Marie de France uit een boekverluchting door miniaturist Meester van de Bijbel van Jean de Papeleu (Richard van Verdun) tussen 1285-1292 © Bibliothèque Nationale de France

In Florida, haar verhalenbundel uit 2018, voert Lauren Groff in verschillende verhalen een vrouw op die lange avondwandelingen maakt door haar buurt omdat ze ‘geen vrouw wil zijn die schreeuwt’. Ze is moeder van twee zoontjes, schrijver, en ze maakt iets door wat je een klimaatdepressie zou kunnen noemen. In het slotverhaal, Yport, vertrekt ze met haar kinderen voor een paar zomerweken naar Frankrijk om in de voetsporen te treden van Guy de Maupassant, over wie ze al jarenlang een historische roman wil schrijven (‘de schrijver opblazen of aftasten, ze weet niet precies welk van de twee’). In werkelijkheid zoekt ze een ontsnapping uit de hitte van Florida en het onbestemde eindtijdgevoel dat haar doet flauwvallen in sportscholen en supermarkten.

Haar existentiële crisis is, vanzelfsprekend misschien, ook een crisis van haar schrijverschap. Het fictionaliseren van een historische figuur in een roman begint ‘een steeds neteliger onderneming te lijken, afleidend, als een goochel-trucje’. Het tijdsgewricht leent zich niet voor fictie, concludeert ze, ze wil ‘alleen maar de waarheid, naakt en kil’.

Het is verleidelijk om in die vrouw uit de verhalen Lauren Groff zelf te herkennen – net als haar personage is ze naast schrijver ook moeder van twee kinderen, woonachtig in Florida en al jaren zeer uitgesproken over de klimaatcrisis. Het ligt, zo beschouwd, voor de hand om in Groffs nieuwe roman een uitweg te zien die het personage in Florida nog niet heeft gevonden. Waar de ‘waarheid’ in Florida in zekere zin inderdaad naakt en kil aandoet (de meeste verhalen kennen nauwelijks een plot, zijn geworteld in het kruispunt van crises waarop de wereld zich op dit moment bevindt en worden bewoond door personages die vastdraaien in een gevoel van machteloosheid), gaat het in Matrix juist om een verbeelding en herschepping van de werkelijkheid, een werkelijkheid die uitdrukkelijk níet die van het huidige moment is. Groff lijkt aan haar eigen personage uit Florida te willen demonstreren dat het kan: een onversneden historische roman schrijven, gebaseerd op een historische figuur, zonder dat het aandoet als een goocheltrucje. En niet alleen dat het kán, maar dat haar personage ernaast zit. Net zomin als het huidige moment is het verleden een vacuüm, en iets soortgelijks geldt voor de verbeelding: die blijkt, ondanks alles, nog altijd prima te functioneren als verkenner van allerhande waarheden.

Terug naar het begin dus, of in elk geval een begin: het twaalfde-eeuwse Engeland, ingenomen door de Normandiërs, de tijd van de kruistochten en kinderkruistochten, van koningin Eleonora van Aquitanië (die heerste over Frankrijk én Engeland), van de Anglo-Normandische taal en de vroegste werken in die taal, geschreven door een vrouw die bekend kwam te staan als Marie de France.

Over deze Marie de France – die zo wordt genoemd omdat ze haar werk ondertekende met ‘Marie ai num, si sui de France’ (Marie is mijn naam en ik kom uit Frankrijk) – is niet veel meer bekend dan dat ze leefde aan het eind van de twaalfde eeuw, waarschijnlijk was gelieerd aan het hof van koningin Eleonora, en een twaalftal lais (korte ridderromans op rijm) naliet, alsook 102 dierenfabels.

Het bijna volledig ontbreken van biografische informatie moet aantrekkelijk zijn geweest voor Groff, die zich op niets anders heeft kunnen baseren dan de teksten van Marie de France zelf. Meer dan ‘losjes gebaseerd’ op een bestaande biografie is Matrix de verbeelding van een biografie.

En verbeelden doet Groff met verve: haar Marie is, letterlijk en figuurlijk, larger than life. Als zeventienjarige ‘reuzin van een maagd’ komt ze op een chagrijnige oude strijdros het boek binnen gesjokt. Ze is op weg naar een noodlijdende abdij in een zompige streek in Engeland, waar ze zal worden aangesteld als priorin. Aan het hof van koningin Eleonora is ze een probleemgeval: bastaardzuster van de koningin geboren uit een verkrachting, wees, en met haar grove uiterlijk en lompe manieren volstrekt onhuwbaar. Ze mag geletterd zijn, in staat een kasboek bij te houden en onverschrokken bovendien; aan zulke kwaliteiten heeft het hof geen boodschap. ‘Eeuwig zonde dat ze als meisje het levenslicht had gezien’, concludeert de koningin, voordat ze haar wegpromoveert naar een akelige uithoek van haar koninkrijk om te versterven tussen een stel ziekelijke, uit de gratie gevallen nonnen.

Als zeventienjarige ‘reuzin van een maagd’ komt Marie op een chagrijnige oude strijdros het boek binnen gesjokt

Maar versterven doet Marie niet, integendeel. Na een kortstondig wentelen in zelfmedelijden besluit ze al haar eerder ongeschikt geachte kwaliteiten aan te wenden om de ten dode opgeschreven abdij weer tot leven te wekken. In de decennia die volgen groeit de plek onder Maries slimme, daadkrachtige en onorthodoxe gezag uit tot de rijkste, meest vooraanstaande abdij van het land. De akkers zijn weelderig, de nonnen talrijk en mollig als voorjaarslammeren.

Groff raast door de jaren heen, op minder dan de helft van het boek zijn twee van de drie delen achter de rug en is Marie 47. Tegen die tijd heeft ze besloten dat het abdijland een oord van alleen vrouwen zal zijn. De zonen van horige pachters mogen tot hun twaalfde op het land van de nonnen blijven wonen, daarna is het afgelopen, dan ‘doet de zonde haar intrede, als de lichamelijke slang ontwaakt en ernaar hunkert om zijn gif te spuien’.

Een beetje potsierlijk, die ‘lichamelijke slang’, maar je kunt het allemaal wel hebben van Marie, die, ver weg in de twaalfde eeuw, een taal moet vinden voor alles wat tot dan toe ongezegd, en in zekere zin ongeleefd, is gebleven. Alles is nauwelijks ontgonnen gebied; niet alleen het feitelijke land, maar ook zaken als seksualiteit, lichamelijk genot en emancipatie van vrouwen, én het fundament onder al die zaken: de woorden, opgeschreven en daarmee voor het eerst begrepen.

In Groffs versie van de geschiedenis schrijft Marie haar beroemde lais op haar zeventiende, vlak na aankomst in het grauwe klooster. Het zijn liefdesbrieven aan koningin Eleonora, voor wie ze haar hele leven lang een masochistische, bakvisserige hartstocht zal blijven koesteren. Ze schrijft ze in een roes, en in de ijdele hoop dat de koningin haar liefde zal beantwoorden, haar zal terughalen naar het hof, haar eindelijk ‘kent zoals ze is’.

Haar ware roeping begint pas drie decennia later, wanneer ze het schrijven niet meer inzet als middel om zichzelf te laten zien aan een ander, maar als manier om zichzelf te laten zien aan zichzelf.

Op haar 47ste krijgt ze haar eerste van negentien visioenen. Niet toevallig hangt die gebeurtenis samen met haar bevrijding van ‘Eva’s vloek’; het einde, met andere woorden, van haar vruchtbare jaren. Wat wij een opvlieger noemen is in Maries jargon een ‘allesverterend vuur’ dat zich ‘verspreidt van binnenuit naar de huid’, en de aanjager van een overweldigende mystieke ervaring. Lichtflitsen sidderen door haar vingertoppen, organen en kruis, de hemel splijt open, Onze Lieve Vrouwe toont zich in een vuurgloed van twaalf zonnen. Midden op de akker, te midden van haar zusters, valt Marie op haar knieën, en iedereen begrijpt dat ze zojuist een visitatie heeft gehad van de Heilige Maagd in eigen persoon.

Het is een geweldige vondst van Groff om de overgang, een fenomeen dat in de literatuur en daarbuiten niet per se wordt beschouwd als iets wat serieuze interesse verdient (het vrouwenlichaam in verval, de definitieve overtocht naar een totaal uitgewist zijn als seksueel wezen, een parcours dat maar het best met de nodige ‘zelfspot’ kan worden afgelegd), hier te verheffen tot een spirituele ervaring van de hoogste soort.

Marie kreeg van Groff een taal cadeau, die net zo vonkt als de Heilige Maagd door een scheur in de hemel

Het is de Marie van tijdens en ná de overgang die in de bloei van haar leven is, die ‘een lange, kille klaarheid van geest’ heeft verworven die voor de verandering eens níet ten koste gaat van fysieke kracht en seksualiteit. Het is veelzeggend dat het grootste deel van de roman, het belangwekkendste deel van Maries leven, plaatsvindt na haar 47ste. De grote vrouw wordt steeds groter, steeds zichtbaarder, steeds machtiger. Gelukkig weet Groff haar behendig om twee narratieve clichés heen te leiden. Marie verwordt niet tot het toonbeeld van de oude wijze vrouw die het altijd bij het juiste eind heeft, de goedheid zelve is. Evenmin brengt haar hoogmoed haar ten val.

Marie is geen ijle mystica, eerder eentje van de pragmatische soort. Haar uitgeschreven visioenen interpreteert ze als praktische handleidingen bij het bestieren van haar abdij, die een steeds megalomaner verwerkelijking wordt van de utopie die ze in gedachten heeft. Ze ontwerpt met de nonnen een ingenieus labyrint dat het gebouw moet omringen, vol valse afslagen en geheime doorgangen, bedoeld om de buitenwereld op afstand te houden. De abdij krijgt een grote ruimte waar manuscripten gekopieerd worden (mannenwerk!), een schoollokaal voor jonge meisjesoblaten. En uiteindelijk krijgt Marie, nadat de enige priester in de stad is omgekomen bij een brand in de kerk, in een van haar visioenen te zien dat zij zelf dan maar de mis moet opdragen en de biecht moet afnemen – tot ontsteltenis van velen.

Kan iets wat blasfemisch lijkt heilig blijken, en vice versa? Dit is de kwestie die telkens weer tegen het licht wordt gehouden in de roman. Marie heeft nooit enige roeping gevoeld om non te worden. Als abdis is ze minder gepreoccupeerd met haar verhouding tot god dan met die tot haar medezusters. God is vooral een middel om haar gedroomde gemeenschap van vrouwen te verwezenlijken, een excuus om mannen buiten de deur te houden.

De context van het klooster biedt ook uitstekende mogelijkheden om vrouwelijke seksualiteit om te buigen van een zonde tot iets wat kan worden geïncorporeerd bij de religieuze ervaring. Op de infirmerie worden Marie en andere nonnen een handje geholpen bij hun ‘lichamelijke ontlading’. Ze moet het, zegt de infirmatrix, zien als ‘een uiting van humeuren, zoiets als aderlaten’. Voor Marie is het een grote opluchting dat ze haar lustgevoelens en orgasmes kan beschouwen als geneeskundige aangelegenheden die helend zijn voor lichaam en geest. Precies die omweg via het aardse biedt de mogelijkheid van een hemelse, extatische ervaring. En tot inzicht, want het lichamelijke genot brengt in Marie ook een innerlijke verschuiving teweeg: ‘Tegenstellingen kunnen gelijktijdig waar zijn. In de kern van de wereld zit een grote, kloppende angst. De wereld is in haar diepste innerlijk verrukkelijk.’

En zo is het gelijktijdig waar dat Marie in haar visioenen dichter tot god komt en dichter tot zichzelf, dat ze met haar onbescheiden bouwlust iets wonderbaarlijks schept en blind is voor de destructie van de natuur die ze ermee teweegbrengt, dat spiritualiteit kan ontstaan vanuit een diepgeworteld geloof in de wereld, dat fysieke arbeid je tot een hoger abstractieniveau kan tillen, dat huishoudelijk werk emancipatoir kan zijn, dat je naar een utopie kunt streven zonder te vergeten dat een gemeenschap altijd onvolmaakt zal blijven, dat je een moeder kunt zijn zonder ooit kinderen te hebben gebaard.

‘Matrix’ is Latijn voor moederdier, baarmoeder, oorsprong. Marie gebruikt het woord om Eva te beschrijven, de ‘eerste moeder van heel de mensheid’. Zonder haar geen Maria, ‘de grootste matrix van allen’; zonder haar fout geen mogelijkheid van verlossing.

Met haar roman laat Groff zien dat er niet zoiets bestaat als een volmaakte oorsprong, alles was altijd al een mix van goed en kwaad, van wilskracht en zwakte, intentie en achteloosheid. En zo staat de begintijd uit Matrix in rechtstreeks verband met de eindtijd uit Florida, hoezeer de boeken ook van elkaar lijken te verschillen.

Misschien is deze roman te vreemd en dwars om de bestsellerstatus van het bejubelde Fates and Furies (2015) te bereiken, maar hij is Groffs beste tot nu toe. Niet alleen kreeg de anonieme Marie de France een groots leven van de schrijver cadeau, ze kreeg er ook een taal bij die evenzeer fonkelt en vonkt als de Heilige Maagd door een scheur in de hemel.