Verzorgster

‘EEN OUD, uitgezakt lichaam is normaal voor me geworden. Vroeger vond ik dat eng. Ik had er niet bewust voor gekozen om ouderen te verzorgen. Ik realiseerde me niet dat je zo intiem met pati‰nten om moest gaan. Ik vond die lijven zo kolossaal. Mensen van tweehonderd pond. Met kleren kun je een hoop camoufleren, onder de douche heeft een lichaam geen geheimen. Het was de ongevraagde intimiteit die me afschrok. Je leert je gedachten uit te schakelen. Ik mag niet met mijn gedachten aan dat lijf komen. Wel met mijn handen.

Mensen wassen die vierentwintig uur per dag incontinent zijn, is soms niet prettig. Ze krijgen plekken op hun lichaam. Doet hartstikke zeer. Bij mensen met een dikke buik koekt het aan onder de buikplooi. Geen fijn gezicht. Voor mij is het heel gewoon. Als iemand zichzelf niet meer kan schoonhouden, help ik een handje. Ik zie daar nooit tegenop.
Ooit werd een zwerver binnengebracht die eens een goede nachtrust nodig had. Ik vroeg of hij onder de douche wilde. Hij had wel trek in een bad, zei hij. Maar toen hij zich uitkleedde, schrok ik me kapot. Korsten van smerigheid over zijn hele lijf. Dat bad ging dus niet door. Als mensen een bepaald smerigheidspercentage hebben opgebouwd en je maakt ze in ÇÇn keer schoon, gaan ze dood. Het vuil is hun weerstand. Het houdt heel veel bacteri‰n tegen. Hij heeft zich opgefrist bij de wasbak, met een washandje. We hadden nog kleren hangen van iemand die overleden was. De volgende dag ging hij als een heer het huis uit. Het vuil nog diep in z'n pori‰n.’
‘IK WERK IN EEN woonzorgcentrum. We verzorgen hier ongeveer vierhonderd mensen die niet meer zelfstandig kunnen wonen. We hebben hier zo'n beetje alle ziekten die je maar kunt bedenken. Dementie, longemfyzeem, parkinson, suikerziekte, alle kankersoorten, psychiatrische gevallen. En natuurlijk sociale problematiek. Mensen die na het overlijden van hun partner in de vergetelheid zijn geraakt en gedragsgestoord zijn geworden.
Ik ben hoofd van een afdeling met onder andere tijdelijke opnamen. Mensen die uit het ziekenhuis komen en nog niet helemaal hersteld zijn. Ik probeer mijn team zo veel mogelijk te begeleiden en te steunen. In ziekenhuizen en verpleeghuizen werkt het hoofd vaak niet mee met het team. In de verzorging wel. Ik doe veel handwerk.’
'HET IS HEEL belangrijk dat je tegen iemands ontlasting kunt. Je maakt hier wat mee op dat gebied. Bijvoorbeeld iemand die in een rolstoel zit en aan de diarree raakt. Je krijgt een oproep en je gaat kijken. Helemaal onder de stront. Van zijn middel tot op de vloer. Dan moet je de knop omdraaien en ergens beginnen. Eerst bevrijd je de bewoner uit zijn last. Dus uit die stoel en onder de douche. Alle kleren uit. In zo'n ravage moet je rigoureus optreden. En altijd handschoenen aan, tegen infectie. Bacteri‰n zijn zo overgebracht.
De spijsvertering kan helemaal ontregeld zijn. Dan vindt er een ontlastingsproductie plaats die haast onmenselijk is. Niet alleen de hoeveelheden, maar ook de proportie. Als je bedenkt hoe klein een anus is en je ziet daar een enorme brat uitkomen, dan weet je niet hoe je het hebt. Af en toe lijkt het wel een bevalling. En je moet er vaak bij blijven. Mensen kunnen gestoord zijn in hun evenwicht waardoor ze kunnen vallen. Je moet ze van het toilet helpen en afvegen. En dan zie je het liggen.
De eerste keer, twintig jaar geleden, heb ik een collega aangeklampt om te vragen hoe zoiets mogelijk was. Soms is het met twee, drie keer doorspoelen nog steeds niet weg.
Iemand die veel op bed ligt en weinig kracht meer heeft, kan soms niet meer poepen. Dan haal ik het weg, met mijn vingers. Ik zie dat niet als vies werk. Als er een zorgvraag is, moet er geholpen worden. De buitenwacht vindt het vast heel smerig. Maar de bezoekers zien het niet, dus bestaat het niet.’
'ER IS HIER een mevrouw met parkinson. Die wordt geholpen met eten, maar het loopt er weleens uit door slikproblemen. Haar kleren zijn dan smerig. Maar ze is altijd heel stijlvol geweest. Besteedde veel zorg aan haar uiterlijk. Ik wil dat die vrouw in haar waarde wordt gelaten. Dat ze niet door haar ziekte geveld wordt omdat ze er als een sloof bijzit. Dus op het moment dat er weer een plek op haar jurk zit: schone kleding aan. Mensen zien niet altijd hoeveel zorg er aan haar besteed wordt. Maar als ze er vies uit zou zien, zouden we het wÇl te horen krijgen. En zij zou eronder lijden.
Soms sta je weleens versteld van de bezoekers. Het geldt lang niet voor alle kinderen die hun ouders bij ons opzoeken, maar sommigen raken volledig onthand als hun moeder moet overgeven. Dan bellen ze meteen. Kom je binnen en zit iemand onder het braaksel. Dan vraag je je af: waarom hebben ze niet even de waskom gepakt om haar te helpen? Dat zie je vooral bij mensen die hier maar weinig komen. Ze weten zich geen raad met de situatie. Of ze denken: moeder woont in een verzorgingstehuis, dus z¡j moeten haar verzorgen.
We laten ons niet als sloof behandelen. Het gebeurt wel dat er door de kinderen al op de bel wordt gedrukt als moeders niet overeind kan komen uit haar stoel. Moet een zuster opdraven om haar alleen maar even een steunende arm te geven. Zit de familie keurig te kijken met de armen over elkaar. Het spijt me heel erg, dat gaat te ver. We zijn verzorgers en we doen er alles aan om het leven van iemand hier zo prettig mogelijk te maken, maar er zijn grenzen. En die maken we duidelijk.
Het toppunt van liefde om diarree en braaksel van je ouders op te ruimen? Ik vraag me af of de buitenwacht dat zo ziet. Voor mij is het heel normaal. Maar volgens mij ben ik geen normaal mens. De zorg gaat in je zitten, zeg maar.’
'ER ZIJN MENSEN die zeggen: jij liever dan ik. Vanuit mijn eigen mensvisie kan ik me dat nauwelijks voorstellen. We leven niet alleen, we moeten het met elkaar doen. Daar hoort bij dat je elkaar helpt. Dat geldt niet alleen in het verzorgingstehuis, maar ook voor mijn buurvrouw. Ik wil d††r zijn waar mijn hulp nodig is. En ik laat me niet afschrikken door viezigheid. Sommigen houden het niet vol in de verzorging, door de vuiligheid. Die hadden een andere baan moeten kiezen. Minder schone situaties horen nu eenmaal bij dit vak.
Braaksel, dat went nooit. Als iemand over zijn nek gaat, moet ik zelf eigenlijk ook. Het is de machteloosheid die ik bij iemand zie als hij moet braken. En de herkenbaarheid. Als ik zelf moet overgeven, moet dat uit mijn tenen komen. Soms ben ik zo misselijk dat ik denk: kon ik het maar. Ik hou het tegen. Dat is een vreselijk gevoel.
Dat gevoel krijg ik ook als ik iemand zie braken. Maar die ander m¢et hulp hebben. Die zit in nood. Die heeft een bak nodig, of die moet geholpen worden overeind te blijven omdat-ie anders stikt. De knop g††t om. Ook al sta ik af en toe op mijn benen te trillen. Ik heb dat moeten leren.
Het hoort bij het mens-zijn, overgeven. Af en toe moeten die vieze stoffen het lijf uit. Maar ik vind het een vreselijk rare manier van smerigheid eruit gooien. Waarom kan dat niet met diarree, denk ik dan. Het is niet eens wat eruit komt. Daar heb ik niet zo'n moeite mee. Ook al is dat enorm goor. Gal, half verteerd voedsel dat zich in een paar dagen heeft opgestapeld. Soms moet je erbij blijven, want mensen krijgen het benauwd. Dat is het ergste. Ben je te laat dan moet je de boel verschonen en iemand wassen.
Het is een vieze klus, maar we doen het. Het hoort erbij.’
'INCONTINENTIEMATERIAAL is tegenwoordig heel goed. Er is heel veel aanbod, geschikt voor elke persoon. Voor mannen die alleen de laatste druppeltjes niet meer kunnen ophouden is er een materiaal dat je om de penis doet. Onderbroek erover en klaar is kees. Ze hoeven niet meer aan de luier of het catheter, met zo'n zakje.
Bewoners die incontinent zijn, schamen zich meestal en vertellen het ons niet. Ze denken dat ze de enige zijn. Ze gaan zich afzonderen, blijven in hun woning. Dat gaat enorm stinken. Als je binnenkomt, ruik je het meteen. Ze verraden zich door de stank.
De geuren zijn makkelijk uit elkaar te houden. Braaksel is bitter en doordringend. Komt door de gal. Urine ruikt weeãg. Zeker als het in kleding of in een stoel gedrongen is. Een ongewone, onpasselijk makende stank. Mensen zijn niet gewend aan de geur van oude pis. Ontlasting ruikt natuurlijk. Gewoon wat je opsnuift als je zelf hebt gepoept. Niks vies aan. Eerder warm en acceptabel.’