Joost Zwagerman

Vet en lekker strak aangelijnd

Joost Zwagerman, Bekentenissen van de pseudomaan

Uitg. De Arbeiderspers, 60 blz., ƒ 34,95

In de nieuwe dichtbundel van Joost Zwagerman, Bekentenissen van de pseudomaan, komt de wereld manmoedig het besloten universum van de poëzie ingerold. In Zwagermans poëzie wordt geflexwerkt, een verzekering afgesloten, zegels geplakt en ge-e-maild. Soms, zoals in Groet van juffrouw poëzie aan meneer de wereld en a spring before dying, wordt de relatie tussen de dichtkunst en de wereld expliciet naar voren gebracht, maar meestal vermijdt Zwagerman dit soort navelstaarderige overpeinzingen. Hier geen breekbare aftasting van het innerlijk, maar een karikaturale reflectie op de buitenkant van het leven. En wie Zwagerman kent, weet dat er in zijn verbeeldingswereld weinig onderscheid wordt gemaakt tussen de schoonheid en de afzichtelijkheid van de werkelijkheid. Heel mooie, geconcentreerde beschrijvingen van het alledaagse (die in het Nederlands altijd op Nijhoff lijken, vooral op Awater) worden afgewisseld met heel ordinaire uitvallen:

opgewreven auto’s parkeren baltsend in

mannenlach, honden zelfverlengend

aangelijnd,

driemaal een vaasje en

voor die stoot daar één met ijs,

Het is vooral bravoure, satire en het misbaar van de liefde wat in deze poëzie naar voren komt. Het zonnetje schijnt, en al staat de muzak op de achtergrond iets te hard en zijn er misschien net te veel Amerikaanse toeristen, het is op het terras van café Zwagerman goed toeven. Zwagerman doet zijn best om zijn gedichten lekker vet en welluidend te maken. Dat lukt ook wel, maar zijn gedichten danken hun klankwerking vrijwel alleen aan voortdurende klinker assonantie en een enkel rijm. Dat wordt op den duur een beetje armoedig, maar misschien moet je deze gedichten niet te lang achter elkaar lezen.

Een van de beste, of in elk geval de meest intense reeks is de korte cyclus met de cryptische titel Nu het tongheft. Hier komen de beelden snel achter elkaar, is de klank vol en zijn de regels lekker strak aangelijnd.

ik was je nar al en je nacht. Bracht

hulde aan je in mijn kikkervacht. Je aaide je

te pletter. Ik amuseerde je het hof: grappen

mesten vetter.

geloofde blind toen jij een eed aanbracht.

Trouw was wet

ik woordblinde dommekracht. Paraaf gezet

en kende niet de letter.

Heel wat getrainde poëzielezers vinden het niet kunnen, zo'n opeenstapeling van klinkeralliteraties als in de eerste regel. Maar Zwagerman maalt daar terecht niet om. Het rijm bracht-aanbracht is wel lelijk, maar daar staat tegenover dat kikkervacht-dommekracht weer mooi is. Sowieso is deze passage heel dicht aaneengeklonken met allerlei klank. Dat geeft dit gedicht de eenheid en volheid die elders zo nu en dan in de bravoure verloren gaat. Dat er dan ook weleens een al te gekunstelde frase in voorkomt («een eed aanbracht») is vervolgens niet zo erg.

Jammer dat het «lyrisch ik» uit dit gedicht eigenlijk niet serieus te nemen is. De bedrogen echtgenoot die in deze regels opduikt, is alleen geschikt als blijspelpersonage, en zo herkent iedereen hem natuurlijk direct. Voor een serieus gedicht is hij ongeschikt, zeker als je ook nog algemene uitspraken wilt doen over relaties van mannen en vrouwen, wat hier het geval lijkt. Omdat je voelt dat Zwagerman dit gedicht serieus bedoelde, en omdat het technisch ook echt is geslaagd, is de plaatsvervangende schaamte die je voelt bij Zwagermans lichtzinnige klaagzang des te sterker.
Toch zou het niet terecht zijn Zwagerman van holle virtuositeit te betichten. Daarvoor is hij te geestig en zijn taalvaardigheid te rijk. Ondanks alle bezwaren die je kunt op noe men, zou je in deze bundel zomaar drie gedichten kunnen vinden die nu al gereserveerd kunnen worden voor de jaarlijkse verzameling van beste gedichten van het jaar.