Verzot op provocatie

Niall Ferguson, De erbarmelijke oorlog. De geschiedenis van 1914-1918 . Vertaald door Robert Vernooy, _€ _ 59,95

Medium ferguson

‘Het lijkt alsof Niall Ferguson het erom heeft gedaan: het schrijven van een zo controversieel mogelijke geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog.’ Doorgaans hebben de blurbs die uitgevers achter op boeken afdrukken de neiging zich los te zingen van de werkelijkheid, maar in het geval van De erbarmelijke oorlog wordt de spijker ongenadig op zijn kop geslagen. Met de publicatie van The Pity of War, zoals het boek oorspronkelijk heet, manifesteerde Niall Ferguson zich in 1998 als een van de zogenoemde 'Dons of War’, een groep jonge, zeer rechtse historici die de anti-Europese sentimenten van de Britse Conservatieven 'wetenschappelijk’ trachtte te onderbouwen.
Net als zijn collegae Andrew Roberts en John Charmley was Ferguson, die in de eerste plaats een economisch historicus is, van mening dat Groot-Brittannië in de twintigste eeuw tot tweemaal toe de blunder had begaan zich in een Europese oorlog te storten. Als John Bull met de armen over elkaar had toegezien hoe die hopeloze Europeanen elkaar afslachtten, zou het Empire nog bestaan en zou Groot-Brittannië nog altijd een supermacht zijn. Volgens Ferguson zou de Tweede Wereldoorlog zelfs nooit zijn uitgebroken, omdat zonder de Britse hulp de decadente Fransen in hoog tempo onder de voet zouden zijn gelopen en de Duitse overwinning zou hebben geresulteerd in een soort Europese Unie, maar dan zeventig jaar eerder en zonder het bloedvergieten van de twee wereldoorlogen en de terreur van communisme en nationaal-socialisme.
Het jaar voordat The Pity of War verscheen had Ferguson de bundel Virtual History geredigeerd, waarin getracht werd een geloofwaardig beeld te schetsen van wat er gebeurd zou zijn als de geschiedenis op een aantal cruciale momenten net iets anders zou zijn verlopen. Dit soort what if-geschiedenis, ook wel counterfactual history genoemd, waarbij het mogelijk is te laten zien hoe de geschiedenis er óók had kunnen uitzien, kan leiden tot beter inzicht in de drijfveren van historische personen en meer begrip voor hun beslissingen. Ook kunnen de werkelijke oorzaken van bepaalde gebeurtenissen scherper aan het licht worden gebracht.
Uit Fergusons boek over de Eerste Wereldoorlog wordt echter ook duidelijk wat het gevaar is van deze benadering: de verleiding is groot om juist uit te gaan van die vooronderstellingen die jou goed uitkomen. In dit geval neemt Ferguson namelijk zonder meer aan dat als de Britten in de zomer van 1914 het Kanaal niet waren overgestoken, de Duitsers een gemakkelijke overwinning zouden hebben behaald. Hiermee huppelt hij vrolijk over de forse berg literatuur heen waarin duidelijk wordt gemaakt dat het Duitse Schlieffen-plan - dat voorzag in een snelle overwinning op Frankrijk waarna het Duitse leger zich met zijn volle gewicht op de veel trager mobiliserende Russen zou storten - alleen al logistiek gezien aan alle kanten rammelde. Bovendien onderschat Ferguson de bereidheid van de Franse soldaten om hun vaderland tegen elke prijs te verdedigen. Opvallend in dit verband is ook dat zijn boek weliswaar wemelt van de tabellen en grafieken, wat voor een economisch historicus niet vreemd is, maar dat er geen enkele kaart is opgenomen.
Net als de andere Dons of War beschrijft Ferguson de geschiedenis vanuit een extreem Anglocentrisch standpunt, waarbij vergeten wordt dat bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog de belangrijkste beslissingen niet in Londen, maar in Berlijn, Wenen en Sint-Petersburg werden genomen. Bovendien lijkt hun benadering vooral ingegeven door eigentijdse problemen en preoccupaties. Als je als jong, conservatief historicus wilde opvallen, moest je wel met iets bijzonders komen om de aandacht te trekken. Vandaar dat zij de aanval openden op Winston Churchill, die in hun ogen tweemaal een fatale rol had gespeeld door erop aan te dringen dat Groot-Brittannië zich met conflicten op het Europese vasteland ging bemoeien.
Hoewel sommige delen van Fergusons boek interessant en overtuigend zijn - bijvoorbeeld zijn kanttekeningen bij het 'enthousiasme’ waarmee de oorlog in 1914 begroet zou zijn en de problematiek van het nemen van krijgsgevangenen - gaat De erbarmelijke oorlog mank aan een verkeerde vraagstelling en te gemakzuchtige vooronderstellingen. Zo is zijn uitvoerige betoog dat de oorlog niet onvermijdelijk was een gevecht tegen windmolens, aangezien nooit iets onvermijdelijk is. En als hij de economische kosten van de oorlog afzet tegen de 'baten’ die zij de geallieerden opleverde, een verhouding die opmerkelijk scheef was, heeft hij nog niet automatisch 'aangetoond’ dat ze daarom beter helemaal niet tegen de Duitsers hadden kunnen vechten.
Ferguson, die zich tegenwoordig graag mengt in allerlei actuele discussies en jaarlijks figureert op de lijst die Time publiceert van de 'honderd invloedrijkste personen ter wereld’, houdt van de grote greep, is verzot op provocatieve stellingen en heeft een broertje dood aan nuanceringen. Hiermee lijkt hij sterk op een andere coryfee van de Time-lijst, Ayaan Hirsi Ali, wier nieuwe geliefde hij momenteel is. Dit geluk is hem van harte gegund, maar het is te hopen dat hij als historicus toch wat meer oog krijgt voor de complexe, vaak smerige en onaanzienlijke en soms zelfs saaie werkelijkheid. Geschiedenis is geen bouwdoos waarmee je naar behoeven ingenieuze en opvallende constructies kunt bouwen.

Niall Ferguson
De erbarmelijke oorlog: De geschiedenis van 1914-1918
Vertaald door Robert Vernooy, Contact, 688 blz., € 59,95