De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen

Vette bundeling

De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen

Samengesteld door Joost Zwagerman

Prometheus, 1583 blz., € 39,95

Eerst even kijken of Het doosje van Toeti er in staat, van Hugo Pos. Zo niet, dan kun je dit boek net zo goed meteen weggooien. «Of moet je tjoppen…» – bij ons in het café was deze wonderlijke zin jarenlang een running gag, wat een prachtig broeierig verhaal is dit. Het staat erin, samensteller Joost Zwagerman van dit dikke verzamelboek met korte verhalen is met vlag en wimpel ge slaagd. Op pagina 482 lees ik de eerste zin: «Ik zit op school, op de Hendrikschool, in de vierde klas.» Geen omhaal van woorden, maar direct to the point, zoals dat moet in een kort verhaal. Het is wel lastig om het snel in de bundel op te zoeken. Bij de Verantwoording achterin staat Pos netjes alfabetisch tussen zijn collega-schrijvers gerangschikt en daar staat ook in welk boek zijn verhaal staat. Maar niet op welke blad zijde in deze verzamelbundel. Dat vind je weer wel bij de Inhoud, waar de verhalen in volgorde van plaatsing zijn op gesomd. Pos’ verhaal staat tussen twee verhalen van Carmiggelt en een verhaal van Aafjes in. Er is dus besloten om een soort chronologie in de tijd aan te houden, maar handig vind ik het niet en in de inleiding wordt er verder niks over gezegd. Hoorden Carmiggelt, Aafjes en Pos tot dezelfde generatie? Dat valt wat hun geboortedatum betreft wel te verdedigen, maar Hugo Pos begon zijn mooie werk pas op hoge leeftijd te publiceren, dus zou je hem eerder bij Hotz kunnen indelen. Het was voor opzoekers, zoals ik, makkelijker geweest om de plaats van het verhaal in de bundel in de alfabetische Verantwoording te zetten.

Ik ben natuurlijk niet van plan op deze manier door te blijven komma neuken over dit bijna overdreven rijke en mooie boek. De televisie kan bij mij voorlopig uit. Voordat ik het weet zit ik er links en rechts in te zoeken en te lezen. Staat die en die er wel in? Van Maanen toch wel? En Wiener? En flink veel van Vestdijk, Bordewijk en Koolhaas? Ja, ze staan erin, met gelukkig vaak de klassiek goede verhalen. Staat Rozeman er ge noeg in, een groot talent op dit gebied? Helaas maar één verhaal, dat is een te genvaller. Palmen staat er ook in, schreef die dan verhalen? Toch wel eentje dus. En van Annelies Verbeke is het laatste verhaal: Etiennes poging. Ik ken het niet, het komt uit een verzamelbundel van allerlei beginnende schrijvers en omdat ik haar eerste roman flink heb afgekraakt lees ik het. Het valt mee, eerst laat ze me denken dat het weer zo’n verhaal wordt van jongen-die-gek-wordt-van-eenzaamheid, maar ze heeft me flink beet. Ik lees ook alvast het verhaal Kogeltjes van Willem Melchior, over een jongen die zich voor een glamourfoto met een windbuks in zijn borst laat schieten. Prachtig! Laatste zin: «De pijn, die bij elke stap toenam, gaf hem het gevoel alsof hij met lange spijkers aan een muur genageld was.» Typerend voor het einde van een geslaagd kort verhaal: hoe het met die jongen verder afloopt moet de lezer zelf aanvullen.

Een kort verhaal laat altijd allerlei mogelijkheden open. Meer dan in een roman, misschien is dit een beslissend verschil tussen romans en korte verhalen. Zwagerman probeert in zijn inleiding essentiële verschillen tussen deze genres in kaart te brengen maar lastig is dat wel, je hebt te maken met een sterk glijdende schaal. Ieder voorbeeld roept een tegenvoorbeeld op. De een is een stuk langer dan de ander, daar blijft het toch op neerkomen, denk ik, maar daarmee heb je natuurlijk geen inleiding. Dus heeft hij het bijvoorbeeld over de verschillen in tijdsduur tussen de genres, het omgaan met informatie, de grotere suggestieve kracht van verhalen en de voorkeur voor «loners» in het korte verhaal. Er valt allemaal veel voor te zeggen, maar er blijven bedenkingen, Zwagerman beseft dat overigens. Carl Barks maakte ooit een glashelder verschil tussen zijn korte en lange Donald Duck-verhalen. De korte besloegen één pagina en lieten Duck eerst zien in een heldere situatie: hij is agent, verkoper, of doet niets. Dan gebeurt er iets wat de rust verstoort. Duck reageert en krijgt in het laatste plaatje de kous op zijn kop. Bij de langere, met romans te vergelijken verhalen, trok Barks veel meer tijd uit voor de behandeling van de existentiële Duck-problemen: hoe is het mogelijk te overleven in deze barre wereld die helaas bevolkt wordt door Katrienen, Neefjes en Guus Gelukken?

Wie staan er niet in? Zwagerman is duidelijk over zijn keuze: hij moest «bij de lurven» worden gegrepen door een verhaal, daar laat hij het bij. Ik had gehoopt op meer overpeinzing over zijn eigen hangups en voorkeuren. Als je zo’n uitvoerige bundel samenstelt, kom je daar vast en zeker al doende achter. Ik miste Frans Kusters, de vreemdste verhalenverteller van Nederland met zijn door de bocht gierende gemillimeterde uitsneden menselijke wanhoop. Die had erin gemoeten. En Hans Plomp. Rudolf Geel. Marie Kessels. Sipko Melissen. Maartje Luccioni. Maar nu hou ik op met klagen, er is weinig te klagen. De komende tijd ben ik niet bereikbaar.