Rotterdam in de Tweede Wereldoorlog

Verzetslieden of misdadigers

J.L. van der Pauw
Rotterdam in de Tweede Wereldoorlog
Boom, 956 blz., 49,50

Het kost een paar centen, maar dan heb je ook wat, moet het gemeentebestuur van Rotterdam hebben gedacht toen het de historicus Hans van der Pauw opdracht gaf de geschiedenis van de stad in de jaren 1940-1945 te schrijven. Vijf jaar heeft hij er fulltime aan kunnen werken en het resultaat mag er inderdaad zijn. Het monumentale boek ziet er niet alleen prachtig uit, maar geeft vooral een helder en compleet beeld van Rotterdam in deze turbulente jaren. De vele foto’s, waaronder kleurenopnamen van het bombardement van 14 mei 1940, maken het boek extra waardevol. Van der Pauw gaat uiteraard uitgebreid in op de meidagen van 1940, die voor Rotterdam culmineerden in het verbijsterende bombardement. Ook besteedt hij aandacht aan allerlei naoorlogse discussies en mythes. Decennialang is er namelijk gedebatteerd over de vraag of de strijd van de Nederlandse mariniers nu wel zo heroïsch is geweest, het bombardement het gevolg was van verraad, en of er wel gesproken mocht worden van een «terreurbombardement».

Behalve de militaire strijd, de politieke ontwikkelingen tijdens de bezetting en de rol van het verzet beschrijft Van der Pauw de impact van de verwoestingen en de bezetting op de Rotterdamse bevolking. Zeer boeiend is vooral zijn verhaal over het laatste oorlogsjaar – waarover hij in 1995 reeds een dissertatie schreef – waarin hij een beeld schetst van een stad in volkomen anarchie. Af en toe is het alsof je een hedendaags verslag over Bagdad of Kaboel leest.

Evenals in andere steden hadden de hongerwinter en de toenemende terreur van de Duitsers ook in Rotterdam een demoraliserend effect op de bevolking. Dit leidde er niet alleen toe dat individuele burgers uit pure nood gingen roven en plunderen, maar ook was het gevolg een enorme opbloei van de georganiseerde misdaad. Van der Pauw beschrijft hoe allerlei groeperingen inbraken en overvallen uitvoerden, mensen afpersten en liquideerden, waarbij de scheidslijnen tussen criminele bendes en bonafide verzetsgroepen niet altijd even helder waren.

Vooral bij de zogenoemde wilde kraakploegen was het moeilijk vast te stellen of het hier nu ging om nobele verzetslieden of om ordinaire misdadigers. Deze ploegen, die levensmiddelen en brandstoffen stalen, presenteerden zich als verzetsgroepen maar waren niet georganiseerd in de Landelijke Knokploegen (lkp). In tegenstelling tot die organisatie behielden deze kraakploegen dikwijls een flink deel van de buit voor zichzelf of verhandelden het op de zwarte markt.