Verzinsels van een ingraafjournalist

In zijn eerste roman De grijzen probeert Vincent Merjenberg met verzonnen werelden dichter bij de werkelijkheid te komen.

In Vincent Merjenbergs debuut klappen onverwachte dimensies open © Fjodor Buis

Het mooie en ingewikkelde aan romandebuten is dat ze ook altijd een gooi naar erkenning zijn. Mooi daaraan is dat je de nieuweling vaak veel uit de kast ziet trekken – als een kandidaat, die één kans heeft om al zijn verschillende kanten te presenteren – ingewikkeld is dat hij zich dan meestal ook wel ergens vertilt. Dat is ook het geval met het ambitieuze en in veel opzichten geslaagde debuut van Vincent Merjenberg (1983), die blijkens het afgedrukte bio’tje Nederlands studeerde, bij een uitgeverij werkte en taalles geeft aan nieuwkomers. Uit alle drie die werelden resoneert wel wat in de roman De grijzen, zonder dat er sprake is van echte een-op-een ontlening. Merjenberg heeft juist nadrukkelijk een verzonnen wereld willen maken, een fictieve stad, waarvan we weinig meer te weten komen dan dat het een grensplaats is, waar Hooglanders zich na of tijdens een oorlogssituatie verborgen, vaak boeren uit ‘het zuiden’ die hun land waren kwijtgeraakt.

In de buitenwijken duiken geregeld, bij bouwwerkzaamheden, ‘vondsten’ op waar niemand over spreekt: mannen, vrouwen en kinderen rechtop in de aarde begraven. Lena, jonge journaliste bij een landelijke krant, wordt eropuit gestuurd om dit te ontraadselen. Ze kiest voor de strategie van de (knipoog) ‘ingraafjournalistiek’, en daarmee opent De grijzen een beetje als een Britse of Scandinavische krimi, compleet met de daarbij geijkte elementen: een bezadigde, ingedutte redactie van de plaatselijke krant waar ze een bureau krijgt, een kioskhouder die mogelijk van meer weet, het getikte oude kattenvrouwtje dat in enigma’s spreekt die misschien toch een aanwijzing zijn: ‘Er zijn drie soorten mensen. Zij die boven leven, zij die onder leven en zij die vallen.’

Dat is allemaal vermakelijk, en in een prima stijl verteld, maar net als je vreest dat dit vooral een whodunit wordt in een schilletje van actuele vluchtelingenproblematiek, klappen er andere verhalen en dimensies open. Zo heeft Lena een voorganger, Glas, die spoorloos is verdwenen maar nog wel flarden van zijn uitpluiswerk nalaat, en er is een boek De oversteek van ene Onalov, een verhaal over een gezin dat vanuit de stad vertrok naar de andere kant van de grens.

Dit krijgen we te lezen als boek-in-het-boek en die passages zijn wat mij betreft de sterkste en meest indringende. Het verhaal gaat over een jongen Jona, en heeft een toonzetting die bijna op een kinderboek lijkt, iets onschuldigs, heel helder, maar tegelijkertijd toch zwaar en mysterieus. Het deed me een beetje denken aan De kinderjaren van Jezus van J.M. Coetzee, door het onspecifieke maar eigentijds aandoende decor waar een mythische dimensie doorheen gloort.

In deze debutant is een al veel rijpere stem aanwezig, die hij nog niet voluit loslaat

Hier wordt het interessant: hoe moeten we dit verhaal nu duiden in relatie tot de vondsten van die grijze lichamen? Hoe hangt dit dan weer samen met de journalistieke hints van Glas? Van Coetzee schakelen we steeds over op, laat ik zeggen, Umberto Eco, iemand die graag puzzelt met manuscripten, fictie versus non-fictie, en ook: een hele kast aan filosofische en semantische vraagstukken opentrekt.

Dat is geslaagd bij de meer subtiele symboliek. Zo leefden de oude Hooglanders in de bergen, en in het ondergrondse, dat ‘in tegenstelling tot de meeste volkeren’ niet louter met de dood te maken had. Het ging ze niet om het witte of het zwarte, maar ‘uit het grijze kwam alles voort’. Het is mooi hoe de schrijver hier zo’n hele cultuur met gebruiken en religies integraal neerzet, en ook hoe dit verhaal indirect werkt als spiegel voor onze huidige samenleving, maar de inbedding ervan in spionageachtige zoektochten leidt wat af, en ontspoort enigszins.

Onalov zou namelijk naast het ‘waargebeurde’ verhaal later nog fictie hebben geschreven over dezelfde gebeurtenissen. En zo gaat dit debuut tegelijkertijd ook over de betekenis van fictie. Is het mogelijk om juist met verzonnen werelden dichter bij de werkelijkheid te komen? Dan blijkt Onalov ook nog eens die mysterieuze Glas te hebben gekend: ‘Hij schreef ook over mij, maar heeft voor zover ik weet nooit ontdekt wat ik zelf wel te weten kwam – en ik ontdekte het door hem. Hoe ironisch, hoe ingewikkeld!’

Dat gevoel had je als lezer al wat langer, want het is een interessante laag, die manuscriptenzoektocht, maar hier begon het wel wat geforceerd over te komen. Zeker als Lena zelf met het verhaal – en zijn dit verzinsels of is het waarheid – in de belangstelling komt en haar nog een onverwachte finale wacht tijdens een publiek optreden. En o ja, had Lena ook niet nog een kwestie met haar vader?

Je voelt de worsteling om alles rond te krijgen, wat des te meer opviel in het contrast met dat verhaal van Jona dat juist zo ongedwongen en intens was. Het lijkt wel of er in deze debutant een al veel rijpere stem aanwezig is, die hij nog niet voluit durft los te laten.

Dat kun je moeilijk anders zien dan als veelbelovend.