Essay: De toekomst van de publieke omroep

Vier publieke kanalen

VVD’er Gerrit Zalm wil de financiën van het publieke bestel drastisch verlagen. «Met twee kanalen kunnen ze ook toe», zegt hij. Milo Anstadt, oud-documentairemaker voor de Vara, heeft enkele adviezen: «Nee, meneer Zalm, gezien de morele malaise in Nederland kunnen zij er niet mee toe.»

In de jaren zestig kwamen zowel ter linker- als ter rechterzijde luidruchtige bewegingen op die de staatsmacht in diskrediet trachtten te brengen. Links waren het voornamelijk anarcho-collectivistische, en rechts liberaal-individualistische stromingen. De linkse balorigheid werd vooral opgewekt door het regenteske optreden van bestuurders, de rechtse door de sociale bemoeienissen van «bevoogders en betuttelaars». In de oppositie voorspelde de rechtse voorman Wiegel rampen waartoe alle regelgeving in dienst van de verzorgingsstaat onherroepelijk moest leiden. Nam zijn partij deel aan de regering, dan noemde hij zijn opdracht bij voorkeur «puinruimen».

In beide kampen bestond de behoefte zich los te maken van de geestelijke en maatschappelijke bindingen die door traditionele zuilen werden gereflecteerd. Trendgevoelige politieke partijen poogden zich daarbij aan te passen. Zij gaven hun ideologische karakter geleidelijk prijs en vonden een vage grondslag in een neoliberaal concept dat een betrekkelijk algemene zorg voor vrijheid en humaniteit articuleerde en ruimte liet voor specifieke accenten. Beginselen werden ondergeschikt gemaakt aan machtsvorming en dat alles onder de voorwendsels van vernieuwing en modernisering. Waren partijen voorheen politieke stuurmechanismen van wereld- en levensbeschouwing, nu verschrompelden ze tot kale, opportunistische kiesverenigingen.

Illustratief voor deze ontwikkeling was het beleid van de PvdA, die zich in betrekkelijk korte tijd van haar mediakanalen naar de achterban ontdeed. De eigen pers (wel wat armlastig) en de bondgenootschappelijke omroep leken een belemmering te vormen voor de uitbreiding van haar electoraat.

Toen kort na de oorlog ook in linkse kring veel nadruk werd gelegd op de opheffing van de Nederlandse hokjesgeest en er kritiek werd geoefend op de terugkeer van de vooroorlogse omroepverenigingen, riep de sociaal-democratische voorman Koos Vorrink: «Als ik een microfoon nodig heb, dan wil ik die bij de hand hebben!» waarmee hij zijn behoefte aan de Vara kenbaar maakte. Dat kwam een kwart eeuw later anders te liggen. Niet alleen werden de organisatorische banden van de PvdA en de Vara geslaakt, binnen de gelederen van die partij stonden activisten op die een uitgesproken vijandigheid jegens de Vara en het hele omroepbestel aan de dag legden. Sommigen werkten ijverig mee aan de afbraak van dat bestel. Zij verkondigden dat het zijn verval aan zichzelf te wijten had. De omroepen zouden zich te lang in de bescherming van de politiek hebben vermeid. Zij zouden te lang iedere personele doorstroming hebben tegengehouden. Met iets van leedvermaak constateerden zij dat dit bestel door de commercie werd overvleugeld.

Het zou niet de minste moeite kosten al die beweringen punt voor punt te weerleggen. Nu gaat het er echter veel meer om de effecten na te gaan die de vernieuwingsdrift van de naoorlogse generatie op de maatschappelijke ontwikkeling heeft gehad en daaruit enige lering te trekken.

Opinieleiders besteden doorgaans veel meer aandacht aan wat er moet veranderen dan aan wat behouden moet blijven. Dat was zeker zo in de jaren zestig. Een jonge generatie die zich toen met veel temperament voor vernieuwingen inzette, had al bijzonder weinig oog voor bestaande waarden. Wat zij nastreefde, was persoonlijke vrijheid, zelfbeschikkingsrecht, zeggenschap op alle niveaus, ruimte om «zichzelf» te zijn. Bij zeer weinigen kwam de gedachte op dat het bereiken van die doelen weleens gepaard kon gaan met een drastisch verval van de gemeenschapszin, saamhorigheid, sociale controle, maatschappelijke verantwoordelijkheid en het onderlinge respect. Nog geringer was het aantal dat nadacht over de eisen die een democratisch systeem moest stellen aan geïnstitutionaliseerde contacten tussen volksgroepen, volksvertegenwoordigers en bestuurders, aan het onderhouden van banden met ideologisch gelijkgezinden, aan geestelijke en maatschappelijke informatie ter bevordering van onderlinge uitwisseling van gedachten en meningen, aan optimaal functionerende media die op al die terreinen een onmisbare taak hadden.

Sinds de jaren zestig was het mode te verkondigen dat het Nederlandse omroepbestel was verouderd en daarom op de schop moest. De trendsetters lieten zich niet altijd door zuivere motieven leiden. Zij predikten een betere en gevarieerdere programmering, maar waar het de meesten werkelijk om ging, was de commercialisering van het systeem. Daarin zagen zij een koe met gouden horens en op haar rug wilden ze hun particuliere klimtocht naar rijkdom maken. Zij kregen de steun van sommige kranten en partijen: De Telegraaf, VVD, D66 — zo groeide het koor dat in het sprookje van kwaliteitsverbetering geloofde.

Waren er misschien toch bezwaren aan te voeren tegen het bestaande omroepbestel uit programmatisch en democratisch oogpunt? Het was voortgekomen uit de maatschappelijke zuilenstructuur en die was in de late jaren vijftig van karakter veranderd. De schaapjes waren niet meer bereid braaf in hun zuil samen te hokken. Zij verlieten die massaal en schaarden zich er omheen, want de herinnering aan de nestwarmte die zij daarbinnen hadden genoten, was nog lang niet vervlogen.

Wie het verdwijnen van de gereformeerde geitenfokvereniging, de rooms-katholieke postduivenhouders en hoe die organisaties ook mochten heten, als een aanwijzing voor de ontzuiling beschouwde, trok te snel conclusies. Lange tijd bleven er binnen het Nederlandse volk zo’n drie duidelijk herkenbare hoofdstromingen bestaan, waartussen de hoge scheidsmuren weliswaar geslecht waren, maar die nog steeds in betrekkelijke beslotenheid leefden. De kerkelijkheid was afgenomen, maar nog vele decennia stemde een derde van het Nederlandse electoraat «christelijk» en de kenmerken van dat christendom waren nog even burgerlijk als vroeger. Een derde van het Nederlandse volk stemde «links», en het motief van die progressiviteit was nog hetzelfde mengsel van ethiek en rancune als toen Ter Braak zijn Van oude en nieuwe christenen schreef. Een derde stroming stemde liberaal. Dat was een keuze voor een niet-ideologische, pragmatische aanpak van problemen op de grondslag van individuele vrijheid. Voor zover het aanhangers met een romantische kijk op de economie betrof, streefden ze optimaal particulier initiatief na, in goed vertrouwen dat alle moeilijkheden door zelfcorrigerende mechanismen zouden worden opgelost.

Kon het Nederlandse omroepbestel een democratisch karakter worden ontzegd? Voor het antwoord moeten wij iets van de ontstaansgeschiedenis van dat bestel ophalen. Daar was ten eerste het initiatief van activisten die uit hoofde van hun geestelijk en maatschappelijk engagement verenigingen stichtten van geestverwanten, met het doel hun cultuur en hun ideeën via de nieuwe elektronische weg te verbreiden. Verzoeken om zendvergunningen werden door de overheid gehonoreerd. Daar was het parlement dat met een ruime meerderheid van stemmen een omroepwet goedkeurde die het unieke Nederlandse omroepbestel een legitieme grondslag gaf. Het is onweerlegbaar dat de Nederlandse omroepstructuur lange tijd de wil van het Nederlandse volk representeerde.

Wat de uitzendingen betreft was het voor de omroepen een vitale noodzaak honderdduizenden leden te vriend te houden en daarom een programma aan te bieden dat hun wensen bevredigde. Gevarieerde contacten met hun achterban verschaften hun een beeld van de bestaande verlangens. Daarnaast moesten zij zich de kritiek van de pers aantrekken, wetende dat daarin een niet te onderschatten macht was gebundeld. Al met al was het voor de verschillende publieke segmenten niet moeilijk hun wensen met betrekking tot programma’s kenbaar te maken en zelfs om die af te dwingen. In Nederland werden zowel afzonderlijke groeperingen als de totale bevolking met een veelvormig kwaliteitsproduct bediend.

Om niet de indruk te wekken dat ik als oud-omroepman het verleden bewierook, wil ik wat concrete voorbeelden geven. In een periode van vijftien jaar, van 1955 tot 1970, hebben de omroeporganisaties samen meer dan vijfhonderd toneelstukken uit het wereldrepertoire in televisiebewerking uitgezonden. Daaronder stukken van Shakespeare, Molière, Schiller, Brecht, Tsjechov, Heijermans, Sartre, Ionesco, Tennessee Williams, Miller, Claus. Vijfhonderd! Soap viel toen nog niet in de categorie van artistiek drama waarmee een bijdrage tot de cultuur zou worden geleverd. Ik beperk mij verder tot karakteristieke programma’s van de Vara omdat ik die uit mijn geheugen kan opdromen; ze zijn bij de vijftigplussers na meer dan dertig jaar nog niet in vergetelheid geraakt. De humoristische series van Annie M.G. Schmidt: Pension Hommeles en Ja zuster, nee zuster. De programma’s van Tom Manders met zijn unieke zwerver Dorus. Het maandelijkse magazine Spiegel der Kunsten dat met de televisieprijs van de Prins Bernhard Stichting werd onderscheiden. Het discussieprogramma Welbeschouwd, een Vara-succes van de bovenste plank, met nog niet vergeten namen als Henk van Randwijk, ds. Buskes, André Kloos, Jan Kassies, Fenna van den Burg, George Cammelbeek en Bertus Schaper. Regelmatige medewerkers aan cabaret en satire waren Wim Kan, Wim Sonneveld, Simon Carmiggelt, Michel van der Plas. Een team bestaande uit Rinus Ferdinandusse, Gerard van het Reve, Jan Blokker, Mies Bouwman, Aad Kosto en Peter Lohr presenteerde de serie Zo is het toevallig ook nog ’s een keer. Dat programma werd door De Telegraaf in het graf gewerkt, en dat treurige einde vormde al het voorspel tot een ontwikkeling die het hele publieke bestel, gegrondvest op levensbeschouwelijke stromingen, zou ondergraven.

Ook Achter het nieuws, onder leiding van Herman Wigbold, kon bij de brave borsten van rechts geen genade vinden. Het stelde onderwerpen aan de orde die in die jaren nog min of meer taboe waren: abortus, euthanasie, homoseksualiteit, de massaslachting in Vietnam, oorlogsmisdaden van Nederlandse militairen in Indonesië.

Een samenraapsel van populistische kleinburgers, dat zich toen al tot een machtsfactor begon te ontwikkelen, probeerde in naam van de vrijheid, de vrijheid van het unieke Nederlandse omroepbestel om zeep te brengen. Het stelde dat de omroepen uitgingen waren van een behoefte aan opvoeding, educatie, bevoogding, autoriteit, maar dat die tijden voorbij waren. Ieder een was inmiddels mondig, geïnformeerd en intelligent genoeg om zelfstandig te oordelen en zonder beïnvloeding door de media beslissingen te nemen. Ondanks eclatante voorbeelden van bekrompenheid, hebzucht, onbehagen, sociale en etnische spanningen, hielden zij vast aan hun roze waan. Een andere verantwoording van hun standpunt lag in de gedachte dat de commercie, afhankelijk van de gunst van de consumenten, die programma’s zou brengen waar het publiek werkelijk om vraagt. Dat was volgens hen dan ook de enige taak die omroepen zich in het geavanceerde tijdperk waarin wij leefden, mochten stellen. Het paste alweer in hun roze wereldbeeld dat zij voor de uitkomsten van dit beleid fervent op de positieve wil der mensen vertrouwden. Bekijken wij nu de plaats die aan quizzen, soap, seks, porno en geweld in de commerciële programma’s is ingeruimd, dan valt er op dit optimisme wel wat af te dingen.

Het was vooral de VVD die de populistische lijn oppakte en zich uiterst vijandig opstelde tegenover het vigerende omroep systeem. Zij greep elk middel aan om het te ondermijnen. Het bestel was niet open genoeg. Er moest ruimte komen voor nieuwe kandidaten (liefst zo veel dat het eraan zou bezwijken). De omroepen kostten te veel geld. De belastingbetalers kregen een product geserveerd dat hun tegenstond. Staven van zakkenvullers hielden het bestel ten eigen bate in stand. Enzovoort.

Het verweer van de andere partijen en van de omroepen zelf (maar die verkeerden in een zeer kwetsbare positie) was halfslachtig. De commerciële televisie werd ingevoerd en de vrij algemene roep om bezuiniging bij de NOS werd gehonoreerd. Ook op het publieke net verscheen reclame; daardoor viel te ontkomen aan de noodzaak van een verhoging van de Kijk- en Luisterbijdrage. Gezwegen werd over het feit dat de kosten van reclame in laatste instantie door de consument moeten worden opgebracht en dat die aanzienlijk hoger zijn dan de bescheiden verhoging van de Kijk- en Luistergelden die nodig was om het vigerende omroepbestel redelijk te financieren. Wat het laatste betreft riep de politiek bijna in koor: onhaalbaar!

De VVD was een kampioen-vernieler van het bestel uit opportunisme. Zij vertegenwoordigt een beweging die voornamelijk door de bemiddelde burgerij wordt geschraagd en die haar beste tijd eind negentiende, begin twintigste eeuw heeft gehad. De liberalen zagen nog maar weinig kans met hun klassieke ideologie tot een massapartij uit te groeien en hingen daarom de huik naar de wind. Zij presenteerden zich het ene ogenblik sociaal, het andere ogenblik conservatief, afwisselend libertijns en moralistisch en als het zo uitkwam zelfs christelijk. En dat alles met het oogmerk het verloren terrein terug te winnen. Kritiek op het omroepbestel en een streven naar toelating van commerciële omroepen leken hun op een gegeven moment iets waarmee zij zich populair konden maken. Aan hun kruistocht tegen het bestel ging echter een belangrijke ontwikkeling vooraf.

Terwijl de geestelijke en politieke stromingen, die grosso modo door de omroepen werden vertegenwoordigd, nog niet aan het eind van hun Latijn waren, kwam er in de Angelsaksische wereld een massacultuur op die de jongeren in Europa onweerstaanbaar aantrok: de popcultuur, met haar voornamelijk muzikale, maar in haar zog ook levensbeschouwelijke elementen. Een uitermate luide cultuur, met dikwijls brutale tendenties, quasi-dynamisch, maar feitelijk op een zich steeds herhalend (minimalistisch) stramien berustend, overheerst door een harde mechanische beat die als een narcoticum werkt. Deze popcultuur genereerde een nieuwe markt en allerlei slag van ondernemers was er als de kippen bij om er geld uit te slaan. Er verschenen radio- en tv-piraten die uitsluitend en totaal de nieuwe god dienden. De legitieme strijd van de overheid daartegen was voor de VVD gefundenes Fressen. De staat mocht geen zedenmeester zijn, maar moest primair de vrijheid dienen, de vrijheid van het individu, de vrijheid van consumptie en de vrijheid van initiatief. Zich daarmee quasi in dienst stellend van vernieuwing, ondermijnde zij de pijlers van een weliswaar niet homogene, maar wel gebonden cultuur. En als de VVD ooit haar streven met succes bekroond heeft gezien, dan is het in de ontbinding van de referentiekaders waarin het Nederlandse volk heeft geleefd. Een ander streven van de VVD, dat steeds meer weerklank ontmoette, was de vestiging van het primaat van de economie. Het omvatte de vrije markt, economische groei, efficiëntie, spaarzaamheid en terughoudendheid van de staat, en bovenal individuele verrijking die niet te veel mocht worden belemmerd door collectieve eisen van gelijkheid en solidariteit. Het liberale credo schonk aanzienlijk meer aandacht aan materiële dan aan geestelijke rijkdom en daaraan adequaat was en is de onverschilligheid voor cultuur.

Het was dit paradigma dat gemeengoed van Paars werd. En in dit kader was het zowel tegenstrijdig als consequent dat op oc&w een econoom als staatssecretaris werd aangesteld; begaafd in zijn vak, had hij in culturele zaken even veel inzicht als een koe in botanie. Maar al lang voor zijn aantreden was op dat terrein een beleid geïntroduceerd dat geen boodschap had aan het beginsel van de culturele terughoudendheid van de staat. De overheid die de taak had voorwaarden te scheppen voor een geanimeerd cultureel leven overtrad immers haar traditionele bevoegdheden als zij zich sturende pretenties aanmatigde.

Over de hoofden van drie miljoen leden van omroepverenigingen en bijgevolg spottend met het wezen van democratie voerde de regering een nieuw omroepstatuut in dat het karakter van het omroepbestel volledig denatureerde. De omroepverenigingen verloren het recht ieder voor zich een totaalprogramma te verzorgen en werden tot aanbieders van bijdragen gedegradeerd voor zenders met specifieke kenmerken. Daarbij deden hun geestelijke achtergronden nauwelijks meer ter zake.

En nog eens: helaas ontbreken in onze samenleving «trend watchers» die, de stroom van veranderingen volgend, attent zouden moeten zijn op het behoud van waarden. Want er is veel verloren gegaan door de manipulaties met de publieke omroep.

Was het niet zo dat in de oude structuur referentiegroepen zich met hun omroep identificeerden en daarom ontvankelijk waren voor de impulsen die van die kant uitgingen? Was het niet zo dat de gevoelens van verwantschap uitermate gunstige voorwaarden boden voor acculturatie? Moeten we, gezien onze huidige problemen met normen en waarden, niet betreuren dat dat instrumentarium ons is ontvallen? Bracht het vroegere systeem niet persoonlijkheden voort die op grond van hun gezag en overtuigingskracht bij machte waren bij hun eigen publiek algemene gedragsregels te internaliseren?

Wie opteert voor een politiek van gerechtigheid, humaniteit, solidariteit, onbaatzuchtigheid en lichamelijke en geestelijke volksgezondheid, wie het mateloos materialisme en consumentisme wil terugdringen, moet onder meer de communicatie bevorderen. Op het gebied van de televisie zou dat waarschijnlijk het meeste effect hebben als de verschillende omroepen weer op verschillende kanalen geschakeerde totaalprogramma’s zouden uitzenden, programma’s die zich ertoe lenen gemeenschapsvorming te bevorderen. Dat zal er helaas niet meer van komen, maar dan is het te meer zaak over datgene wat er nog over is van de publieke omroep zorgzaam te waken.

Vaak wordt beweerd dat de middelen van weleer niet meer zouden aanslaan in onze individualistische maatschappij. Maar is deze samenleving werkelijk zo individualistisch? Tal van symptomen wijzen juist in de richting van onpersoonlijke volgzaamheid, of het nu de kleding, de levensgewoonten, de huisvesting of het taalgebruik betreft. Wat de mensen kennelijk missen, zijn voorbeelden en helden waarmee zij zich zouden wensen te identificeren. Die beperken zich op het ogenblik tot een paar sterren in de amusementsindustrie en de sport.

De politici die verantwoordelijk waren en zijn voor de ontmanteling van het multiculturele omroepbestel zouden zich behoren te schamen over hun kortzichtigheid. Wij zijn nu in een situatie terechtgekomen dat een bedreigde publieke omroep, die afhankelijk is van ledental, reclame en kijkcijfers, met het banale programma-aanbod van de commerciëlen moet concurreren om te overleven. Het is de schuld van de politiek dat de kosten van het bestel zo enorm zijn gestegen. De concurrentie tussen publieke en commerciële omroepen — zo jubelend ontvangen — heeft ervoor gezorgd dat populaire presentatoren nu per enkele uitzending een half maandsalaris van een redacteur verdienen. Een gelijkenis met het voetbal dringt zich op.

En weer is er een VVD’er opgestaan die de financiën van het publieke bestel drastisch wil verlagen. «Met twee kanalen kunnen ze ook toe», zegt hij. Nee, meneer Zalm, gezien de morele malaise in Nederland kunnen zij er niet mee toe. En wilt u uw verantwoordelijkheid jegens ons land naar behoren vervullen, dan moet u proberen zelfs voor vier publieke kanalen de financiering rond te krijgen. Als we straks ontwaakt zijn uit de onvervulde droom van integratie van de allochtonen, dan zal het wellicht ook tot u doordringen dat er slechts één middel is om de multi-etnische, multiculturele samenleving in Nederland een band van gemeenschappelijkheid te verlenen en wel dat van acculturatie. Een proces dat aanzienlijk meer tijd en geld zal vergen dan op het ogenblik wordt aangenomen. De televisie zal daarbij een onmisbaar element zijn; zij zal op een afzonderlijk net programma’s moeten verzorgen voor de verschillende allochtone groepen: programma’s die hun aanspreken, die hun een gevoel van eigenwaarde schenken, die hen deels in de taal van hun land van herkomst en deels in het Nederlands benaderen, die hen zowel met het vormende intellect van eigen origine confronteren als met het Nederlandse intellect dat voldoende fantasie bezit om een brugfunctie te vervullen. Meneer Zalm, laat uw hersens een beetje kraken.