Verzoening overheerst in Bethlehem

Tel Aviv – De vijftien meter hoge kerstboom op het Manger-plein in Bethlehem is versierd met kerstballen in de kleuren van de Palestijnse vlag: rood, wit en groen. Naast de boom hangt een spandoek waarop staat: All I want for Christmas is justice.

Souvenirwinkeltjes in smalle straatjes verkopen uit hout gesneden kerststalletjes. Naast de klassieke versie zijn er ook stalletjes waarin de heilige familie achter een afscheidingsmuurtje verstopt zit. Het mag geen enkele bezoeker ontgaan dat de geboorteplaats van Jezus Christus in bezet Palestina staat.

Volgens de Palestijnse minister van Toerisme Rula Ma’aya is het toerisme in Bethlehem niet los te zien van de politiek. ‘Ten eerste hebben we geen controle over onze grenzen’, zegt ze. ‘We mogen zelf al niet eens vrij door Israël bewegen, laat staat toeristen in bussen door het land rijden. Bovendien denken veel westerlingen dat het in Bethlehem gevaarlijk is. Het bezoek dat de paus ons in mei bracht, heeft daar weinig aan veranderd. In juli brak de Gaza-oorlog uit en zestig procent van de boekingen werd geannuleerd.’

Vera Baboun, de burgemeester van Bethlehem, vreest dat de stad haar christelijke karakter zal kwijtraken. Omdat het vooral christenen zijn die naar het buitenland vertrekken, is hun aandeel in de bevolking gedaald van een ruime meerderheid naar nog geen kwart.

Toch is in de straten van Bethlehem voor wrok en verbittering geen plek. Het winkeltje van de christelijke Khalil voorziet in kruizen, engelen, Mariabeelden en rozenkransen, maar ook keppeltjes met davidster. ‘Daar zijn mensen wel eens verbaasd over. Maar ik heb een winkel hoor, ik bedrijf geen politiek’, zegt hij terwijl hij in de deuropening zit. ‘Ik heb helemaal niks tegen joden. Er zitten wel een paar gekken tussen, maar die heb je overal.’ Buurtgenoot Mohamed ontkent niet dat de zaken te lijden hebben onder het Israëlisch-Palestijnse conflict. Vanwege de oorlog heeft de hotelmanager deze zomer de helft van zijn personeel op ‘onbetaalde vakantie’ moeten sturen. Maar ook hij weigert Israëlische joden als vijand te zien. ‘Uiteindelijk willen zij ook met ons samenleven’, zegt hij beslist.

Khalil mijmert weg bij de herinnering aan de avonturen die hij vroeger met zijn joodse vrienden in Tel Aviv beleefde, lang voor de bouw van de muur. ‘De meeste joden willen vrede, net als de Arabieren. We vinden allemaal dezelfde dingen belangrijk: een opleiding voor onze kinderen en een goed inkomen. En drank en vrouwen natuurlijk.’