen te herhalen.

Het begrip ‘Geschiedenis’ wordt in de roman als begrip iets ongrijpbaars: natuurlijk is ze blind en dat zijn degenen die geschiedenis maken ook. Nelson laat op de verslagen Denen schieten, omdat hij met de verrekijker voor zijn ooglap de witte vlag niet ziet – ziende blind, zo’n metafoor is duidelijk of al te duidelijk. Ingewikkelder is het al met het blinde geloof in Parijs, Idealen, Vaderland, enzovoort. Het centrale idee is onmiskenbaar, toch lijkt Magris het geheel soms nauwelijks in de greep te hebben, tenzij dit de hoofdstelling is, dat niemand (nog) greep heeft op die blindelings voortrazende Geschiedenis, de schrijver dus ook niet.