17 januari 1928 – 9 mei 2012

Vidal Sassoon

‘Eindelijk wordt haar weer haar’, schreef Vogue. De kapper met de dichterlijke naam bepaalde met zijn iconische kapsels het stijl- en modebeeld van de jaren zestig.

Bond Street, in de Londense wijk Mayfair, is van oudsher een plek voor luxepaardjes. Een winkelstraat waar etalage na etalage is gevuld met exquise zilver, zeventiende-eeuws schilderwerk en andere objecten die staan voor smaak en verfijning. Het is de straat waar Mrs Dalloway, in Virgina Woolfs gelijknamige roman, koningin Victoria bloemen ziet kopen. Tegenwoordig zitten op deze halve mijl de internationale modeontwerpers – Armani, Alexander McQueen, Dior – samengepakt, vlak om de hoek van koopgoot Oxford Street. In dit Mekka voor de upper class vond een van de grootste revoluties in de haarmode plaats. Op nummer 171 om precies te zijn, waar kapper Vidal Sassoon, vorige week op 84-jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van leukemie, zijn salon had. Daar knipte hij de vrouwelijke stijl­iconen van de swinging sixties.

Dames verlieten zijn salon met een van Sassoons iconische kapsels: ‘The Shape’ (­asymmetrisch vijfpuntskapsel), de geknipte bob (die, anders dan de bob uit de jaren twintig, ‘uit zichzelf’ in model viel) die we later ‘the pixie cut’ zijn gaan noemen. Heel kort en toch vrouwelijk. Voor hem was het een vorm van architectuur. ‘Ik dacht over haar in termen van geometrie: vierkanten, driehoeken, trapezoïden’, zei Sassoon ooit. Eigenlijk had hij architect willen worden.

Sassoon werd geboren in het verpauperde Oost-Londen. Zijn vader, een sefardische jood, was een tapijthandelaar die zijn gezin in de steek liet toen Vidal vijf was. Zijn moeder probeerde de eindjes aaneen te knopen met werk in de naai­ateliers rond Petticoat Lane. Uit armoede was ze genoodzaakt haar twee zoons te laten opnemen in een joods weeshuis. Toen Sassoon veertien was, deed ze hem in de leer bij een kapper. Niet de gedroomde carrière van een straatjoch met een cockney-accent, maar als trouwe zoon luisterde hij naar de wensen van zijn moeder. In 1948 nam hij dienst in het Israëlische leger, voor veel joodse eastenders een manier om de grauwe straten van Londen in te wisselen voor avontuur. Feitelijk was het illegaal. Britse onderdanen mochten niet in een vreemd leger vechten en dus reisden soldaten in spe onder het mom van toerisme naar Frankrijk om in Marseille gevechtsklaar te worden gestoomd. Sassoon werd gestationeerd in de Negev, overleefde Egyptisch mitrailleurvuur en keerde na een jaar terug naar Londen. Hij was een illusie armer (het was zijn strijd niet) en een inzicht rijker (‘In Israël vond ik mijn gevoel van menselijke waardigheid’, vertelde hij in documentaire over zijn leven, uit 2010).

Eenmaal terug uit de woestijn ging hij in de leer bij dameskapper Raymond Bessonne, een Engelse fat met een dun snorretje en een anjer in zijn knoopsgat die ooit op Ascot reed in een roze morning suit. Van hem leerde Sassoon niet alleen knippen, maar vooral ook de rol van celebrity hairdresser met verve te spelen. De samenwerking tussen het tweetal kwam ten einde toen duidelijk werd dat zijn mentor wel de klanten, maar niet de aandacht voor zijn persoon wilde delen. Besonne weigerde Sassoons naam te vermelden bij de reclamefoto’s waarvan hij de kapsels had gedaan. Sassoon, inmiddels een meester met de schaar, opende daarop zijn eerste eigen salon op Bond Street.

Zijn werk verdeelde in Engeland de geesten. Modeblad Vogue vond het prachtig: ‘Eindelijk wordt haar weer haar.’ De Sunday Times deed het daarentegen af als te modern. Beide hadden gelijk. In kapsels van Sassoon zag je de tijdgeest terug. Ze waren alles wat Londen in die tijd ook was: hip, losjes, sexy. Een groot contrast met de wederopbouwmentaliteit die, gezien de Britse eet- en kleedgewoonten uit die tijd, begin jaren zestig nog volop heerste. Een contrast ook met de kapsels die toen de norm waren: stijve modelletjes die het meest weg hadden van een suikerspin, bijeengehouden door wekelijkse behandelingen met chemicaliën en hitte. Over het stempel dat Sassoon op zijn tijd drukte is veel gezegd. Over hoe zijn kapsels vrouwen bevrijdden, letterlijk van de krulspelden en warmte­kappen, figuurlijk van een nogal beperkt schoonheids­ideaal. Hij is erom te prijzen. Net zoals Sassoon te prijzen is om zijn filantropie. Hij gebruikte een deel van zijn kapitaal om het Vidal Sassoon International Centre for the Study of Antisemitism op te richten, gevestigd aan de Hebreeuwse universiteit van Jeruzalem.

Gelukkig bleef hij niet gevangen in zijn tijd. Sassoon bracht de tweede helft van zijn leven door in het zonnige Beverly Hills, gebruind en fit van de yoga. In die zin had hij het goede beroep. Zijn werk vond plaats achter de schermen en hij kon blijven doen waar hij goed in was zonder dat het een tikje gênant werd, iets wat niet gold voor sommige andere sixties-iconen wier persoonlijkheid onderdeel was van de performance.

Niet minder belangrijk was de neus die Sassoon had voor zaken – een kenmerk van de meeste mannen en vrouwen die de jaren zestig hun kleur gaven. De minirok van Mary Quant, de foto’s van David Bailey, de kapsels van Sassoon – ze waren behalve esthetisch ook commercieel een groot succes. In 1964 opende hij zijn eerste salon in New York. In tien jaar had Sassoon een internationaal imperium van salons en haarproducten uit de grond gestampt. Het effect van iemand als Sassoon op klassenbewustzijn is moeilijk te overschatten. Veel beroemdheden uit zijn tijd hadden een bescheiden achtergrond. Working class-_jongens met knauwende accenten scoorden in de popmuziek hit na hit. Dochters uit boerenfamilies ontpopten zich tot topmodellen. Even leek de klassenmaatschappij iets van het verleden. _‘An ordinary person could not do it’, zei Beatles-manager John Epstein over zijn eigen succes met de band. Het tegendeel was waar. Met een beetje inzet en talent kon iedereen het. Veel meer dan alle platitudes over peace en love tekent dat de jaren zestig.